Geloof is de manifestatie van een aanname. Geen geloof is dat ook. Geloof in God vloeit voort uit de aanname dat "er iets is." Geen geloof vloeit voort uit de aanname dat "er niets is" buiten het waarneembare en empirische aantoonbare.
De Tessalonicenzen werden geprezen om hun geloof in de boodschap die "geladen was met de kracht van de Heilige Geest en gebaseerd op een vaste overtuiging" (1 Thes. 1:5).
Enerzijds was er sprake van een manifestatie en anderzijds die vaste overtuiging.
Aan een vaste overtuiging gaat altijd een aanname vooraf. De aanname "Er is meer" doet de mens zoeken naar dat meer in de hoop iets te vinden dat verdedigbaar is en een bepaalde logica bevat. Dan kun je het namelijk uitleggen.
Het bestaan van "meer" kun je niet empirische staven, net zomin als het niet bestaan van dat "meer." De bewijslast voor "meer" wordt gezocht in de "supernatuur," waarbij psychologie, emotie en spiritualiteit een belangrijke rol spelen. Omdat dit echter geen tastbare zaken zijn is het gebruik ervan als bewijs op z'n zachtst gezegd dunnetjes.
De groep die meent dat slechts dat, wat middels onderzoek aangetoond en bewezen kan worden werkelijkheid is, gaat echter ook uit van een of meerde aannames. Die aanname leidt tot een overtuiging.
Discussies tussen de "er is meer" en de "er is niets meer" kampen gaat helaas maar al te vaak over de manifestaties en te weinig over de aannames. Om die discussie te voeren is er meer nodig dan gescherpte zwaarden van dogma's, 'bewijzen' en (drog)redenen.
De discussie over aannames kan slechts worden gevoerd wanneer men bereid is om van mens tot mens met elkaar te spreken. Van hart tot hart omdat je hoe dan ook altijd uitkomt bij het on(be)grijpbare. En dat vraagt om nederigheid; klein willen worden. Kleiner dan de ander. De zelfverheffing van de een boven de ander maakt een echt gesprek onmogelijk omdat er dat stemmetje in het achterhoofd zegt dat je tafelgenoot eigenlijk aan een vorm van achterlijkheid lijdt: een achterlijke gelovige of een achterlijke ongelovige.
Het is mij een raadsel waarom geloof en wetenschap zo faliekant tegenover elkaar zijn komen te staan. In de bijbeltijd voerde de strijd zich vooral op het filosofische vlak af waarbij met name het gesprek ging over de aannames. Dat blijven interessante discussies. Echter, als het zwaartepunt van een discussie zich verplaatst naar het elkaar om de oren slaan met "bewijzen," is de lol en de mens er van af.
Kortom, ik heb behoefte aan een normaal gesprek met de ander die mij op z'n minst als gelijkwaardig ziet en behandelt.
Over religie, kerk, christendom, verbazing, mijmeringen en gebeurtenissen tijdens mijn omzwervingen door binnen- en buitenland. Vragend en onderzoekend. Dit is een persoonlijk blog en wat ik schrijf is dan ook niet representatief voor de organisatie waarvoor ik werk of voor de kerk waar ik lid van ben.
21 januari 2013
16 januari 2013
Het clubje van Bonhoeffer
Ik ben "Life Together" van Bonhoeffer aan het herlezen. Bonhoeffer doet een poging om 1) te definiëren wat "gemeenschap" is en 2) die gemeenschap praktisch invulling te geven.
Gemeenschap is geen ideaal, maar een realiteit, is een van zijn stellingen. De vraag is wat voor realiteit dat dan is. Het is in ieder geval een theologische realiteit. Of die realiteit zich ook daadwerkelijk manifesteert in een gebroken wereld waarin het ego meer uit is op de vervulling van de behoefte tot fysieke nabijheid van anderen is op zijn minst interessant om wat verder te verkennen.
Bonhoeffer onderkent het spanningsveld tussen enerzijds het emotionele verlangen van de mens om nabij de ander te zijn en anderzijds de diepere behoefte aan geestelijke gemeenschap. Dat eerste verlangen wordt wat al te gemakkelijk afgedaan als een zielsverlangen (dus aards, werelds en vleselijk) en voor het tweede onderneemt hij een poging om de randvoorwaarden te omschrijven die van belang zijn voor het creëren van die geestelijke gemeenschap.
Hij creëert hier een dichotemie die mijns inziens onterecht is. Ziel en Geest worden tegenover elkaar gezet als verschillende belangen dienend waarbij, om tot ware gemeenschap te komen, de ziel aan het kortste eind zou moeten trekken.
Dus de randvoorwaarden. Een christelijke gemeenschap is dat pas als:
1. de Christen niet langer redding en rechtvaardiging in zichzelf zoekt, maar alleen in Christus.
2. Christenen tot elkaar komen door Christus: Hij is onze vrede.
3. de Christen begrijpt dat hij Hem toebehoort. Met de ander en voor alle eeuwigheid.
Het abstractieniveau gaat hier in het kwadraat omhoog. Ik kan het theologisch begrijpen maar er ontbreekt iets in het mensbeeld van Bonhoeffer. Je leest niets over wat het werk van Christus voor gevolgen heeft voor de totale mens; de mens die je niet kunt opdelen in stoffelijke en geestelijke stukjes. Is de mens niet één; geschapen naar het beeld van God, die één is?
Het ontkennen of negeren van de menselijke, emotionele kant van het mens-zijn leidt helaas tot een vrijwel onmogelijk uit te voeren opdracht.
Toch heeft Bonhhoeffer getracht om het gestalte te geven. Het tweede deel van zijn boek gaat over "de dag in gemeenschap," waarin de nadruk ligt op de verwezenlijking van die geestelijke gemeenschap. Hoewel goed te volgen is deze moeilijk, zo niet onmogelijk uitvoerbaar in welke setting dan ook.
Bonhoeffer's antwoord was om die geestelijke gemeenschap met liturgie te vullen. Liturgische gebeden, bijbellezingen, gezangen leggen vanzelf de nadruk op de hemelse zaken zodat de aandacht als vanzelf daar naar toe gaat en er geen tijd of gelegenheid is om van mens tot mens met elkaar te spreken. De verhouding is een stukje van de ene mens tot een stukje van de andere mens. Het beeld is niet kompleet. Het is onaf.
Dat wil niet zeggen dat het boek meteen door de papiervernietiger kan. Integendeel! Het is een van de betere boeken over het duiden van de gemeenschap die God voor ogen heeft en zit vol met parels die tot nadenken stemmen.
