Posts tonen met het label Beelden van God. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Beelden van God. Alle posts tonen

15 augustus 2026

Misschien is het beter om het niet langer over God te hebben. Geeft alleen maar gedoe.

Mijn werk is nogal verweven met het gebruik van het woord God. Een zendingsorganisatie houdt zich immers bezig met de export, uitleggingen, uitdrukkingen, beelden en ideeën ervan.

Het besef van de immense en haast onwerkelijke beladenheid van God heeft me in de loop der jaren een stuk voorzichtiger gemaakt in het doen van absolute uitspraken erover. De beladenheid is al zo groot dat het zicht op het wezen van God al lang lijkt te zijn verdwenen. We weten zo verdraaid weinig. Daarom blijft het me verbazen dat er massa's mensen zijn die over dat weinige toch absolute beelden en ideeën weten te formuleren.

Is God verworden tot een subjectieve karikatuur in ons denken en zou het wellicht aan te raden zijn om er maar helemaal het zwijgen toe te doen?

Shmuel Hugo Bergmann (Tsjechisch-Israëlische filosoof, schrijver en zionistisch leider) vroeg Martin Buber (Oostenrijks-Israëlisch-joodse godsdienstfilosoof): "Hoe speelt u dat klaar om zo keer op keer 'God" te zeggen? Hoe kunt U verwachten, dat Uw lezers dat woord opvatten in de betekenis, waarin U het opgevat wilt hebben"

Bubers antwoord getuigt van een diep inzicht waarin verwerping en verheffing samenkomen. Ik vat het lange antwoord samen:

Het woord God is misschien wel het meest beladen woord dat mensen kennen. Geen ander woord is zo misbruikt, zo beschadigd. Juist daarom kan ik het niet opgeven. Generaties hebben hun angst, strijd en schuld op dit woord gelegd; het draagt hun bloed, hun conflicten, hun wanhoop.

Toch blijft het het enige woord dat werkelijk verwijst naar Hem — niet naar een abstract idee, maar naar de Levende, die mensen in hun diepste nood aanroepen. Zelfs wanneer hun illusies instorten en ze alleen nog “Gij” kunnen zuchten, is het Hem die ze zoeken en die hen hoort. Daarom is dit gehavende woord in alle talen een heilige naam geworden.

We kunnen begrijpen dat sommigen het woord willen vermijden omdat het zo vaak misbruikt is. Maar we mogen het niet wegdoen. We kunnen het niet schoonwassen of repareren. Wat we wél kunnen, is het — hoe beschadigd ook — opnieuw opnemen en boven een uur van echte nood omhoogheffen.’ (Uit Godsverduistering, Martin Buber, 1954).


Zodra de mens het idee van “God is ….” in gaat vullen met absoluten en relatieven die de plaats van de puntjes innemen, begeven we ons op glad ijs. Tegelijk kunnen we niet anders dan de puntjes vullen met beelden en woorden. Je zou het “aantekeningen op God” kunnen noemen. Die kunnen en mogen niet absoluut zijn maar dienen slechts om vergeleken te worden met die van de ander. 



24 juli 2020

God van de leg

Het beeld van een God met een kort lontje die bij het minste en geringste van de leg raakt, in toorn ontbrandt, vuur en zwavel over Jan en alleman uitstrooit totdat die woede bekoelt, is hardnekkig en redelijk prominent aanwezig in de Bijbel. Daar hoef je echt geen geleerde voor te zijn. Die geleerden zijn er om dat beeld weg te poetsen (zij die voor hem zijn) of juist te benadrukken en versterken (zij die tegen hem zijn).

In het boek Job wordt tegen het eind een nieuwe speler opgevoerd die zich voorstelt als een tamelijk jong persoon die uit beleefdheid en respect tot nu toe z’n mond heeft gehouden en zich voelt als jonge wijn die niet kan ademen en met een buik als een volle wijnzak die bijna openbarst. De kurk gaat eraf en Elihu mag zes hoofdstukken lang ademen en openbarsten. Elihu is een beetje een opschepper die Job en z’n vrienden de les leest en daarmee feitelijk niet onderdoet voor de manier waarop Job en zijn vrienden elkaar voor rotte vis, lege woorden sprekers, zwetsers, dwazen en dergelijke om de oren slaan.

“Ik denk, ik vind, ik weet, God is dit, God is dat…”; ze geven allemaal vol gas zonder rem te beroeren.

Het probleem is en blijft dat de mens niet anders kan dan zich God voorstellen als een twee- of driedimensionale persoon en hem dezelfde eigenschappen toekennen als de mens. Met deze platte God komen we echter niet veel verder. Elihu doet een retorische poging om van dat beeld af te stappen: "Wordt God koud of warm van als de mens zondigt of wanneer je hem een handjevol goede daden als cadeautje aanbiedt?" Het verwachte antwoord van een weldenkend mens hierop zou (kunnen) zijn: “wel, als dat Hem allemaal iets zou doen zoals het ons aardlingen iets doet, doen we Hem waarschijnlijk tekort. Is God immers niet meer dan de mens?”

Puntje voor Elihu (mag ik ook iets vinden..?) Nee, zegt Elihu, “je goddeloosheid raakt mensen als jezelf, je rechtvaardigheid helpt anderen.” Ware godsdienst lijkt zich dus af te spelen op het horizontale speelveld van de aardlingen en is een vertaling van de horizontale relatie met de Eeuwige. Daarom is een boek als Job van belang. Het voorziet de zoektocht van de mens om God te duiden van de noodzakelijke brandstof en is een inleiding op de voortdurende dialoog hierover.

Het plussen en minnen waarbij de mens zich inspant om een denkbeeldige balans te verkrijgen en in stand te houden; God niet te boos of te blij te maken, is een zinloze bezigheid en leidt slechts tot onzekerheid, twijfel en angst. En als  mijn hart daar vol van is, zal zich dat vertalen naar mijn verhouding met mezelf, mijn medemens, de aarde en uiteraard God.

Ondanks z’n opschepperij ziet Elihu ook wel dat hij het vraagstuk niet kan oplossen: “als Job nu eens een pleitbezorger had, een die zijn voorspraak is, één uit duizenden”?

Voor zover ik weet en begrijp, is die pleitbezorger er ook. Niet alleen voor Job, maar voor iedereen.

"I fucked up"

Waarheid in spinnenrag. In 1968 landde de Japanse piloot Kohei Asoh, het vliegtuig dat hij bestuurde per ongeluk in de San Francisco Bay i...