Over religie, kerk, christendom, algemene verbazing en vermeldenswaardige gebeurtenissen tijdens mijn omzwervingen door binnen- en buitenland. Vragend en onderzoekend in pastelkleuren met meestal een vleugje peper. Dit is een persoonlijk blog en wat ik schrijf is dan ook niet representatief voor de organisatie waarvoor ik werk of voor de kerk waar ik lid van ben.

donderdag 16 april 2026

Ben ik een kleingelovige?

Regelmatig krijg ik vragen over geloof, kerk en wat niet meer. Daar ga ik dan mee aan de slag en geef mezelf de opdracht om na te denken over een mogelijk antwoord.

Onlangs kreeg ik deze vraag van een goede vriend.

Waarom doen christenen zo vaak hysterisch over God. Ik bedoel… het lijkt soms wel of er alleen halleluja en dankbaarheid is. Ik vind mezelf echt een dankbaar mens, maar ik vind dit aardse leven vrij ingewikkeld en ik krijg dat niet ‘weggebeden’…

Ben ik nu een kleingelovige? Dat raag ik me dan af.

Een antwoord:

Het "geloofshuis" van een gelovige (ongeacht waar of in wie iemand gelooft) is voor een belangrijk deel een constructie. De materialen waarmee men dat geloof in hoofd, hart en praktijk vormgeeft, bestaan voor een belangrijk deel uit dat wat men vanuit de cultuur, socialisatie en persoonlijke beleving meekrijgt. Een authentiek of modelgeloof bestaat dan ook niet. De gelovige zal onbewust het kritisch bevragen van die constructie vermijden en angstvallig vasthouden aan wat de "mores" binnen een grotere of kleinere groep "voorschrijft". De gelovige die zichzelf serieuze zelfreflectie toestaat, durft dan de vragen die jij stelt, eindelijk te stellen. Ideeën rondom kleingeloof of grootgeloof zijn dan ook zeer subjectief. Ja, we kunnen leren van elkaars geloof, strijd en worsteling, maar om de ander een subjectieve geloofsbeleving voor te schrijven, door bijvoorbeeld hardnekkig vast te houden aan een "onbevraagd" geloof, houdt een bepaalde illusie in stand. Achter veel Halleluja's gaat een wereld vol drama schuil. Maart om achter dat Halleluja vandaan te komen, vraagt moed en het laten varen van de angst dat er niets over zou blijven. Maar juist dat wat overblijft, is van belang, want dat zou best wel eens echt kunnen zijn.

maandag 12 januari 2026

De geweld(ad)ige mens....

Ik ben het boek 𝐺𝑜𝑑 𝑒𝑛 𝐺𝑒𝑤𝑒𝑙𝑑 van René Girard aan het lezen. Geweld kent talloze veschijningsvormen en is te vinden in de diepste haarvaten van culturen, systemen, zaken en relaties. Politieke leiders komen er mee weg en worden door velen aangemoedigd, geprezen en zelfs als Messiassen omarmd. Religieuze leiders schromen niet om manipulatie als geweldsinstrument in te zetten; de angst houdt de kudde volgelingen bijeen.

Sebastian Brant schreef in 1494 𝑯𝒆𝒕 𝑵𝒂𝒓𝒓𝒆𝒏𝒔𝒄𝒉𝒊𝒑. (isnb: 9789055738021) Vanmorgen las ik weer eens paar hoofdstukken en realiseerde me dat het er niet beter op is geworden.
Geweld heeft hooguit een andere vernislaag gekregen waardoor het zelfs als beschaafd kan worden gelegitimeerd.
Het archetype van geweld vinden we al in het vierde hoofdstuk van de Bijbel; Kain vermoordt z'n eigen broer. Kain zag maar een uitlaatklep voor zijn jaloersheid en boosheid: geweld.

Geweld wordt veelal geassocieerd lichamelijk en/of psychisch leed toebrengen aan de ander. Maar het gaat veel verder. Bedrijven die om maximale wist te behalen werknemers tekort doen. Een grote bank die om haar aandeelhouders een tijdelijk geluksgevoel te geven 5200 werknemers ontslaat. De CJIB die om een begrotingsgat van de overheid te dichten op onwaarschijnlijke plekken mobiele "melkkoeien" neerzet; ook dit zijn uitingen van geweld die, omdat elke rechtvaardiging voor deze praktijken als buitenproportioneel wordt ervaren, boosheid, wantrouwen en gevoelens van wrok oproept. Uiteraard niet bij aandeelhouders en instituten die er voordeel van hebben maar bij hen die het trefpunt zijn van dat geweld. En het gevoel van aangedaan onrecht en boosheid gaat niet vanzelf weg. Het stompt de mens af of zet aan tot protest. Dat protest wordt vervolgens beantwoord met nog meer geweld en zo komen we in een vicieuze cirkel terecht. Om een kantelpunt te bereiken en de cirkel te doorbreken heb je "massa" nodig.

Bijvoorbeeld: hoeveel meer Iraniërs moeten de straat op om het door de overheid geparktiseerde geestelijke, sociale en lichamelijk geweld een halt toe te roepen.