Mijn persoonlijk conclusie met betrekking tot "geestelijke gemeenschap" is dat of het nu John Wesley's "bands" betreft, Bonhoeffer's "gemeinschaft" of Jospeh Myers's "search to belong;" iedere poging om tot een ware geestelijke gemeenschap te komen zijn experimenten.
De mens blijft zoeken naar betekenisvolle aansluiting met anderen. Die is niet gemakkelijk te vinden, maar hij is er wel. Er zijn momenten dat je denkt het gevonden te hebben. Geef het een paar maanden en je ontdekt dat je er toch nog niet bent. Wat dan nodig is is het geloof in de door Bonhoeffer genoemde basis. Uiteindelijk is dat wat ons verbindt. Mensen die het als ideaal blijven zoeken, hebben eerder een destructief aandeel in het bouwen van zo'n gemeenschap dan dat ze er aan meewerken, zegt Bonhoeffer. Mensen die het zien als een theologische realiteit kunnen op de een of andere manier leven met de gebrokenheid die zich in het pogen om tot gemeenschap te komen manifesteert. Het onderkennen van gebrokenheid van de ander alsook het onderkennen dat de eigen gebrokenheid even groot, zo niet groter is dan die van de ander, maakt het al een stuk eenvoudiger om tot geestelijke gemeenschap te komen
Gemeenschap is geen ideaal, maar een realiteit, is een van zijn stellingen. De vraag is wat voor realiteit dat dan is. Het is in ieder geval een theologische realiteit. Of die realiteit zich ook daadwerkelijk manifesteert in een gebroken wereld waarin het ego meer uit is op de vervulling van de behoefte tot fysieke nabijheid van anderen is op zijn minst interessant om wat verder te verkennen.
Bonhoeffer onderkent het spanningsveld tussen enerzijds het emotionele verlangen van de mens om nabij de ander te zijn en anderzijds de diepere behoefte aan geestelijke gemeenschap. Dat eerste verlangen wordt wat al te gemakkelijk afgedaan als een zielsverlangen (dus aards, werelds en vleselijk) en voor het tweede onderneemt hij een poging om de randvoorwaarden te omschrijven die van belang zijn voor het creëren van die geestelijke gemeenschap.
Hij creëert hier een dichotemie die mijns inziens onterecht is. Ziel en Geest worden tegenover elkaar gezet als verschillende belangen dienend waarbij, om tot ware gemeenschap te komen, de ziel aan het kortste eind zou moeten trekken.
Dus de randvoorwaarden. Een christelijke gemeenschap is dat pas als:
1. de Christen niet langer redding en rechtvaardiging in zichzelf zoekt, maar alleen in Christus.
2. Christenen tot elkaar komen door Christus: Hij is onze vrede.
3. de Christen begrijpt dat hij Hem toebehoort. Met de ander en voor alle eeuwigheid.
Het abstractieniveau gaat hier in het kwadraat omhoog. Ik kan het theologisch begrijpen maar er ontbreekt iets in het mensbeeld van Bonhoeffer. Je leest niets over wat het werk van Christus voor gevolgen heeft voor de totale mens; de mens die je niet kunt opdelen in stoffelijke en geestelijke stukjes. Is de mens niet één; geschapen naar het beeld van God, die één is?
Het ontkennen of negeren van de menselijke, emotionele kant van het mens-zijn leidt helaas tot een vrijwel onmogelijk uit te voeren opdracht.
Toch heeft Bonhhoeffer getracht om het gestalte te geven. Het tweede deel van zijn boek gaat over "de dag in gemeenschap," waarin de nadruk ligt op de verwezenlijking van die geestelijke gemeenschap. Hoewel goed te volgen is deze moeilijk, zo niet onmogelijk uitvoerbaar in welke setting dan ook.
Bonhoeffer's antwoord was om die geestelijke gemeenschap met liturgie te vullen. Liturgische gebeden, bijbellezingen, gezangen leggen vanzelf de nadruk op de hemelse zaken zodat de aandacht als vanzelf daar naar toe gaat en er geen tijd of gelegenheid is om van mens tot mens met elkaar te spreken. De verhouding is een stukje van de ene mens tot een stukje van de andere mens. Het beeld is niet kompleet. Het is onaf.
Dat wil niet zeggen dat het boek meteen door de papiervernietiger kan. Integendeel! Het is een van de betere boeken over het duiden van de gemeenschap die God voor ogen heeft en zit vol met parels die tot nadenken stemmen.
Mijn persoonlijk conclusie met betrekking tot "geestelijke gemeenschap" is dat of het nu John Wesley's "bands" betreft, Bonhoeffer's "gemeinschaft" of Jospeh Myers's "search to belong;" iedere poging om tot een ware geestelijke gemeenschap te komen zijn experimenten.
De mens blijft zoeken naar betekenisvolle aansluiting met anderen. Die is niet gemakkelijk te vinden, maar hij is er wel. Er zijn momenten dat je denkt het gevonden te hebben. Geef het een paar maanden en je ontdekt dat je er toch nog niet bent. Wat dan nodig is is het geloof in de door Bonhoeffer genoemde basis. Uiteindelijk is dat wat ons verbindt. Mensen die het als ideaal blijven zoeken, hebben eerder een destructief aandeel in het bouwen van zo'n gemeenschap dan dat ze er aan meewerken, zegt Bonhoeffer. Mensen die het zien als een theologische realiteit kunnen op de een of andere manier leven met de gebrokenheid die zich in het pogen om tot gemeenschap te komen manifesteert. Het onderkennen van gebrokenheid van de ander alsook het onderkennen dat de eigen gebrokenheid even groot, zo niet groter is dan die van de ander, maakt het al een stuk eenvoudiger om tot geestelijke gemeenschap te komen
15 januari 2013
Wat nou, sociaal?
Stel je voor dat een aantal vrienden in Groningen zich zorgen maakt om jouw welbevinden. Je woont zelf in de Randstad en je wilt deze bezorgde vrienden graag bijpraten over je wel en wee van de afgelopen tijd. Voordat er telegraaf en telefoon was moest dat middels een brief gebeuren of, nog beter, je reisde af naar Groningen om je bezorgde vrienden gerust te stellen.
Gelukkig hebben we vandaag de Sociale Media. Middels een twitterbericht of een Facebooknotitie kan ik niet alleen mijn vrienden in Groningen maar ook de rest van de wereld in real time bijpraten.
