31 augustus 2026

Lijden? Het heeft zo moeten zijn.

Vanmorgen pakte ik mijn dagboek weer eens op. Ik schrijf daar niet dagelijks in, maar wel regelmatig. De laatste keer was echter ruim twee jaar geleden. Dat is een behoorlijk gat.  Nu wil het geval dat mijn laatste aantekening (12-7-2024) ging over “geroepen om vrij te zijn” (Galaten 5).  Wat het een “geval” maakt is dat mijn preek daar gisteren over ging.
“Nou zeg, dat kan geen toeval zijn”, zouden sommigen zeggen. Of “het moest zo zijn”.
Eerder zou ik niet stilstaan bij dit soort opmerkingen, maar nu zet het me stil omdat ik me realiseer dat onder deze en verwante uitspraken een wereldbeeld en/of godsbeeld hangt dat feitelijk niets anders dan het determinisme: alles wat gebeurt en we doen ligt vooraf en onvermijdelijk vast door eerdere oorzaken en natuurwetten en/of is van voor de grondlegging van de wereld door God vastgesteld, waarbij alles bijdraagt aan het bereiken van een uiteindelijk en al vastgesteld doel (teleologisch determinisme). Binnen dit beeld is er geen plaats voor toeval, dus ook geen plaats voor zinloos lijden.

Iemand vroeg me onlangs of het Gods plan was dat ze vanaf haar twaalfde levensjaar door haar vader seksueel is misbruikt en hoe medegelovigen haar soms menen te bemoedigen met het idee dat God alles doet bijdragen aan het goede (Romeinen 8:28).

Dat mensen door moeite en lijden belangrijke levenslessen kunnen leren, moge zo zijn. Het idee dat moeite en lijden (strategisch) worden ingezet om de mens lessen te leren, is echter absurd.

Het vers uit de Romeinenbrief en met name het vers dat daar direct op volgt kan zomaar aanleiding zijn om te geloven in een goddelijk determinisme (tevoren uitgekozen, tevoren bestemd). Dat is ingewikkelde materie waar theologen en filosofen het nooit helemaal over eens zullen worden. Wat het vooral absurdistisch maakt, is dat God alles alleen doet bijdragen aan het goede voor hen die Hem liefhebben en volgens Zijn voornemen geroepen zijn (een exclusief determinisme). Heb je God niet lief (of niet lief genoeg), dan heb je pech, want een constructieve bijdrage hangt dan immers af van of de zaak zich (toevallig) in jouw voordeel of nadeel ontvouwt.
Dat Paulus geen determinisme bedoelt is duidelijk als hij iets eerder schrijft dat de schepping een prooi is van de zinloosheid (maar niet zonder hoop). Zinloosheid staat haaks op het determinisme omdat de zin van alles altijd en onvermijdelijk bijdraagt aan dat wat moet zijn.

Eén bladzijde terug in mijn dagboek schreef ik dat ik patronen moet zien te ontwikkelen die (hopelijk) mijn symptomen (gebrek aan motivatie en concentratie en een algeheel gevoel van onverschilligheid) doorbreken in plaats van eraan toe te geven.
Twee jaar en veertig dagen verder ben ik geen stap verder gekomen; ik lijd nog aan dezelfde (zelfs heftiger) symptomen. De vraag "wat wil ik later worden als ik groot ben" is voor mij reëel. 

Misschien moest het wel zo zijn dat ik dat juist vandaag weer moest lezen…..

25 augustus 2026

Zij die verlaten

Achteraan. Links. Bij de nooduitgang. Dat was nu al een jaar of twee, drie hun vaste plek op zondagmorgen. De uitgang lonkte, maar de drang om te blijven was sterker; je loopt niet zomaar weg van je verleden, je vrienden, je sociale kring en je geestelijk thuis. Daar is wel wat meer voor nodig dan de frustratie over oppervlakkige, circulaire, dogmabevestigende 30 tot 40 minuten durende monologe bespiegeling van de spreker. Daar valt voor een tijdje nog wel mee te leven, want er is altijd nog de koffie achteraf waar je je vrienden ontmoet en de verbinding met hen bestendigt.