Ik word er niet echt vrolijk van. Zeker niet als ik bedenk dat ook ik in staat ben om geweld te gebruiken. Ik heb dan (nog) niemand omgebracht, maar de meer "onschuldige"vormen zijn mij niet vreemd.
𝘈𝘭 𝘸𝘪𝘦 𝘨𝘦𝘸𝘦𝘭𝘥 𝘦𝘯 𝘰𝘯𝘳𝘦𝘤𝘩𝘵 𝘥𝘦𝘦𝘥
𝘈𝘢𝘯 𝘩𝘦𝘮 𝘥𝘪𝘦 𝘯𝘪𝘦𝘮𝘢𝘯𝘥 𝘰𝘰𝘪𝘵 𝘪𝘦𝘵𝘴 𝘮𝘪𝘴𝘥𝘦𝘦𝘥
𝘚𝘵𝘰𝘰𝘳𝘵 𝘷𝘦𝘭𝘦𝘯 𝘮𝘦𝘵 𝘥𝘪𝘵 𝘻𝘪𝘯𝘭𝘰𝘰𝘴 𝘭𝘦𝘦𝘥
(Sebastian Brant; Het Narrenschip (1494), Hfdst 10. Vert. Dr. E. Vandervoort)
Illustratie: AI interpretatie van de originele gravure van Albrecht Dürer)


𝘞𝘩𝘰 𝘤𝘶𝘧𝘧𝘴 𝘢𝘯𝘥 𝘣𝘦𝘢𝘵𝘴 𝘩𝘪𝘴 𝘩𝘶𝘮𝘢𝘯 𝘣𝘳𝘰𝘵𝘩𝘦𝘳
𝘛𝘩𝘢𝘵 𝘯𝘰𝘵𝘩𝘪𝘯𝘨 𝘥𝘪𝘥 𝘵𝘰 𝘩𝘢𝘳𝘮 𝘰𝘳 𝘣𝘰𝘵𝘩𝘦𝘳
𝘖𝘧𝘧𝘦𝘯𝘥𝘴 𝘵𝘩𝘦 𝘴𝘦𝘯𝘴𝘦 𝘰𝘧 𝘮𝘢𝘯𝘺 𝘢𝘯𝘰𝘵𝘩𝘦𝘳
(Sebastian Brant: The Ship of Fools (1494), Chpt. 10, Transl. Edwin. H. Zeydel)
Illustration: AI interpretation of original engraving by Albrecht Dürer)

woensdag 3 december 2025

De illusie van een puur verlangen

Mensen hebben verlangens. Ik heb verlangens.

Zijn deze verlangens het resultaat van autonoom denken; ontstaan zonder ook maar enige invloed van onze omgeving? 

Ik zou graag willen kunnen zeggen dat die van mij puur en authentiek zijn maar dat zijn ze echt niet.
Voor mijn gevoel ben ik lichtjaren verwijderd van een beste versie van mezelf. 

Het beeld van die beste versie komt ergens vandaan en ik besteed best wel wat energie aan het imiteren van die beste versie. 

Naast dat die beste versie in mijn verbeelding knapper, atletischer is en er eeuwig jong uit blijft zien, zijn het vooral kenmerken en eigenschappen die ik aspireer en na wil bootsen.

Zo vind ik het heel frustrerend dat ik niet de wijze, verstandige, geduldige, liefhebbende, vrolijke, altijd hoopvolle en tal van andere begerenswaardige eigenschappen manifesterende man ben die ik in mijn verbeelding zie.

Het spanningsveld waarin ik me bevind is tussen de rauwe en vaak harde werkelijkheid van wat hier en nu is, en mijn inbeelding van wat kan zijn. Daarin ben ik niet alleen. Juist omdat er anderen zijn die eenzelfde nabootsing van een denkbeeldige betere versie nastreven moedigt dat mij aan om iedere dag een stukje verder te komen.

In de bijbel vinden we een opsomming van wat de apostel Paulus de vrucht van de Geest noemt: liefde, vreugde, vrede, geduld, lankmoedigheid, goedheid, vriendelijkheid, zachtmoedigheid, trouw, bescheidenheid, zelfbeheersing en kuisheid. Iedereen maakt een eigen projectie van hoe die vrucht er in zijn/haar leven idealiter uit zou zien. Daarnaast worden gelovigen aangemoedigd om die vrucht na te streven of, en dat gebeurt helaas ook, in een zelf misleidende vorm van ontkenning te claimen en te menen dat het door het geloof al is ontvangen en het slechts zaak is om het te activeren. Als dat laatste waar zou zijn, wat zou de wereld en de kerk er dan mooi uitzien.

Maar waarom zou ik eigenlijk willen veranderen? In de eerste plaats niet voor mezelf (ik heb me er zo'n beetje bij neergelegd dat ik een armoedzaaier ben en blijf) maar vooral om de mensen om me heen; die het dichtst bij mijn leven betrokken zijn: mijn vrouw, mijn kinderen en kleinkinderen, mijn vrienden. Ik kan wel een grote waffel hebben over hoe belangrijk het volgen van Jezus voor me is; Hij representeert het ideaal (een ideaal dat buitengewoon aantrekkelijk is en alle moeite van het volgen waard) maar als die grote waffel zich niet uit in een groot hart, dan zou ik er beter het zwijgen toe doen. 