Vrienden gerust en ik al lang blij dat ik niet per trein een reis hoef te ondernemen om me in persoon te melden. Zeker vandaag niet. Het sneeuwt dus de NS heeft bij voorbaat al het een en ander van de planning gehaald. Dat is vervelend want "strak reizen" (op de seconde nauwkeurig) is helemaal 2013 en de gedachte dat dit "strakke reizen" mogelijk niet plaats kan vinden noopt de burger tot binnenblijven en de zich weinig van ijs en weder aantrekkende Sociale Media ter hand te nemen.
De depersonalisatie van interactie is een pijnlijke ontwikkeling. Er hoeft dan misschien geen noodzaak te zijn om elkaar persoonlijk te ontmoeten; het is wel het luchtje dat aan de moderne Sociale Media hangt.
Dat luchtje ruik je vooral wanneer je de ontvanger wordt van haatmail of anoniem geklaag en gemopper van derden. Ontdaan van elk gevoel van compassie, medeleven of begrip wordt de gedepersonaliseerde mening de ether in gespuwd. Het ergste is het als dit soort informatie begint met "het is niet persoonlijk bedoeld." Dat is een van de grootste dooddoeners van deze tijd. Communicatie, direct of indirect, is voor een belangrijk deel altijd persoonlijk.
Paulus stuurt een brief en een aantal persoonlijke medewerkers op een reis die weken, zo niet maanden, in beslag zal nemen om een meelevende groep op de hoogte te stellen van zijn wel en wee (Kol. 4 vanaf vers 7). Hij hoopt hun bezorgdheid daarmee weg te kunnen nemen. Hij zal een goede reden hebben gehad om niet zelf te kunnen gaan maar dat zal zeker z'n voorkeur hebben gehad.
Sociale Media had een totaal andere betekenis. Sociaal betekende echt contact tussen echte mensen die samen aten, lachten en huilden.
Als je elkaar van mens tot mens ontmoet is de kans groot dat de communicatie tussen de partijen op een menselijke manier verloopt.
Afgaande op wat ik over anderen weet en lees, vorm ik een mening over die persoon. Zolang ik het echte contact met die persoon kan vermijden blijft mijn beeld gebaseerd op wat ik weet, of denk te weten.
Op het moment dat ik de ander ontmoet, verandert er iets. Ik word zachter, milder, begripvoller en voel mee en zal vrijwel altijd mijn beeld van en gevoelens over die persoon bij moeten stellen.
Met andere woorden, de sociale media zijn niet zo sociaal. Het begrip sociaal is misleidend omdat het de illusie wekt dat er iets sociaals aan de hand is terwijl er slechts een uitwisseling van informatie plaatsvindt.
Dan toch maar wat langzamer zodat er iets echt sociaals kan gebeuren; mensen die tot elkaar komen.
Gelukkig hebben we vandaag de Sociale Media. Middels een twitterbericht of een Facebooknotitie kan ik niet alleen mijn vrienden in Groningen maar ook de rest van de wereld in real time bijpraten.
Vrienden gerust en ik al lang blij dat ik niet per trein een reis hoef te ondernemen om me in persoon te melden. Zeker vandaag niet. Het sneeuwt dus de NS heeft bij voorbaat al het een en ander van de planning gehaald. Dat is vervelend want "strak reizen" (op de seconde nauwkeurig) is helemaal 2013 en de gedachte dat dit "strakke reizen" mogelijk niet plaats kan vinden noopt de burger tot binnenblijven en de zich weinig van ijs en weder aantrekkende Sociale Media ter hand te nemen.
De depersonalisatie van interactie is een pijnlijke ontwikkeling. Er hoeft dan misschien geen noodzaak te zijn om elkaar persoonlijk te ontmoeten; het is wel het luchtje dat aan de moderne Sociale Media hangt.
Dat luchtje ruik je vooral wanneer je de ontvanger wordt van haatmail of anoniem geklaag en gemopper van derden. Ontdaan van elk gevoel van compassie, medeleven of begrip wordt de gedepersonaliseerde mening de ether in gespuwd. Het ergste is het als dit soort informatie begint met "het is niet persoonlijk bedoeld." Dat is een van de grootste dooddoeners van deze tijd. Communicatie, direct of indirect, is voor een belangrijk deel altijd persoonlijk.
Paulus stuurt een brief en een aantal persoonlijke medewerkers op een reis die weken, zo niet maanden, in beslag zal nemen om een meelevende groep op de hoogte te stellen van zijn wel en wee (Kol. 4 vanaf vers 7). Hij hoopt hun bezorgdheid daarmee weg te kunnen nemen. Hij zal een goede reden hebben gehad om niet zelf te kunnen gaan maar dat zal zeker z'n voorkeur hebben gehad.
Sociale Media had een totaal andere betekenis. Sociaal betekende echt contact tussen echte mensen die samen aten, lachten en huilden.
Als je elkaar van mens tot mens ontmoet is de kans groot dat de communicatie tussen de partijen op een menselijke manier verloopt.
Afgaande op wat ik over anderen weet en lees, vorm ik een mening over die persoon. Zolang ik het echte contact met die persoon kan vermijden blijft mijn beeld gebaseerd op wat ik weet, of denk te weten.
Op het moment dat ik de ander ontmoet, verandert er iets. Ik word zachter, milder, begripvoller en voel mee en zal vrijwel altijd mijn beeld van en gevoelens over die persoon bij moeten stellen.
Met andere woorden, de sociale media zijn niet zo sociaal. Het begrip sociaal is misleidend omdat het de illusie wekt dat er iets sociaals aan de hand is terwijl er slechts een uitwisseling van informatie plaatsvindt.
Dan toch maar wat langzamer zodat er iets echt sociaals kan gebeuren; mensen die tot elkaar komen.
14 januari 2013
Iedereen het juiste antwoord
Nieuw bij de club en nog nat achter mijn geestelijke oren was de gedachte dat een christen iedereen het juiste antwoord wist te geven overweldigend en vooral intimiderend. Nu, zo'n 35 jaar later, is dat het nog. Gek dat de interpretatie van een Bijbelvers door jezelf, of anderen zo bepalend en gemakkelijk overheersend kan worden.
Ik heb mezelf nooit gerekend tot de klasse die overal een antwoord op denkt of weet te hebben. Ik heb eigenlijk meer vragen waarop ik geen antwoord heb dan vragen waar ik wel een antwoord op denk te hebben. De stelligheid waarmee ik op sommige van de zaken, waarvan ik tien jaar geleden echt het naadje van de kous wist te weten, heeft plaats gemaakt voor een "tja, ik weet het ook niet precies."
Je kunt je gemakkelijk blindstaren op een uitkomst terwijl het proces van groter belang is.