Nee, het was meer het gevolg van een lang proces waarbij ze rondliepen met vragen die, gezien hun reeds afgelegde best wel lange reis in het geloof, niet gesteld hoorden te worden. Naar de tijd gerekend, wisten ze toch hoe de vork in de geestelijke steel behoorde te steken? De keren dat ze deze vragen wel stelden, wisten anderen daar maar moeilijk raad mee en deden sommigen zelfs twijfelen aan de zuiverheid van hun wandel met God.

De leiders van de geloofsgemeenschap reageerden best wel empathisch op hun vragen. Sommigen vonden dat ze er iets mee moesten doen, terwijl anderen teruggrepen op oude, vertrouwde, flinterdunne retoriek: blijven vertrouwen, ga ermee naar God, God heeft het beste met je voor....

Het onvermogen, of was het onwil, van de kerkleiding om er echt iets mee te doen deed hen na lang wikken en wegen besluiten om definitief door de deur onder het groene bordje de kerk te verlaten en hun geloofsreis zonder aansluiting bij het plaatselijke kerkje te vervolgen.

Al jaren is de trend dat de groep links achteraan bij de nooduitgang in de kerk groot en groeiende is. De een loopt vast op de voorspelbare vorm, de ander op de beleving en ego-gerichte versjes waarvan er dertien in een dozijn gaan, weer anderen op een nieuw gevonden deelwaarheid die onvoldoende uit de verf zou komen of op schijnbare dogmatische zekerheden die het geloofsbelijden lekker compact en de geloofsreis meetbaar houden. Of men loopt vast op het juk van de beloofde geloofsverdieping middels trainingen, seminars en leertrajecten die het ongrijpbare, onverklaarbare en onzichtbare voorzien van grijparmen en manifestaties.

Zo lijkt het aan de oppervlakte. Daaronder zit echter een diepere laag van verlangen naar serieuze doordenking van de bestaansvragen, evenals filosofische en theologische aannames.

Die doordenking vraagt om een loslaten van gevestigde reformatorische-, evangelische-, pinkster-, volle evangelie, en andere manifestaties binnen de protestantse familie. Dat is best wel eng, en ik denk dat de angst dat er na dat loslaten niets overblijft, velen doet besluiten om toch maar niet door te pakken. Dat is echter een gemiste kans, want alleen het serieus afpellen van alle laagjes dogma, traditie, aannames en wat die meer zij, brengt de mens op het punt waarbij voor het eerst zichtbaar wordt wat echt en eigen is. Dat hoeft niet veel te zijn. Jezus zelf gebruikt in eenzelfde context het voorbeeld van een mosterdzaadje.

Noem me een optimist, maar ik geloof dat het mogelijk is dat bestaande kerken deze (noodzakelijke) doordenking kunnen faciliteren. Het vraagt onder andere om leiders die niet meteen van de leg raken als een schaap uit de kudde aan een dogma knabbelt en om leiders die zich identificeren met het proces dat zij die links achteraan bij de nooduitgang zitten doormaken.

Het is te simpel om de conclusie te trekken dat zij die verlaten, God de rug toekeren. Ze hebben vaak geen problemen met God, maar eerder met de beelden van en interpretaties van God die door de tijd zijn ontstaan en een welhaast vaste vorm hebben aangenomen die vervolgens verdedigd dienen te worden.

God laat zich maar moeilijk duiden, behalve natuurlijk voor hen die vinden dat het zo klaar is als een klontje. Het gesprek over God, Christus, de Bijbel, ons bestaan, het leven en wat dies meer zij, moet constant in gang gehouden worden en zuurstof worden ingeblazen. Er mag nooit een laatste woord over gesproken zijn of worden. 