Mijn verlangen om een betere echtgenoot, vader, opa, vriend, buur en medeweggebruiker te zijn wordt gevoed door externe factoren; het leven van Christus, de voorbeelden van mannen en vrouwen om me heen die bepaalde eigenschappen in de pocket lijken te hebben en de gevoelde sociale druk en verwachtingen van de groepen waar ik deel van uit maak.

Het besef van tekort kan ik ook wel relativeren. Ik besef dat het beeld van die betere versie precies is wat het is: een beeld, dus grotendeels een illusie.

Waar ik het vandaag mee moet doen is wat er nu is. Verre van volmaakt en tegelijk hoopvol.

donderdag 13 november 2025

Een wel heel smalle weg

Gisteren was ik weer aan het uitstellen. Meestal als ik aan een nieuwe, wat grotere taak begin, zoek ik allerlei excuses om niet te hoeven beginnen. Ik ga bijvoorbeeld mijn bureau opruimen, schrijf een blog (of twee) of ga boeken afstoffen. Daar blader ik dan meteen maar even door. Zo blies ik de stof af van John Bunyan's "De Christen- en christinnereis naar de eeuwigheid". Ik heb een mooi exemplaar; de ongewijzigdde herdruk (1975) naar de uitgave van 1868. Om het uitstel wat verder op te rekken besloot ik tot een reflectie/kritiek op het boek. De illustratie in deze blog is één van de 100 zwart wit platen waarvan het boek rijkelijk is voorzien. Ik heb AI gevraagd er een cartoon van te maken in kleur.

John Bunyan’s "De Christen- en christinnereis naar de eeuwigheid" geldt als een iconisch werk binnen de christelijke literatuur en wordt vaak gepresenteerd als een spirituele gids voor nieuwe gelovigen (mijn moeder gaf me een pocketuitgave op mijn 18e verjaardag en lange tijd is de in het boek geportretteerde mannelijke hoofdrolspeler, Christen, mijn mimese* geweest). De bijbehorende beeldtaal, zoals de bekende poster die de brede en de smalle weg visualiseert, draagt een krachtige symboliek uit: de brede weg representeert wereldse geneugten, terwijl de smalle weg staat voor een leven dat exclusief gericht is op God en het hemelse einddoel. Deze tegenstelling impliceert een spirituele reis die gekenmerkt wordt door afzondering, ascese en een rigide focus op het persoonlijke zielenheil.

Deze voorstelling van het geloofsleven weerspiegelt een vorm van geestelijk individualisme waarin de pelgrim zijn sociale relaties—met partner, kinderen en gemeenschap—ondergeschikt maakt aan zijn persoonlijke verlossing. Bunyan’s Christen sluit zich letterlijk af voor de roep van zijn gezin, wat wordt gepresenteerd als een daad van geestelijke heldhaftigheid. Deze benadering roept vragen op over de balans tussen persoonlijke toewijding en relationele verantwoordelijkheid binnen het christelijk ethos.

Hoewel de metafoor van de pelgrimstocht een waardevolle spirituele oriëntatie biedt—gericht op zingeving en bestemming—dreigt zij, in Bunyan’s interpretatie, de bredere roeping van de gelovige in de wereld te marginaliseren. De Bijbel getuigt immers van een geïntegreerd leven waarin liefde voor de naaste, toewijding aan het gezin, arbeidsethos en maatschappelijke betrokkenheid fundamentele uitingen zijn van navolging van Christus. Door deze dimensies impliciet te associëren met de ‘brede weg’, lijkt Bunyan een reductie van het christelijk leven tot een innerlijke, geïsoleerde reis te bepleiten.

Deze eenzijdige spiritualiteit weerspiegelt zich ook in de wijze waarop veel westerse gelovigen de Schrift benaderen: via de lens van de Persoonlijke Pastorale Toepassing (PPT), waarbij de vraag centraal staat wat de tekst betekent voor het individu, los van bredere sociale of ecclesiale contexten. Dit individualisme versterkt het idee dat het geloof primair een privéaangelegenheid is tussen ‘God en mij’.

Tegenover deze benadering staat een groeiende beweging van gelovigen wereldwijd die de ‘kokervisie’ van het geïsoleerde pelgrimageleven afwijzen. Zij zoeken naar manieren om hun geloof relevant te maken in een wereld die geconfronteerd wordt met sociale, ecologische en morele crises. Voor hen is de smalle weg geen pad dat zich onttrekt aan de wereld, maar een levensstijl die zich juist midden in die wereld manifesteert—door dienstbaarheid, opofferingsgezindheid en liefdevolle betrokkenheid.

In dit licht verdient Bunyan’s werk een herinterpretatie. Niet om de kernboodschap van toewijding en volharding te verwerpen, maar om deze te herijken binnen een theologie die het Koninkrijk van God niet slechts als toekomstig einddoel ziet, maar als een realiteit die reeds hier en nu gestalte krijgt. De smalle weg is dan niet de route van religieuze afzondering, maar van belichaamde navolging in het dagelijks leven—waar de gelovige ingaat en uitgaat en weide vindt (Joh. 10:9), onder de hoede van de Herder.

