Over hoe het orgel ooit een plek veroverde in de zondagse eredienst, daar heb ik ooit deze blog over geschreven. Toentertijd lag het accent op de Psalter; de 150 psalmen die in de Hebreeuwse bijbel te vinden zijn en die berijmd, ritmisch en ook niet ritmisch werden en worden gezongen om God te eren, het leven te beklagen en te bewenen, en vertrouwen uit te spreken. Het van beneden naar boven zingen stond centraal.
Met name de laatste eeuw heeft de kerk verscheidene revoluties
gekend en heeft die fluytencast op veel plekken plaats moeten maken voor wat
verworden is tot een regelrechte industrie waarbij vooral de laatste decennia het
”God naar ons toezingen” centraal is komen te staan. Hippe kerken waar “de
aanbidding zo fijn is” en je “zo heerlijk de tegenwoordigheid van God ervaart”
doen het goed en leveren dan ook een belangrijke bijdrage aan het fenomeen van
kerk(s)hoppen.
Veel van de moderne liederen vallen onder de categorie “gerealiseerde eschatologie:” Gods uiteindelijke overwinning op lijden, depressie, ziekte en financieel gebrek kan door uitroepen, uitzingen of proclamatie (het vocabulaire verschilt per denominatie en dijt nog wel wat uit) naar het hier en nu worden gemanifesteerd.