Als de apostel Paulus het heeft over "iedereen het juiste antwoord weten te geven" heeft hij het echt niet over iedereen altijd van het antwoord op welke vraag dan ook weten te geven. Het gaat om de houding die we onszelf aanmeten in onze relaties met de ander. Als hij schrijft dat we in onze gesprekken altijd vriendelijk (genadig) en gevat (met zout op smaak gebracht) dienen te zijn (Kol. 4:6) dan heeft dat maar weinig te maken met het fabriceren van (vaak) quasi waterdichte antwoorden op vragen van anderen maar alles met hoe we ons op dienen te stellen in gesprekken met anderen.
Eugene Peterson zegt het in "The Message" ongeveer zo: "Wees genadig in je spreken. Het doel is om in een gesprek het beste in de ander naar boven te halen en niet om de anderen neer te halen of af te kappen."
Dat plaatst een juist antwoord in een totaal ander perspectief. Persoonlijk ambieer ik meer een reputatie waarin genade en een zoutje het beeld dat anderen van me hebben overheerst dan er een van een sullig mannetje dat net doet alsof hij alles weet en waarmee een gesprek niet echt mogelijk is.
Onlangs werd me door een beminde medepelgrim een vraag gesteld. Al snel bleek dat de vraag slechts bedoeld was als opstapje voor mijn gesprekspartner om me te kunnen overladen met een lijst aan waarheden die kant nog wal raakten en keurig pasten in het evangelisch jargon van dooddoeners, algemeenheden en schijnbaar onwrikbare dogma's. Een poging tot nuancering van mijn kant was als het indrukken van de juiste toetsencombinatie om de computer kompleet op hol te doen staan. Het beste wat je in zo'n situatie kunt doen is je hand op de schouder van de andere partij leggen en zeggen, "sorry dat ik je moet onderbreken maar ik moet echt heel nodig naar de wc." Dan wel meteen weglopen want een kwaadwillende gesprekspartner hoort ook dat niet.
Een beetje meer genade en een beetje beter gekruid. Alsjeblieft?
Ik heb mezelf nooit gerekend tot de klasse die overal een antwoord op denkt of weet te hebben. Ik heb eigenlijk meer vragen waarop ik geen antwoord heb dan vragen waar ik wel een antwoord op denk te hebben. De stelligheid waarmee ik op sommige van de zaken, waarvan ik tien jaar geleden echt het naadje van de kous wist te weten, heeft plaats gemaakt voor een "tja, ik weet het ook niet precies."
Je kunt je gemakkelijk blindstaren op een uitkomst terwijl het proces van groter belang is.
Als de apostel Paulus het heeft over "iedereen het juiste antwoord weten te geven" heeft hij het echt niet over iedereen altijd van het antwoord op welke vraag dan ook weten te geven. Het gaat om de houding die we onszelf aanmeten in onze relaties met de ander. Als hij schrijft dat we in onze gesprekken altijd vriendelijk (genadig) en gevat (met zout op smaak gebracht) dienen te zijn (Kol. 4:6) dan heeft dat maar weinig te maken met het fabriceren van (vaak) quasi waterdichte antwoorden op vragen van anderen maar alles met hoe we ons op dienen te stellen in gesprekken met anderen.
Eugene Peterson zegt het in "The Message" ongeveer zo: "Wees genadig in je spreken. Het doel is om in een gesprek het beste in de ander naar boven te halen en niet om de anderen neer te halen of af te kappen."
Dat plaatst een juist antwoord in een totaal ander perspectief. Persoonlijk ambieer ik meer een reputatie waarin genade en een zoutje het beeld dat anderen van me hebben overheerst dan er een van een sullig mannetje dat net doet alsof hij alles weet en waarmee een gesprek niet echt mogelijk is.
Onlangs werd me door een beminde medepelgrim een vraag gesteld. Al snel bleek dat de vraag slechts bedoeld was als opstapje voor mijn gesprekspartner om me te kunnen overladen met een lijst aan waarheden die kant nog wal raakten en keurig pasten in het evangelisch jargon van dooddoeners, algemeenheden en schijnbaar onwrikbare dogma's. Een poging tot nuancering van mijn kant was als het indrukken van de juiste toetsencombinatie om de computer kompleet op hol te doen staan. Het beste wat je in zo'n situatie kunt doen is je hand op de schouder van de andere partij leggen en zeggen, "sorry dat ik je moet onderbreken maar ik moet echt heel nodig naar de wc." Dan wel meteen weglopen want een kwaadwillende gesprekspartner hoort ook dat niet.
Een beetje meer genade en een beetje beter gekruid. Alsjeblieft?
13 januari 2013
Echt niet normaal!
De gelovige club in Kolosse wordt door hun mentor aangemoedigd om zich normaal te gedragen tegenover niet gelovigen: "ga wijs met ze om."
Verstandig, normaal, wijs gedrag; wat is dat precies?
Toen Wilders onze premier aanspoorde om "normaal" te doen waarop de premier pareerde met "doe zelf normaal, man," hadden beiden een andere versie van normaal gedrag voor ogen.
Normaal is wat ik normaal vind en die norm is geïnformeerd en gevormd door de cultuur waarin ik opgroei, de tijd waarin ik leef, de sociale groep waar ik me in beweeg, de boeken die ik lees, de films die ik kijk en ga zo maar door. Het spreekt dan ook vanzelf dat normaal, verstandig en wijs gedrag bij iedereen een iets ander plaatje oplevert.
Op het moment dat ik de opdracht krijg om me wijs te gedragen kan ik dat wijze gedrag slechts duiden met behulp van de ammunitie die ik ter beschikking heb. Mijn invulling van wijs gedrag is dan ook altijd subjectief.
Nu hebben we als samenleving best wel een gedragscode en zijn er talloze wetten en voorschriften die me helpen om algemeen gewenst gedrag te duiden en zoveel mogelijk overeenkomstig die (objectieve) normering te leven. Als ik over een weg rij en ik zie een wit bord met een rode rand waarin de twee cijfers 8 en 0 staan weet ik dat het verstandig is om me aan die instructie te houden, tenzij ik er geen probleem mee heb om in mogelijke moeilijkheden te komen.
Als Paulus het heeft over verstandig gedrag moet hij ook een kader daarvoor in gedachten hebben gehad. Zou hij voor ogen hebben gehad wat hij normaal gedrag vond? Greep hij terug naar een gemeenschappelijk kader? Het laatste is het meest waarschijnlijk.