*Over de mimese schijf ik binnenkort een aanlat blogs

woensdag 12 november 2025

🎵 Psalm 42 en skinny jeans: een ontmoeting tussen traditie en trend

Een goede vriend van mij heeft buren die lid zijn van een traditionele protestantse kerk. Ze zijn best vriendelijk, maar over hun geloof praten ze niet zo makkelijk. Dat hebben ze van huis uit niet echt geleerd. Toch gebeurde er iets bijzonders toen ik bij hen op bezoek was.

Ze hebben een zoon die zwaar gehandicapt is. Hij heeft dag en nacht zorg nodig, kan niet zien en heeft moeite met leren. Maar wat hij wél kan, is indrukwekkend: hij kent bijna alle 150 berijmde psalmen uit zijn hoofd. En hij is altijd vrolijk.

Ik vroeg hem wat zijn favoriete psalm was. “Psalm 42,” zei hij. Dus ik begon te zingen:

’t Hijgend hert, der jacht ontkomen,
Schreeuwt niet sterker naar ’t genot
Van de frisse waterstromen,
Dan mijn ziel verlangt naar God...
Ja, mijn ziel dorst naar den HEER;
God des levens, ach, wanneer
Zal ik naad'ren voor Uw ogen,
In Uw huis Uw naam verhogen?
 (Vers 1, er zijn er nog 6) 

Zodra ik begon, zong hij meteen mee. Hij kende het hele vers. Dat raakte me. Het deed me denken aan vroeger, toen we op de basisschool elke week een psalm uit ons hoofd moesten leren. Op maandagochtend moesten we die dan opzeggen aan de juf of meester. En ja, dat telde mee voor je rapport!

Veel van die psalmen ben ik vergeten, maar zodra je er eentje inzet, komt de tekst en melodie vanzelf weer boven drijven. Het zit ergens diep opgeslagen.

Later sprak ik met de buurvrouw over muziek in de kerk. Ze snapte niet waarom sommige kerken steeds nieuwe, hippe liedjes willen. Ze zei: “Ik red me prima met de Psalter.” En eerlijk? Ze heeft een punt. Als je goed kijkt naar de inhoud van veel moderne kerkliedjes, is het soms lastig om een boodschap te bespeuren die verder gaat dan een claim op vrijheid, overwinning, emotioneel welbevinden en abstacte ideeën die de nodige fantasie vergen om ook maar enig aanknopingspunt te vinden met de rauwe werkelijk van het leven.

In de traditionele kerk zie je ook dat de dominees zich nog kleden zoals vroeger: netjes, ingetogen, met een boodschap van respect en eerbied. Dat is geen toeval, daar zit een gedachte achter.

Aan de andere kant heb je de ‘vrije’ kerken. Daar draait het meer om vrijheid, authenticiteit en een losse sfeer. Maar ook daar zie je trends. De moderne prediker? Die herken je meteen: ultra skinny jeans met gaten, een hoodie, sneakers en een stoppelbaardje. Voilà, het uniform van de jonge, moderne, vrije prediker. Ze zijn echter minder vrij dan ze menen te zijn.

Iedere stroming heeft z’n eigen stijl en verhaal. Maar soms, zoals bij die jongen en Psalm 42, zie je dat deze oude woorden ongevoelig zijn voor trends, generatie op generatie houvast bieden en oude en nieuwe narratieven verbindt.

donderdag 7 augustus 2025

Ik kom uit de kast

Het is een langachtig proces geweest en ik heb een klein beetje geworsteld met de vraag of ik wel of niet uit de kast zou komen. 

Je zou het een allergie kunnen noemen waarbij de manifestatie ervan in hevigheid toeneemt bij korte en/of langdurige blootstelling aan het fenomeen dat de bron van die allergie is.

Voorheen was het trouwens geen fenomeen. Althans, terugkijkend of luisterend realiseer ik me dat het altijd al trekjes ervan had; subjectieve, veronderstellende, vooringenomen, propagerende en selectieve.

Op de voorpagina van Het Vrije Volk van 25 november 1960, waarvan een reproductie op de deur van mijn kantoor te zien is (25/11/1960 is de dag dat ik het levenslicht zag), is onder andere te lezen dan J.F. Kennedy junior geboren is en dat Elizabeth Taylor zich in een zonnig land gaat voorbereiden op haar rol in de film Cleopatra (het is bij het ter perse gaan van de krant nog niet bekend naar welk zonnig land ze zal afreizen). Ook nieuwswaardig genoeg om op de voorpagina te drukken is dat een aalmoezenier in Nieuw-Guinea een boomkangoeroe cadeau heeft gekregen en dat het dier via Schiphol gezond en wel in Rotterdam is aangekomen.

En daar had de familie het dan over tijdens de avondmaaltijd. Of toen de duiding van feitensnippertjes al in gang was gezet waarbij de duiding zich naar de voorgrond roeptoetert en de feiten overschaduwt of zelfs opslokt; ik weet niet of er een specifiek omslagpunt aan te wijzen is. Temeer daar het (ik duid hier) een glijdende schaal is waarbij de socials -iedereen een eigen podium- een belangrijke, zo niet doorslaggevende plek hebben ingenomen.

De vraag wat waarheid is, dat wat overeenstemt met de werkelijkheid (probleem: ook werkelijkheid is meestal een interpretatie), is hierbij allang niet meer relevant. Het lijkt erop dat velen hun verzie van de werkelijkheid als onbetwistbare waarheid zijn gaan beschouwen en als hakken in het zand planten. Om dan nog tot een constructieve dialoog te komen is als water naar de zee dragen.

