Mijn werk is nogal verweven met het gebruik van het woord
God. Een zendingsorganisatie houdt zich immers bezig met de export,
uitleggingen, uitdrukkingen, beelden en ideeën ervan.
Het besef van de immense en haast onwerkelijke beladenheid
van God heeft me in de loop der jaren een stuk voorzichtiger gemaakt
in het doen van absolute uitspraken erover. De beladenheid is al zo groot dat
het zicht op het wezen van God al lang lijkt te zijn verdwenen. We weten zo
verdraaid weinig. Daarom blijft het me verbazen dat er massa's mensen zijn die
over dat weinige toch absolute beelden en ideeën weten te formuleren.
Is God verworden tot een subjectieve karikatuur in ons
denken en zou het wellicht aan te raden zijn om er maar helemaal het zwijgen
toe te doen?
Shmuel Hugo Bergmann (Tsjechisch-Israëlische filosoof,
schrijver en zionistisch leider) vroeg Martin Buber (Oostenrijks-Israëlisch-joodse
godsdienstfilosoof): "Hoe speelt u dat klaar om zo keer op keer 'God"
te zeggen? Hoe kunt U verwachten, dat Uw lezers dat woord opvatten in de
betekenis, waarin U het opgevat wilt hebben"
Bubers antwoord getuigt van een diep inzicht waarin verwerping
en verheffing samenkomen. Ik vat het lange antwoord samen:
Het woord God is misschien wel het meest beladen woord dat mensen kennen. Geen ander woord is zo misbruikt, zo beschadigd. Juist daarom kan ik het niet opgeven. Generaties hebben hun angst, strijd en schuld op dit woord gelegd; het draagt hun bloed, hun conflicten, hun wanhoop.
Toch blijft het het enige woord dat werkelijk verwijst naar Hem — niet naar een abstract idee, maar naar de Levende, die mensen in hun diepste nood aanroepen. Zelfs wanneer hun illusies instorten en ze alleen nog “Gij” kunnen zuchten, is het Hem die ze zoeken en die hen hoort. Daarom is dit gehavende woord in alle talen een heilige naam geworden.
We kunnen begrijpen dat sommigen het woord willen vermijden omdat het zo vaak misbruikt is. Maar we mogen het niet wegdoen. We kunnen het niet schoonwassen of repareren. Wat we wél kunnen, is het — hoe beschadigd ook — opnieuw opnemen en boven een uur van echte nood omhoogheffen.’ (Uit Godsverduistering, Martin Buber, 1954).