Ik lees graag in de evangeliën. Daarin vind ik een gedragscode die ik tegenover die van mezelf kan leggen om te vergelijken of ter correctie. De gedragscode die Christus voorschrijft en voorleefde is er een die maar moeilijk tot ergernis kan leiden. Het omschrijft wat met verstandig gedrag wordt bedoeld.
Als ik bijvoorbeeld in Mattheüs 5 tot en met 8 de bekende Bergrede lees en me probeer voor te stellen wat ik van iemand zou vinden die deze leefregels eigen heeft gemaakt kan ik niet anders dan concluderen dat het een verdraaid aardig mens zou zijn: oprecht, eerlijk, betrouwbaar, integer, niet uit op eigen gelijk, hartelijk, oog voor de ander...
De uitdaging is of ik bereid ben om mijn eigen vastgeroeste ideeën over wat verstandig en wijs is te laten corrigeren door die van de hogere, hemelse orde. Ieder mens is wijs in de eigen ogen en de bereidheid om deze blokkade als eerste te overwinnen is een mooi begin dat zomaar kan resulteren in een beetje meer verstand en wijsheid. De wereld wordt er een beetje mooier door.
Verstandig, normaal, wijs gedrag; wat is dat precies?
Toen Wilders onze premier aanspoorde om "normaal" te doen waarop de premier pareerde met "doe zelf normaal, man," hadden beiden een andere versie van normaal gedrag voor ogen.
Normaal is wat ik normaal vind en die norm is geïnformeerd en gevormd door de cultuur waarin ik opgroei, de tijd waarin ik leef, de sociale groep waar ik me in beweeg, de boeken die ik lees, de films die ik kijk en ga zo maar door. Het spreekt dan ook vanzelf dat normaal, verstandig en wijs gedrag bij iedereen een iets ander plaatje oplevert.
Op het moment dat ik de opdracht krijg om me wijs te gedragen kan ik dat wijze gedrag slechts duiden met behulp van de ammunitie die ik ter beschikking heb. Mijn invulling van wijs gedrag is dan ook altijd subjectief.
Nu hebben we als samenleving best wel een gedragscode en zijn er talloze wetten en voorschriften die me helpen om algemeen gewenst gedrag te duiden en zoveel mogelijk overeenkomstig die (objectieve) normering te leven. Als ik over een weg rij en ik zie een wit bord met een rode rand waarin de twee cijfers 8 en 0 staan weet ik dat het verstandig is om me aan die instructie te houden, tenzij ik er geen probleem mee heb om in mogelijke moeilijkheden te komen.
Als Paulus het heeft over verstandig gedrag moet hij ook een kader daarvoor in gedachten hebben gehad. Zou hij voor ogen hebben gehad wat hij normaal gedrag vond? Greep hij terug naar een gemeenschappelijk kader? Het laatste is het meest waarschijnlijk.
Ik lees graag in de evangeliën. Daarin vind ik een gedragscode die ik tegenover die van mezelf kan leggen om te vergelijken of ter correctie. De gedragscode die Christus voorschrijft en voorleefde is er een die maar moeilijk tot ergernis kan leiden. Het omschrijft wat met verstandig gedrag wordt bedoeld.
Als ik bijvoorbeeld in Mattheüs 5 tot en met 8 de bekende Bergrede lees en me probeer voor te stellen wat ik van iemand zou vinden die deze leefregels eigen heeft gemaakt kan ik niet anders dan concluderen dat het een verdraaid aardig mens zou zijn: oprecht, eerlijk, betrouwbaar, integer, niet uit op eigen gelijk, hartelijk, oog voor de ander...
De uitdaging is of ik bereid ben om mijn eigen vastgeroeste ideeën over wat verstandig en wijs is te laten corrigeren door die van de hogere, hemelse orde. Ieder mens is wijs in de eigen ogen en de bereidheid om deze blokkade als eerste te overwinnen is een mooi begin dat zomaar kan resulteren in een beetje meer verstand en wijsheid. De wereld wordt er een beetje mooier door.
![]() |
| Mozes en de tien geboden (Chagal)). De evangeliën en de tien geboden zijn zo'n beetje de voornaamste ijkpunten om verstandig gedrag te duiden. |
11 januari 2013
Woorddeuren
De apostel Paulus introduceert enkele impliciete ideeën over geopende deuren in Kolossenzen 4. Hij zit in de gevangenis en vraagt de lezers om te bidden dat God woorddeuren opent die, eenmaal geopend, een gelegenheid zijn voor de manifestatie van het mysterie van Christus.
De manifestatie van het evangelie (hier "het mysterie van Christus" genoemd) is een samenspel tussen omstandigheden, Gods handelen en (in)direct betrokkenen.
Het idee van een eenzijdig georganiseerde evangelisatieactie komen we in de Bijbel niet tegen. God zelf zal in welke omstandigheden dan ook de woorddeuren moeten openen, waarmee een natuurlijke ingang voor dat mysterie van Christus wordt gecreëerd. Een open deur in de context van een gevangenis is een krachtig beeld. Je moet wel van een andere planeet komen wil je van zo'n deur geen gebruik maken. Zelf heb ik nooit gevangen gezeten maar het lijkt me dat als iemand gevangen zit en de deur van z'n cel staat om wat voor reden dan ook open, de gevangene de verleiding niet zal kunnen weerstaan om in ieder geval z'n hoofd buiten de deur te steken om wat vrije lucht te kunnen inademen.
De metafoor van de open deur mag dan niet zo sterk werken in een vrijwel deurloze omgeving maar heeft dezelfde betekenis en kracht: als er een deur opengaat, stap je er doorheen.
Evangelieverkondiging buiten een relationele context is de Bijbel vreemd. Sterker nog, manifestatie betekent alleen iets in een context. Die context kunnen de omstandigheden zijn die daartoe aanleiding geven, maar kan uiteraard ook persoonlijk of sociaal zijn.
De kruistochten zijn een voorbeeld van een door mensen geforceerde deur en de geschiedenis leert ons dat het niet alleen een slecht idee was maar dat ook eeuwen later het beeld van de discipelen van Christus naar buiten toe mede bepaalt.
Het vraagt om wijsheid en inzicht om met het werk van Gods Geest "mee te bewegen". Niet iedere gelegenheid dicteert een (geforceerde) manifestatie. Maar het is zeer wel mogelijk dat God in de talrijke gelegenheden waarin we ons dagelijks bevinden een woorddeur creëert die het mysterie van Christus voor de betrokkenen betekenis, zin, inhoud en gezag geeft. En dat noemen we dan een manifestatie.
De manifestatie van het evangelie (hier "het mysterie van Christus" genoemd) is een samenspel tussen omstandigheden, Gods handelen en (in)direct betrokkenen.