Het moderne elkaar overschreeuwen met denkbeeldige feiten en feitjes is niet veel anders dan het leven in onze oertijd waarbij naburige stammen elkaar als vijanden beschouwden en maar met veel moeite tot elkaar konden komen. We overgieten dat met een beschaafd sausje.

In een eerdere blog heb ik al gemopperd over de achterlijkheid van ons eigen NOS journaal; een instituut dat al lang over haar houdbaarheidsdatum heen is en gewoon door blijft gaan met het maken van wat de redactie vindt dat wij moeten weten. Teletekst doet wat dat betreft meer voor ons in 20 seconden dan het journaal in twintig minuten.

Als gevolg hiervan ben ik in toenemende mate aan ambivalentie en ambiguïteit gaan leiden. Mijn constructen (sociale, geloofs en wereldbeeld) staan op de helling. De paradox is dat ik de ontwikkeling van de socials hiervoor een blommetje verschuldigd ben. Zonder deze immense verwatering en vertroebeling van het "nieuws" zou het waarschijnlijk nooit zo ver zijn gekomen en was ik in mijn vertrouwde kast gebleven waarbij de solide constructie ervan mij het schijnbare houvast verschafte om me tot mezelf, de ander, God en de wereld om me heen te verhouden.

Dus het hoge woord moet eruit. Ik betreur de wereld dat het zover heeft moeten komen maar heb vastgesteld dat ik nieuwsmijder ben geworden. Het is eigenlijk nieuwsmijder.2: ook het oude nieuws moet worden bevraagd.

dinsdag 4 februari 2025

Als wij... dan GOD!

Een vraag die ik me al heel lang stel is waarom veel preken een hoog suggestief gehalte kennen die de ontvanger van de geïnterpreteerde woorden de schuld van het niet of onvoldoende kunnen waarmaken ervan bij zichzelf zoekt.

Veel preken en overdenkingen richten zich op het "wat zou kunnen of moeten zijn". Ons creatieve vermogen om te verbeelden helpt daarbij om te zien en voelen wat we wensen dat werkelijkheid zou zijn. Niet alleen in de verbeelding maar in onze relatie tot de ander en de wereld. En dan niet in zo'n slappe, verdunde versie van wat we als (geestelijke) werkelijkheid belijden en zlefs durven te claimen.

Wensdenken.

Als wij maar meer zouden bidden, vasten, proclameren, geloven...
Als meer mensen meer zouden bidden, vasten, proclameren, geloven...

God zou staan te popelen om meer te doen maar er zijn er blijkbaar nog te weinig die meer bidden, vasten, proclameren, geloven...


De keuze tussen het duiden en begrijpen van de aarde vanuit de hemel of de hemel vanaf de aarde staat hierbij centraal. Veel predikers en uitleggers kiezen bewust of onbewust voor de eerste optie en zouden die hemel graag onze kant op willen wensen, manifesteren, buigen of eisen. De mens trekt dan altijd aan het kortste eind want voldoet onvoldoende aan de voorwaarden om de hemel meer onze kant op te doen neigen. Als dat de boodschap is die ik meekrijg is het niet ondenkbaar dat ik na verloop van tijd mijn geloofshanddoek in de ring gooi; ik doe het toch nooit goed genoeg.

Het perspectief verandert als je bij de aarde begint en tracht woorden uit de hemel te verbinden met je leven in het hier en nu met alle drama, blijspel, voor- en tegenspoed, overwinningen en nederlaag. Dan is er plaats voor mysterie, verbazing, paradox, beweging, geloof en ongeloof. De mens is daarbij niet langer zijn eigen sta in de weg maar ervaart een vrijheid waarbij geen plaats meer is voor schuld.

Schuld is een van de krachtigste motivaties in religie en reden waarom veel gelovigen krampachtig vasthouden aan instituten, dogma's en conventies en deze verdedigen, desnoods met hun leven.

In het centrum van dit reële conflict staat Jezus, die op mysterieuze wijze de aarde en de hemel verbindt. Mysterieus omdat het zich niet door logica laat verklaren. Hoewel ik me regelmatig nog schuldig voel, hebben die schuldgevoelens niet langer te maken met het, vooral in christelijke kringen, of lange tijd mezelf opgedrongen idee dat de magere manifestatie van de hemel -God- wel mijn, jouw en/of onze schuld moet zijn.

Door het handelen van Boven voorwaardelijk te maken aan verplichtingen die we van beneden zouden moeten nakomen, van schulden die we zouden moet inlossen, is er nog steeds sprake van religie. Het is angst die religie effectief instandhoudt en daarmee de macht die leiders en woordvoerders van dat systeem over de mens heeft.

En dat is de ergernis die ik ervaar bij veel suggestieve preken en overdenkingen. Ik snap het wensdenken dat erachter zit maar niemand is er echt bij gebaat. Behalve het schuldgevoeld dat weer heerlijk is gevoed.

maandag 20 januari 2025

God en de afstandsbediening

De knippers en plakkers vinden dat Jezus alles zal doen wat we in zijn naam vragen (Johannes 14:13-14)  er nu eenmaal staat zoals het er staat en dat we daar iets mee moeten. Helemaal mee eens!