P.S. Kort na de publicatie van deze blog ontving ik een zes pagina lange reactie. Deze is hier te vinden. Ik reageer daar niet inhoudelijk op. De lezer trekke zijn/haar eigen conclusie.

15 augustus 2026

Misschien is het beter om het niet langer over God te hebben. Geeft alleen maar gedoe.

Mijn werk is nogal verweven met het gebruik van het woord God. Een zendingsorganisatie houdt zich immers bezig met de export, uitleggingen, uitdrukkingen, beelden en ideeën ervan.

Het besef van de immense en haast onwerkelijke beladenheid van God heeft me in de loop der jaren een stuk voorzichtiger gemaakt in het doen van absolute uitspraken erover. De beladenheid is al zo groot dat het zicht op het wezen van God al lang lijkt te zijn verdwenen. We weten zo verdraaid weinig. Daarom blijft het me verbazen dat er massa's mensen zijn die over dat weinige toch absolute beelden en ideeën weten te formuleren.

Is God verworden tot een subjectieve karikatuur in ons denken en zou het wellicht aan te raden zijn om er maar helemaal het zwijgen toe te doen?

Shmuel Hugo Bergmann (Tsjechisch-Israëlische filosoof, schrijver en zionistisch leider) vroeg Martin Buber (Oostenrijks-Israëlisch-joodse godsdienstfilosoof): "Hoe speelt u dat klaar om zo keer op keer 'God" te zeggen? Hoe kunt U verwachten, dat Uw lezers dat woord opvatten in de betekenis, waarin U het opgevat wilt hebben"

Bubers antwoord getuigt van een diep inzicht waarin verwerping en verheffing samenkomen. Ik vat het lange antwoord samen:

Het woord God is misschien wel het meest beladen woord dat mensen kennen. Geen ander woord is zo misbruikt, zo beschadigd. Juist daarom kan ik het niet opgeven. Generaties hebben hun angst, strijd en schuld op dit woord gelegd; het draagt hun bloed, hun conflicten, hun wanhoop.

Toch blijft het het enige woord dat werkelijk verwijst naar Hem — niet naar een abstract idee, maar naar de Levende, die mensen in hun diepste nood aanroepen. Zelfs wanneer hun illusies instorten en ze alleen nog “Gij” kunnen zuchten, is het Hem die ze zoeken en die hen hoort. Daarom is dit gehavende woord in alle talen een heilige naam geworden.

We kunnen begrijpen dat sommigen het woord willen vermijden omdat het zo vaak misbruikt is. Maar we mogen het niet wegdoen. We kunnen het niet schoonwassen of repareren. Wat we wél kunnen, is het — hoe beschadigd ook — opnieuw opnemen en boven een uur van echte nood omhoogheffen.’ (Uit Godsverduistering, Martin Buber, 1954).


Zodra de mens het idee van “God is ….” in gaat vullen met absoluten en relatieven die de plaats van de puntjes innemen, begeven we ons op glad ijs. Tegelijk kunnen we niet anders dan de puntjes vullen met beelden en woorden. Je zou het “aantekeningen op God” kunnen noemen. Die kunnen en mogen niet absoluut zijn maar dienen slechts om vergeleken te worden met die van de ander. 



06 augustus 2026

Godsverlichting in den Haag (of all places)

Na een week of drie te hebben geprobeerd te vergeten dat ik had beloofd de oude tante van een Zuid-Afrikaanse collega op te zoeken, heb ik uiteindelijk toch maar gebeld om een afspraak te maken, al was het alleen maar om van dat aanzwellende schuldgevoel af te komen.

De oude tante was op de laatste bladzijden van haar leven beland en haar nicht, de eerdergenoemde collega, wilde haar graag nog een keer bepalen bij het Goede Nieuws zodat tante wellicht in het reine kon komen met haar schepper voordat haar levensboek werd gesloten. O ja, tante haatte de kerk, wilde niets met God noch gebod te maken hebben en was allergisch voor christenen. Dat ik het maar even wist.