Het idee van een eenzijdig georganiseerde evangelisatieactie komen we in de Bijbel niet tegen. God zelf zal in welke omstandigheden dan ook de woorddeuren moeten openen, waarmee een natuurlijke ingang voor dat mysterie van Christus wordt gecreëerd. Een open deur in de context van een gevangenis is een krachtig beeld. Je moet wel van een andere planeet komen wil je van zo'n deur geen gebruik maken. Zelf heb ik nooit gevangen gezeten maar het lijkt me dat als iemand gevangen zit en de deur van z'n cel staat om wat voor reden dan ook open, de gevangene de verleiding niet zal kunnen weerstaan om in ieder geval z'n hoofd buiten de deur te steken om wat vrije lucht te kunnen inademen.
De metafoor van de open deur mag dan niet zo sterk werken in een vrijwel deurloze omgeving maar heeft dezelfde betekenis en kracht: als er een deur opengaat, stap je er doorheen.
Evangelieverkondiging buiten een relationele context is de Bijbel vreemd. Sterker nog, manifestatie betekent alleen iets in een context. Die context kunnen de omstandigheden zijn die daartoe aanleiding geven, maar kan uiteraard ook persoonlijk of sociaal zijn.
De kruistochten zijn een voorbeeld van een door mensen geforceerde deur en de geschiedenis leert ons dat het niet alleen een slecht idee was maar dat ook eeuwen later het beeld van de discipelen van Christus naar buiten toe mede bepaalt.
Het vraagt om wijsheid en inzicht om met het werk van Gods Geest "mee te bewegen". Niet iedere gelegenheid dicteert een (geforceerde) manifestatie. Maar het is zeer wel mogelijk dat God in de talrijke gelegenheden waarin we ons dagelijks bevinden een woorddeur creëert die het mysterie van Christus voor de betrokkenen betekenis, zin, inhoud en gezag geeft. En dat noemen we dan een manifestatie.
09 januari 2013
Een redelijk pruimbaar mens
Ik heb bepaalde ideeën over hoe ik vind dat God met mij om moet gaan. Het zou super christelijk zijn om te zeggen dat ik niet anders verwacht dan door Hem in de hel geworpen te worden. Immers er is niemand die goed doet, zelfs niet één en goeddoen blijkt de norm te zijn voor een plekje bij de Vader. Ik verdien niets anders dan straf want ik ben slecht en de toorn van God openbaart zich over alle ongerechtigheid van mensen, dus ook die van mij. Bovendien zoek ik hem niet echt, net zomin als enig ander mens God zoekt.
De paragraaf hierboven is gemakkelijk te onderbouwen met de betreffende verwijzingen naar de plaats in de Bijbel waar we ze tegenkomen.
De wat zwaar op de hand zijnde gelovige zal hier de nadruk op leggen. Verlossing is mogelijk maar alleen op initiatief van God die voor de schepping van de wereld al bepaald heeft wie er gered zijn en verloren gaan. Ook deze dubbele uitverkiezing kan Bijbels onderbouwd worden en roept een lawine aan vragen op.
De mens zou door God tot een punt van volkomen radeloosheid en hulpeloosheid worden gebracht (door God geslagen vanwege zijn koppigheid) en op dat allerlaagste punt zou het mogelijk zijn dat God tot redding overgaat (mits de geslagenheid echt is).
Nu lees ik in Kolossenzen 4 dat Paulus de meesters oproept om rechtvaardig en billijk tegenover hun slaven te zijn in het besef dat ze zelf ook een Meester in de hemel hebben.
Tja, als mijn beeld van de Meester in de hemel is dat hij erop uit is om me te breken en een dergelijke behandeling ook voor mezelf verwacht, dan mocht je wensen dat je nooit voor mij zou moeten werken. Het zou een hel zijn.
Het Evangelie is zo belangrijk omdat het alle scheve relaties weer rechttrekt; de relatie tussen God en de (dolende) mens en de relatie tussen de mensen onderling.Vanuit het volbrachte werk van Christus verhouden we ons nu op een nieuwe manier tot God en elkaar waarbij Paulus in deze context zegt dat die relaties worden gekenmerkt door rechtvaardigheid (dat wat juist is) en billijkheid (gelijkheid). Hoe we deze woorden inhoud geven en waaraan we deze ijken is niet geheel onbelangrijk. Juistheid en gelijkheid zijn begrippen die met de tijd veranderen, verschillen per cultuur en waar iedereen weer een andere idee over, en beeld bij heeft. Die ijking is van groot belang en daarbij ontkom je niet aan de Bijbel die deze begrippen de juiste lading en instructies aangaande de uitvoering ervan geeft.
De verlossing staat centraal. Die doet iets met je. Verandert je van een boze, zure, zelfgericht individu in een redelijk pruimbaar mens waar goed mee te leven en te werken is.
De paragraaf hierboven is gemakkelijk te onderbouwen met de betreffende verwijzingen naar de plaats in de Bijbel waar we ze tegenkomen.
De wat zwaar op de hand zijnde gelovige zal hier de nadruk op leggen. Verlossing is mogelijk maar alleen op initiatief van God die voor de schepping van de wereld al bepaald heeft wie er gered zijn en verloren gaan. Ook deze dubbele uitverkiezing kan Bijbels onderbouwd worden en roept een lawine aan vragen op.
De mens zou door God tot een punt van volkomen radeloosheid en hulpeloosheid worden gebracht (door God geslagen vanwege zijn koppigheid) en op dat allerlaagste punt zou het mogelijk zijn dat God tot redding overgaat (mits de geslagenheid echt is).
Nu lees ik in Kolossenzen 4 dat Paulus de meesters oproept om rechtvaardig en billijk tegenover hun slaven te zijn in het besef dat ze zelf ook een Meester in de hemel hebben.
Tja, als mijn beeld van de Meester in de hemel is dat hij erop uit is om me te breken en een dergelijke behandeling ook voor mezelf verwacht, dan mocht je wensen dat je nooit voor mij zou moeten werken. Het zou een hel zijn.