Als "(alles) wat jullie dan in mijn naam vragen, dat zal ik doen" en "Wanneer je iets in mijn naam vraagt, zal ik het doen"  over letterlijk alles en wat voor ietsen we kunnen bedenken zou gaan, heeft de kerk een historisch en actueel probleem. Ze heeft dan consistent onvoldoende geloof getoond, en doet dat nog steeds, om dat alles en alle denkbare 'ietsen'  - dat we 1) vragen in de naam van Jezus (op grond van Zijn gezag) en 2) waardoor, door de Zoon, de grootheid van de Vader zichtbaar wordt - op grote schaal werkelijkheid te zien worden.


Kan het zijn dat veel van wat we vragen en niet krijgen komt omdat dat vragen gericht is op de bevrediging van de eigen hartstochten? Stonden en staan dan echt al mijn wensen en (onverhoorde) gebeden in het teken van eigen plezier? Ben ik echt zo'n narcist?

Her en der zien we en horen we getuigenissen van manifestaties als antwoord op gebeden in Jezus naam en die aan God worden toegeschreven, maar dat is eerder uitzondering dan regel. Belooft Jezus hier iets dat slechts binnen het bereik ligt van (super)gelovigen die aanvoelen of weten welke gebeden slechts de grootheid van de Vader als doel hebben en zich daarmee kwalificeren voor verhoring?

Het alles en iets gaan verder dan het vragen in Jezus naam en het leiden tot de grootheid van de Vader die zichtbaar wordt als die gebeden beantwoord worden.

Direct hierop vervolgt Jezus zijn betoog dat is onderbroken door dit zijweggetje naar het vragen in Zijn naam. "Als je mij liefhebt, houd je dan aan mijn geboden". Een koppeling tussen beantwoord gebed en het houden van zijn geboden moet niet te vlot worden gelegd. Dan zou namelijk een beantwoord gebed vergelijkbaar zijn met een reep chocola die men krijgt bij een goed antwoord. Dan zijn we terug bij een godsbeeld dat gebaseerd is op de inspanning die men moet plegen om in een goed blaadje bij die god te komen en vooral blijven.

We kunnen het niet los zien van Jezus nadruk op de intieme relatie met de Vader waar we door de Heilige Geest deel aan krijgen.
Jezus zinspeelt op het leven, het lijden en de tegenstand waar zijn volgelingen mee te maken gaan krijgen en bereid ze daar in dit en de volgende hoofdstukken op voor, zodat ze hun geloof niet verliezen.

De werkelijkheid die hij schetst zou de volgelingen zomaar de moed in de schoenen kunnen doen zakken. Als ik er bij was geweest en dat wat ons te wachten zou staan tegenover het alles en iets zou plaatsen, zou ik hem zeker gevraagd hebben waar dat alles en dat iets plotseling was gebleven. Ik kreeg namelijk even en heel stellig de indruk dat ik in zijn naam het weer, potentiële en echte vijanden, ziekten en een boel meer kon bedienen; ik heb immers een afstandsbediening in de hemel en zijn naam is Jezus. Zat ik ernaast?
Laten we wel wezen: de haat van de wereld, vervolging, uit de synagoge gezet worden, gedood worden door hen die denken God daarmee te dienen. Oeps.

Met dit grotere narratief in gedachten ontkom ik er niet aan om dat alles en iets te verbinden aan het spirituele. Ook in deze smallere context is dat alles en iets al ingewikkeld genoeg. Het vasthouden aan het geloof is geen kattenpis, zelfs als men niet te maken heeft met fysieke vervolging en ziekte.

Johannes 14:13-14
Jakobus 4:3 (hēdonē)
Johannes 15 en 16

donderdag 9 januari 2025

Wat ik nu toch in mijn kofferbak aantref!

Regelmatig rol ik door enkele pagina's op LinkedIn en andere SM. Die oefening is niet zo best voor mijn zelfvertrouwen. De beloofde uitkomsten van de uitgestalde waar wekken gevoelens van jaloersheid op; wat goed allemaal. Bijna te mooi om waar te zijn. Is het allemaal zo goed en mooi of zitten er ook best wel wat opgepoetste drollen tussen, of drollen met een gekleurd strikje erom (die verkopen een stuk beter).

De Amerikaanse antropoloog en hoogleraar David Graeber (1961-2020) ontwikkelde een theorie (niet geheel onomstreden) rondom het idee van Bullshit Jobs; werk waarvan degene die dit werk uitvoert zelf vindt dat het feitelijk nutteloos is. Graeber onderscheidt enkele categorieën:
Administratieve assistenten, liftoperatoren en receptionisten, zijn er vooral om iemand anders belangrijk te laten lijken of voelen. Dan zijn er banen die actief schadelijk zijn voor de samenleving, zoals bedrijfsjuristen en lobbyisten, militaire banen en beroepen in de financiële sector. Ten slotte spelen ook managers hierin een rol, omdat zij kunnen bijdragen aan het creëren van meer sociaal nutteloze taken.

In tijden van bezuinigingen is het niet ongebruikelijk dat bedrijven contracten met managers en consultants niet verlengen of zelfs afkopen; niet echt goed voor het zelfbeeld van de weggestuurden.