Tante gebeld. Ik legde uit wie ik was en waarom ik langs wilde komen. Tante vond het best.

Samen met Martha naar Den Haag gereden (ongeveer in het jaar 2010) en zo belandde dit onwaarschijnlijke pastorale duo in de slaapkamer van de oude tante. Na wat heen en weer gepraat over ditjes, datjes en andere onschuldige niemendalletjes werd het gesprek wat serieuzer. Over teleurstelling, afscheid nemen, verraad, alleen overblijven en eenzaamheid. Ik vroeg haar waar ze dacht dat God in dit alles was, als er überhaupt een God zou zijn.

Wat volgde was een eruptie van verdriet, boosheid (over de kerk, de afwezigheid van God, de hypocrisie van gelovigen die ze kende) en vooral machteloosheid. Deze litanie werd regelmatig onderbroken door verontschuldigingen: “Sorry, ik wil jullie God niet beledigen” en “Neem het me niet kwalijk”, waarop ik haar aanmoedigde om er vooral mee door te gaan, want “God is een grote jongen en kan wel wat hebben.”

Toen ze wat bedaarde was en bij gebrek aan wijze woorden die Martha of ik mogelijkerwijs hadden kunnen bedenken, vroeg ik haar of ik voor haar mocht bidden.
Meteen stak ze haar armen omhoog en zei: “Alsjeblieft, ik kan dit niet alleen, ik kan dit niet alleen, ik kan dit niet alleen.”

Dus baden we voor haar. Ik weet niet meer wat.

De vraag die Martha en ik elkaar stelden toen we onderweg naar huis bij een McDonalds waren gestopt voor een debrief – Martha met een vuurrood gezicht, ik met een vreselijke migraine (zoals gezegd is het pastoraat een onwaarschijnlijke match met ons) – is een vraag geworden die mijn leven en verhouding tot de ander radicaal heeft veranderd. Getraind, geïnstrueerd en feitelijk gebrainwasht met het idee dat slechts zij gered zijn die met de mond belijden dat Jezus Heer is en in het hart geloven dat God hem uit de dood heeft opgewekt (Romeinen 10:9-10). Doe je dit niet, dan ben je dus ‘ongered’ en ga je helaas naar de hel.
Het zou te ver voeren - maar is wel een cruciaal thema - om in deze blog in gaan op de vraag hoe de apostel Paulus dit bedoelde, in welke context, wat gered te maken heeft met hemel en/of hel en de waarde van het abstracte ‘in het hart geloven’ en hoe dit alles zich verhoudt tot Christus die voor eens en altijd het hemelse heiligdom is binnengegaan, en dan niet met bloed van bokken en jonge stieren maar met zijn eigen bloed. Zo heeft hij een eeuwige verlossing verworven. (Hebr. 12)

De vraag is deze: Reiken Gods liefdevolle, reddende armen niet vele malen breder, dieper en hoger dan wat ik in mijn benepen dogmatische geloofje heb vastgesteld? Is de erkenning “ik kan dit niet alleen” in feite een geloofsbelijdenis pur sang en vatten deze vijf woorden een leven samen waarin geloof een belangrijkere plaats had dan de ontkenning die zich aan de oppervlakte van het leven manifesteerde. Ik kan niet anders dan deze vraag met een volmondig en volhartig "Jazeker" beantwoorden.

Eerder schreef ik een eerste blog over ontmoetingen/gebeurtenissen die tot een blijvende, vaak radicale verandering in mijn leven hebben geleid. Dit is nummer twee.

"I fucked up"

Waarheid in spinnenrag. In 1968 landde de Japanse piloot Kohei Asoh, het vliegtuig dat hij bestuurde per ongeluk in de San Francisco Bay i...