Het Evangelie is zo belangrijk omdat het alle scheve relaties weer rechttrekt; de relatie tussen God en de (dolende) mens en de relatie tussen de mensen onderling.Vanuit het volbrachte werk van Christus verhouden we ons nu op een nieuwe manier tot God en elkaar waarbij Paulus in deze context zegt dat die relaties worden gekenmerkt door rechtvaardigheid (dat wat juist is) en billijkheid (gelijkheid). Hoe we deze woorden inhoud geven en waaraan we deze ijken is niet geheel onbelangrijk. Juistheid en gelijkheid zijn begrippen die met de tijd veranderen, verschillen per cultuur en waar iedereen weer een andere idee over, en beeld bij heeft. Die ijking is van groot belang en daarbij ontkom je niet aan de Bijbel die deze begrippen de juiste lading en instructies aangaande de uitvoering ervan geeft.De verlossing staat centraal. Die doet iets met je. Verandert je van een boze, zure, zelfgericht individu in een redelijk pruimbaar mens waar goed mee te leven en te werken is.
08 januari 2013
Expres kwaad doen
He, eindelijk iemand die niet en nooit discrimineert! God maakt geen onderscheid en dus zal wie kwaad doet, voor dat kwaad boeten (Kol. 3:25).
In het systeem van de wereld spelen macht, invloed en geld een vaak doorslaggevende rol bij rechtspraak en handel. En zo'n systeem kan zomaar eeuwen bestaan. Het lijkt erop dat India en China zich op een kantelpunt bevinden. India inzake de rechten en de positie van de vrouw en China inzake een overheid die het nieuws decennia lang heeft bepaald.
Een plaatselijke politie leider in India krijgt nu op z'n bliksem nadat hij een huis is binnengegaan om (zo wordt verondersteld) een vrouw te verkrachten.
Machtigen in China stellen heel wat in het werk om het beeld dat de wereld van China heeft te bepalen. Wellicht dat de huidige revolte daar voor een belangrijk deel een eind aan zal maken, hoewel het slechts één kwaad aanpakt. De willekeur in censuur is hier te zien.
Het kwaad trekt vroeger of later aan het kortste eind en God maakt geen onderscheid.
Misbruik in werk- en familierelaties (de context waarin dit vers in Kolossenzen staat) is kwaad op microniveau en wordt, omdat het zo dichtbij is, het diepst gevoeld. Waar vertrouwen en veiligheid verwacht mag worden en men in plaats daarvan onzekerheid en onveiligheid krijgt is de schade denk ik ook het grootst. Beschaamd vertrouwen herstelt zich niet zomaar en kwaad gaat vaak lange tijd ongestraft.
Is er dan eigenlijk wel zoiets als gerechtigheid?
Ik denk regelmatig na over de beloofde wederkomst van Christus. Ik ben niet zo iemand die "maar niet kan wachten" totdat het eindelijk zover is. In ieder geval niet voor mezelf. Tegelijkertijd bid ik vaak in stilte "Heer, kom spoedig, zodat aan onrecht, misbruik, leugen, bedrog en kwaad een eind zal komen."
De wetenschap dat God niet afgekocht kan worden en er bij Hem geen aanzien des persoons is, stelt gerust; het kwaad blijft niet ongestraft!
In het systeem van de wereld spelen macht, invloed en geld een vaak doorslaggevende rol bij rechtspraak en handel. En zo'n systeem kan zomaar eeuwen bestaan. Het lijkt erop dat India en China zich op een kantelpunt bevinden. India inzake de rechten en de positie van de vrouw en China inzake een overheid die het nieuws decennia lang heeft bepaald.
Een plaatselijke politie leider in India krijgt nu op z'n bliksem nadat hij een huis is binnengegaan om (zo wordt verondersteld) een vrouw te verkrachten.
Machtigen in China stellen heel wat in het werk om het beeld dat de wereld van China heeft te bepalen. Wellicht dat de huidige revolte daar voor een belangrijk deel een eind aan zal maken, hoewel het slechts één kwaad aanpakt. De willekeur in censuur is hier te zien.
Het kwaad trekt vroeger of later aan het kortste eind en God maakt geen onderscheid.
Misbruik in werk- en familierelaties (de context waarin dit vers in Kolossenzen staat) is kwaad op microniveau en wordt, omdat het zo dichtbij is, het diepst gevoeld. Waar vertrouwen en veiligheid verwacht mag worden en men in plaats daarvan onzekerheid en onveiligheid krijgt is de schade denk ik ook het grootst. Beschaamd vertrouwen herstelt zich niet zomaar en kwaad gaat vaak lange tijd ongestraft.
Is er dan eigenlijk wel zoiets als gerechtigheid?
Ik denk regelmatig na over de beloofde wederkomst van Christus. Ik ben niet zo iemand die "maar niet kan wachten" totdat het eindelijk zover is. In ieder geval niet voor mezelf. Tegelijkertijd bid ik vaak in stilte "Heer, kom spoedig, zodat aan onrecht, misbruik, leugen, bedrog en kwaad een eind zal komen."
De wetenschap dat God niet afgekocht kan worden en er bij Hem geen aanzien des persoons is, stelt gerust; het kwaad blijft niet ongestraft!
07 januari 2013
Voet tussen de deur
Afgelopen zaterdag twee alleraardigste Jehova getuigen aan de deur gehad. Zoals gewoonlijk een tweetal waarvan een oude rot in het vak (een ietwat sjofel geklede Rotterdammer met een stukje wc papier aan een vers bij het scheren opgelopen jaapje geplakt) en de ander een relatief nieuwe getuigen (zeer keurig en smaakvol geklede jongeman van niet Nederlandse komaf). Het script van de week schreef voor dat de naam van God verspreid moest worden en na een korte inleiding werd de vraag gesteld of ik eigenlijk wel wist dat God een naam heeft en, zo ja, wat die naam volgens mij zou zijn.
Mijn antwoord: "JHW, maar dat spreekt zo moeilijk uit dus noem ik Hem hemelse vader," wisten de twee maar moeilijk te pareren dus gingen we over tot een aantal standaard onderwerpen: bloed, leger, politiek en het Koninkrijk. Ook de Paus met zijn vermeende opmerkingen over homoseksualiteit kwam nog even aan bod en hoe erg het was dat hij de Bijbel niet had geciteerd.
Zo'n vijftien minuten in het gesprek, wat overigens constructief en aangenaam verliep, was het mij nog steeds niet duidelijk wat men nu precies van me wilde dus besloot ik het te vragen: "Jullie geven je zaterdag op om deur aan deur over de naam van God te spreken maar wat willen jullie nu precies van mijn? Wat moet er gebeuren willen jullie kunnen zeggen dat het een goed gesprek was en dat mijn naam en adres wordt genoteerd als een "high potential." Er volgde toen een verhaal over de juiste leer en de juiste kerk.
"Maar hoe zit het met mijn ziel? Hoe zit het met mijn behoud? Wat moet ik doen om uit dit verkeerde geslacht behouden te worden?"