Hoewel velen niet langer direct betrokken zijn bij de oeractiviteiten van de mens, zoals jagen en verzamelen, lijkt het diep verankerd te zijn in het wezen van de mens.

Vanmorgen vroeg stak ik de A13 over. Nog geen zes uur en in beide richtingen spoedt een eindeloze stroom van auto's met achter het stuur veelal solistische jagers en verzamelaars. Op weg waarheen? Waar is de kofferbak mee gevuld of zal deze zich aan het eind van de jacht mee hebben gevuld? Een opgedirkte drol of iets dat wezenlijk bijdraagt aan het welzijn, groei en ontwikkeling van het zelf, de ander en de omgeving (mijn definitie van "werk")?

Dat opgefokte, o zo belangrijk lopen doen over mijn activiteiten; ik wil daar eigenlijk niet aan mee doen. En dat is de grote paradox waar velen zich waarschijnlijk in herkennen. De wereld waarin ik deel van uitmaak voelt niet zelden als een dolgedraaide drol waar ook ik middenin zit. Ook al is het werk dat ik doe uiteraard wel belangrijk, in tegenstelling tot jouw werk...

Verbeeld ik het me nu of kan het echt zo zijn dat, als ik door LinkedIn rol, ik me gewaarword van een luchtje dat verdacht veel ruikt als een drol?

donderdag 19 september 2024

De leider moet wel een beetje god zijn

Bill Gaither en z'n vocal bandje bezingen waarschijnlijk onbewust het algemene (zelf)beeld van de mannelijke helft van de Amerikaanse en West Europese bevolking; de man als jager, leider en beschermer van huis, haard en nationale grenzen met in het kielzog de vrouw die beschermd dient te worden en bij voorkeur bleu in de luwte opereert. 

Daddy was a cowboy, hard as a rock.
Momma, she was quiet as a prayer
Daddy'd always tell me, "Son, you gotta be tough"
Momma'd kiss my cheek and say "Play fair"

Somewhere between Jesus and John Wayne (*)
A cowboy and a saint, crossing the open range, (Link naar de clip)

Onlangs heb ik een flink aantal boeken weggedaan. Met name boeken over leiderschap en management. Ik had er mijn kast en buik van vol. Het aanbod goeroes, coaches, mentors, trainers is zo groot en divers dat de ontwikkeling van leiders een lucratieve industrie lijkt te zijn. Goeroe John Maxwell alleen al heeft meer dan 100 boeken over leiderschap geproduceerd. Ik had er enkele maar heb ze allemaal weggedaan; als je er één van hem hebt gelezen heb je ze zo'n beetje allemaal gelezen.

De nieuwe leider - we hebben geleerd van het verleden - we hebben nu echt een goeie binnengehaald.
De golden boy/girl die ons bedrijf/team/bediening naar ongekende hoogten gaat leiden.
Groei, winst en iedereen fluitend naar het werk; dat ik toch voor hem/haar mag werken.

Ooit heb ik in een moment van zwakte gesolliciteerd naar de positie van voorganger bij een aanzienlijke evangelische kerk. Het idee van een zeer goed salaris, premievrij pensioen en enkele andere aantrekkelijke voordelen lokte. Tot mijn schrik werd ik uitgenodigd voor een gesprek. En ging ik.

Voor mijn gevoel zat ik tegenover een management tribunaal; de beroepingscommissie bestond uitsluitend uit zakenlui. Dan voel je al nattigheid; die zoeken een manager die de boel effe glad gaat trekken. Ze zoeken John Wayne met een vleugje Jezus.

Halverwege het interview stelde ik de vraag of iemand in één zin de opdracht aan de adspirant voorganger kon samenvatten. Vooruit dan: "We zoeken een voorganger die de hele gemeente mee kan nemen van (geestelijk) niveau 1 naar niveau 2".

Mijn reactie: dan zijn we wat mij betreft klaar met het interview en wens ik de man die hier "ja" tegen zegt, heel veel succes.
Overigens, die beste man heeft zijn termijn niet uitgezeten. Na drie jaar heeft de kerk "hem laten gaan".

En dit is ook de kern van het dilemma; het spanningsveld tussen verwachtingen die aan een leider worden gesteld en zijn/haar inspanningen om aan die verwachtingen te voldoen. Omdat we in het Westen het beeld hebben van een sterke leider en de verwachting van krachtig leiderschap ook als zodanig verwoorden, rest de leider weinig anders dan zich overeenkomstig te gedragen. Directief, Dienend, Coachend, Transformationeel, Laissez-fair, Autocratisch en nog een rits aan bepalingen; graag van dit een beetje meer en van dat een beetje minder. De leider rest weinig anders dan te leveren, te presteren en veel leiderschapslectuur is gericht op het optimaliseren van die prestaties.

De nog te vaak ontbrekende schakel, hoewel er heus wel aan gerefereerd wordt, is de aandacht voor de ontwikkeling van leider als persoon; als mens zoals jij en ik.

Een professor schreef een boek over dienend leiderschap en verhaalt daarin hoe hij op een dag besloot dat per direct zijn deur open zou staan voor iedereen; hij was immers een dienend leider... Een vriend van me die ten tijde van het verschijnen van dat boek onder de beste man studeerde zei daarover: "zijn deur stond dan wel open maar zijn hart niet." Studenten en staf liepen dus echt niet zomaar zijn kantoor binnen.

