Na een week of drie te hebben geprobeerd te vergeten dat ik had beloofd de oude tante van een Zuid-Afrikaanse collega op te zoeken, heb ik uiteindelijk toch maar gebeld om een afspraak te maken, al was het alleen maar om van dat aanzwellende schuldgevoel af te komen.
De oude tante was op de laatste bladzijden van haar leven beland
en haar nicht, de eerdergenoemde collega, wilde haar graag nog een keer bepalen
bij het Goede Nieuws zodat tante wellicht in het reine kon komen met haar
schepper voordat haar levensboek werd gesloten. O ja, tante haatte de kerk,
wilde niets met God noch gebod te maken hebben en was allergisch voor
christenen. Dat ik het maar even wist.
Tante gebeld. Ik legde uit wie ik was en waarom ik langs wilde
komen. Tante vond het best.
Samen met Martha naar Den Haag gereden (ongeveer in het jaar 2010) en zo belandde dit onwaarschijnlijke
pastorale duo in de slaapkamer van de oude tante. Na wat heen en weer gepraat
over ditjes, datjes en andere onschuldige niemendalletjes werd het gesprek wat serieuzer.
Over teleurstelling, afscheid nemen, verraad, alleen overblijven en eenzaamheid.
Ik vroeg haar waar ze dacht dat God in dit alles was, als er überhaupt een God
zou zijn.
Wat volgde was een eruptie van verdriet, boosheid (over de
kerk, de afwezigheid van God, de hypocrisie van gelovigen die ze kende) en
vooral machteloosheid. Deze litanie werd regelmatig onderbroken door
verontschuldigingen: “Sorry, ik wil jullie God niet beledigen” en “Neem het me
niet kwalijk”, waarop ik haar aanmoedigde om er vooral mee door te gaan, want “God
is een grote jongen en kan wel wat hebben.”
Toen ze wat bedaarde was en bij gebrek aan wijze woorden die
Martha of ik mogelijkerwijs hadden kunnen bedenken, vroeg ik haar of ik voor
haar mocht bidden.
Meteen stak ze haar armen omhoog en zei: “Alsjeblieft, ik kan dit niet alleen,
ik kan dit niet alleen, ik kan dit niet alleen.”
Dus baden we voor haar. Ik weet niet meer wat.
De vraag die Martha en ik elkaar stelden toen we onderweg
naar huis bij een McDonalds waren gestopt voor een debrief – Martha met een
vuurrood gezicht, ik met een vreselijke migraine (zoals gezegd is het pastoraat
een onwaarschijnlijke match met ons) – is een vraag geworden die mijn leven en verhouding
tot de ander radicaal heeft veranderd. Getraind, geïnstrueerd en feitelijk gebrainwasht
met het idee dat slechts zij gered zijn die met de mond belijden dat Jezus Heer
is en in het hart geloven dat God hem uit de dood heeft opgewekt (Romeinen
10:9-10). Doe je dit niet, dan ben je dus ‘ongered’ en ga je helaas naar de hel.
Het zou te ver voeren - maar is wel een cruciaal thema - om in deze blog in
gaan op de vraag hoe de apostel Paulus dit bedoelde, in welke context, wat
gered te maken heeft met hemel en/of hel en de waarde van het abstracte ‘in het
hart geloven’ en hoe dit alles zich verhoudt tot Christus die voor eens en
altijd het hemelse heiligdom is binnengegaan, en dan niet met bloed van bokken
en jonge stieren maar met zijn eigen bloed. Zo heeft hij een eeuwige verlossing
verworven. (Hebr. 12)
De vraag is deze: Reiken Gods liefdevolle, reddende armen niet
vele malen breder, dieper en hoger dan wat ik in mijn benepen
dogmatische geloofje heb vastgesteld? Is de erkenning “ik kan dit niet alleen” in
feite een geloofsbelijdenis pur sang en vatten deze vijf woorden een leven
samen waarin geloof een belangrijkere plaats had dan de ontkenning die zich aan
de oppervlakte van het leven manifesteerde. Ik kan niet anders dan deze vraag met een volmondig en volhartig "Jazeker" beantwoorden.
Eerder schreef ik een eerste blog over ontmoetingen/gebeurtenissen die tot een blijvende, vaak radicale verandering in mijn leven hebben geleid. Dit is nummer twee.

.jpg)


.jpg)