Ze weten het echt wel, hoor. Ze weten precies hoe het zit met de door God gegeven middelaar, Jezus Christus en dat de basis van behoud alleen in het geloof in die middelaar te vinden is.
"Maar waarom praten jullie daar dan niet over," was mijn logische vervolgvraag? "Waarom zo hameren op de juiste naam, de juiste leer en de juiste kerk terwijl je diep van binnen weet dat het daar niet echt om gaat?"
Het lijkt wel alsof er bij mijn van JHW getuigende vrienden een waas over de kern van het Evangelie ligt en dat men zich verliest in betogen over secundaire zaken en die kern dus verborgen blijft.
Wel, om een lang verhaal kort te maken, ik heb met hen over Christus gesproken en werd steeds enthousiaster. Wild gebarend en naar een willekeurige plek aan de hemel wijzend, moedigde ik hen aan: "spreek over Christus, en over Hem alleen."
Of het heeft geholpen weet ik niet. Ik zal het mijn buren eens vragen.
Laten we wel wezen, het blijft moeilijk om van een leer af te stappen en een relatie aan te gaan en daarover te spreken.
Mijn deur en hart zullen wijd open gaan voor deze opmerkelijke, wereldvreemde (dat zullen ze zeker als compliment beschouwen) en goedbedoelende vrienden.
Mijn antwoord: "JHW, maar dat spreekt zo moeilijk uit dus noem ik Hem hemelse vader," wisten de twee maar moeilijk te pareren dus gingen we over tot een aantal standaard onderwerpen: bloed, leger, politiek en het Koninkrijk. Ook de Paus met zijn vermeende opmerkingen over homoseksualiteit kwam nog even aan bod en hoe erg het was dat hij de Bijbel niet had geciteerd.
Zo'n vijftien minuten in het gesprek, wat overigens constructief en aangenaam verliep, was het mij nog steeds niet duidelijk wat men nu precies van me wilde dus besloot ik het te vragen: "Jullie geven je zaterdag op om deur aan deur over de naam van God te spreken maar wat willen jullie nu precies van mijn? Wat moet er gebeuren willen jullie kunnen zeggen dat het een goed gesprek was en dat mijn naam en adres wordt genoteerd als een "high potential." Er volgde toen een verhaal over de juiste leer en de juiste kerk.
"Maar hoe zit het met mijn ziel? Hoe zit het met mijn behoud? Wat moet ik doen om uit dit verkeerde geslacht behouden te worden?"
Ze weten het echt wel, hoor. Ze weten precies hoe het zit met de door God gegeven middelaar, Jezus Christus en dat de basis van behoud alleen in het geloof in die middelaar te vinden is.
"Maar waarom praten jullie daar dan niet over," was mijn logische vervolgvraag? "Waarom zo hameren op de juiste naam, de juiste leer en de juiste kerk terwijl je diep van binnen weet dat het daar niet echt om gaat?"
Het lijkt wel alsof er bij mijn van JHW getuigende vrienden een waas over de kern van het Evangelie ligt en dat men zich verliest in betogen over secundaire zaken en die kern dus verborgen blijft.
Wel, om een lang verhaal kort te maken, ik heb met hen over Christus gesproken en werd steeds enthousiaster. Wild gebarend en naar een willekeurige plek aan de hemel wijzend, moedigde ik hen aan: "spreek over Christus, en over Hem alleen."
Of het heeft geholpen weet ik niet. Ik zal het mijn buren eens vragen.
Laten we wel wezen, het blijft moeilijk om van een leer af te stappen en een relatie aan te gaan en daarover te spreken.
Mijn deur en hart zullen wijd open gaan voor deze opmerkelijke, wereldvreemde (dat zullen ze zeker als compliment beschouwen) en goedbedoelende vrienden.
04 januari 2013
Wie is de meester?
Over het idee dat "alles" slechts zelden "alles" betekent heb ik eerder een blog geschreven. Een belangrijk vers waar we een dergelijke uitspraak tegenkomen is Kolossenzen 3:23, "Wat u ook doet, doe het van harte, als was het voor de Heer..." Als zo'n uitspraak uit de context wordt gelezen en toegepast, dan ligt misbruik voor het oprapen. Er is de brede context van het koninkrijk van God waarin zaken zoals diefstal, lust, moord, oppotten, misbruik en dergelijke wordt uitgesloten. Je kunt niet "als voor de Heer" van harte misbruik plegen. Zo valt er al een flink brok af van zaken die als voor de Heer kunnen worden gedaan.
Dan zou je vervolgens naar de wat neutralere zaken van het leven kunnen kijken. Kun je bijvoorbeeld van harte, als voor de Heer boodschappen doen, fietsen, scheren of naar de kapper gaan?
Wordt al wat ingewikkelder omdat er dan ethische overwegingen een rol gaan spelen. Een knipbeurt bij de kapper, daar is niets mis mee. Maar het wordt ingewikkelder wanneer iemand vele honderden euro's per jaar besteed aan kapbeurten. Het is natuurlijk ieders eigen verantwoordelijkheid maar ik hoop toch dat iemand die zich schuldig maakt aan buitensporig kapperbezoek dat niet niet langer van harte en als voor de Heer kan doen en zich voldoende schuldig voelt om de kapbeurten in ieder geval te compenseren door een royale overmaking te doen naar een goed doel.
Het "wat u ook doet, doe het van harte en als voor de Heer", staat in de context van hoe we ons verhouden tot anderen in huwelijk, gezin en arbeid.
De ware Meester die de gelovige dient is Christus en Paulus wil duidelijk maken dat als dat echt waar is, die dienstbaarheid zichtbaar zal moeten zijn in de relaties die er echt toe doen en waar we dagelijks mee te maken hebben.
Ik droom er wel eens van; hoe het leven eruit zou zien als ik dat dienen op een gezonde manier onder de knie zou hebben en wat voor effect dat zou hebben op mijn directe omgeving.
Het was Christus die op de vraag wie het belangrijkste is in het koninkrijk, een kind aan de vrager presenteerde en zei dat wie (zulk) een kind in Zijn naam ontvangt, Hem ontvangt (Mat. 18:15).
Dat helpt me om om zo'n potentiële meta-tekst (al wat u doet) in de juiste en doenbare vorm te begrijpen en m'n huiswerk voor vandaag helder voor ogen te houden.
Abonneren op:
Posts (Atom)
De gevende mens is een beter mens
Ik las onlangs het boek The Storyteller of Auschwitz van Siobhan Curham. In een van de eerste hoofdstukken ontmoet de hoofdpersoon, de Jood...