Maar hoe krijg je de geest van John Wayne met z'n dikke ego en stoerdoenerij -de werkelijke deur tussen de professor en zijn staf en studenten- terug in de fles?

Misschien moet ik daar maar eens een boek over schrijven....

Een sympathieke, alternatieve kijk op leiderschap is die van het Instituut voor Undefended Leadership. Op de website kun je het gratis e-book "Wat is Undefende Leadership" opvragen.

* John Wayne is het bekendst door zijn rollen in westerns en is symbool geworden voor de mythe rondom verwacht en geleverd leiderschap.

maandag 26 augustus 2024

Onzinnig bidden voor Israël, Palestina en de rest van de wereld

In de verschillende kerken waar ik op de zondagen spreek, wordt vrijwel zonder uitzondering voor Israël gebeden. Wat niet uit die gebeden kan worden opgemaakt is waar men dan voor bidt. Wordt er gebeden voor de staat binnen de politieke en/of geografische grenzen, het volk (de mensen met een Israëlisch paspoort die binnen en buiten die grenzen leven), de Joden (Joden en Israëli's zijn niet hetzelfde), de tot staatburger gekozenen (overeenkomstig de wet op de terugkeer uit 1950)? Soms wordt er dan ook een beetje voor de Palestijnen gebeden en worden enkele actuele in oorlog met elkaar verwikkelde landen snel genoemd, om de Heer eraan te herinneren dat dit wellicht Zijn aandacht of interventie benodigd (uiteraard alleen als dat binnen Zijn voorgenomen raadsbesluit past).

Die onduidelijkheid waar dan precies voor gebeden wordt kom ik ook tegen op de website van Christenen voor Israël waar Roger van Oordt (honorair consul van de staat Israël) zijn zorg uitschrijft over het categorische gebrek in de kerken aan "echt bidden voor Israël": "In deze tijd is bidden voor Israël cruciaal. De Here Jezus is niet los van Zijn volk verkrijgbaar. Je kan Israël niet buiten de kerkmuren houden als je de Heiland binnen de kerkmuren wil dienen." (zie/lees hier).
Zonder duiding van dat "echt bidden" heb ik, naast de exclusieve plaats die Israël  in deze drie zinnetjes wordt toegedicht, geen idee waar Roger het over heeft.

Het voelt als danken en bidden voor het eten terwijl de Heer best wel weet dat je helemaal geen bloemkool en/of spruiten lust.

Twee buren die elkaar het licht in de ogen niet gunnen en pas tevreden zijn als een van de twee verhuist of ophoudt te bestaan. De buur die, om wat voor reden dan ook, mijn sympathie heeft, krijgt mijn steun.

Hoe die sympathie tot stand komt? Dat kan persoonlijke voorkeur zijn, een geloofssysteem, een wereldbeeld, ideeën over recht en gerechtigheid, eerlijkheid en oneerlijkheid. Die worden dan weer gevoed door vaak eenzijdige berichtgeving waarbij het gevaar bestaat dat men alleen ziet en hoort wat men wil zien en horen. Dat kan tegenwoordig vrij gemakkelijk. De sociale media bestaan immers om mij en mijn ideeën te bevestigen en die van anderen te ontkrachten.

Die twee buren. Mijn probleem is dat ik ze allebei even sympathiek en bij vlagen onsympathiek vindt. Beiden hebben evenveel recht om te bestaan maar als ze elkaar dat bestaan niet gunnen, rest mij weinig anders dan als onpartijdige derde buur toe te kijken. Ik kan gaan demonstreren; voor of tegen wie of wat maakt daarbij niet zoveel uit want uiteindelijk moeten de buren er samen uitkomen.

Onpartijdig. Wil ik dat zijn? Kan ik dat zijn? Natuurlijk heb ik een mening en, als er dan toch aan de Bijbel gerefereerd wordt dan verwijs ik graag naar de oerplek die de tempel in Jeruzalem wordt toegekend. En met die oerplek gaat het niet eens zozeer over de fysieke plaats maar veel meer over het hart en karakter van een volk.

Als Jezus het tot "wereldhandelscentrum" verworden tempelplein betreedt en de bezem er doorheen haalt, motiveert Hij zijn handelen met de woorden: 'Staat er niet geschreven: “Mijn huis moet voor alle volken een huis van gebed zijn”? Maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt!’ (Marcus 11:17)

Het is vrijwel onmogelijk om seculiere, op macht beluste staatshoofden en bewindslieden te wijzen op een ten diepste geestelijke verantwoordelijkheid om de eigen deur open te zetten voor alle andere buren, daarmee uitvoering te geven aan de inclusieve oorsprong en praktijk van die plaats. Daar is een Godswonder voor nodig en dat zie ik nog niet zo gauw gebeuren. Maar dat is het kenmerkende aan Godswonderen. Die gebeuren ins Blaue hinein. Dan bid ik daar maar voor.

Ben ik een kleingelovige?

Regelmatig krijg ik vragen over geloof, kerk en wat niet meer. Daar ga ik dan mee aan de slag en geef mezelf de opdracht om na te denken ove...