24 september 2018

Satans Fluytencast

In de tachtiger jaren van de vorige eeuw speelde ik gitaar in een gospelkoor. Ik zong ook. Tenor. Ik kon best wel hoog.

We hadden geen drumstel. Dat zou teveel afleiden en bovendien deden obscure theorieen rondom de "beat" de ronde. Die zouden een hypnotiserend effect hebben en het publiek wel eens een roesje kunnen bezorgen. Inleidend- en tussenspel was ook altijd summier en dienden vooral als een vier tellen voorafje en/of adempauze. De instrumenten hadden slechts ten doel de tekst te dragen en ingetogen te presenteren, zoals een koekenpan slechts dient om dat waar het echt om draait, te presenteren.
Ik hoorde wel eens andere bandjes en koren. Sommigen hadden wel een drumstel en ik droomde ervan dat de Heer ook ons als gospelkoor op een dag zou laten zien dat je best wel klappen tot Zijn eer kon uitdelen.

Nu we (eindelijk) op een punt in onze kerkgeschiedenis zijn aangekomen dat de aanbiddingsteams van de hippere kerken tot twee cijfers achter de komma de filosofie, psychologie, aanpak, strategie, tactiek en zelfs theologie van aanbidding (inclusief "afstemming") hebben uitgedokterd, hoeven we alleen maar te wachten tot de wat langzamere kerken volgen.
Trouwens, ik moet de eerste kerk nog tegenkomen waar niet bij grote regelmaat gedoe is rondom de samenzang en/of volume van het PA systeem.

Het gebruik van instrumenten in de kerk kent een kleurrijke geschiedenis. In de vroege kerk was er niet echt ruimte voor instrumenten. De kerkvader Chrisostomos noemde de muziek een Joodse instelling en gaf aan de in de Bijbel genoemde instrumenten een symbolische betekenis. Langzamerhand vinden pauken, trommels en fluiten hun weg naar de kerk en komen bij elkaar in het orgel. Zo werd het orgel een dingetje dat, door de achterdeur van de reformatie binnengesijpeld, een leuke duit in de toen toch al overvolle agendazak deed. Dat die discussie er af en toe fel aan toeging illustreert het voorbeeld van de Dordtse Synode die in 1578, onder leiding van Petrus Datheen besliste dat kerkorgels afgebroken moesten worden.

"Satan's Fluytencast" werd het kerkorgel wel genoemd. Het zou de aandacht wegtrekken van het gepredikte woord en het was ook nog eens Roomse uitwas! Bovendien vonden wereldse invloeden (lees: melodien) zo hun weg naar de kerk.
Je kunt er op wachten maar moderne ontwikkelingen binnen de muziek vinden na 15 tot 20 jaar hun weg naar de kerk. Het is gewoonweg niet tegen de houden.
Ik droom wel eens dat het andersom is; de kerk die de maat slaat in plaats van achter de band aan te sukkelen; een kerk die anticipeert in plaats van reageert.
Reageren en meedeinen op de golven van moderniteit is het scenario dat gedoemd is te mislukken. Vorige week heb ik alle boeken en Artikelen die de afgelopen twinti jaar zijn verschenen en die gaan over hoe de kerk zou moeten reageren op maatschappelijke, culturele en sociale ontwuikkelingen (of dat daadwerkelijk doen) in de container gegooid. Zo noem ik (en nee, ik zuig dit niet uit mijn duim): Hybrid church, Organic church, Transformational church, Essential church, Total church, Vertical church, Church worth getting up for, Purpose driven church, Simple church, Church shift, The emotionally healthy church, Rechurch, Sticky church, Center church, Deep and wide, Dangerous church, Church zero, Wow church, The externally focused church.

Misschien is de kerk teveel bezig met haar structuur, strategie, organisatie, uitstraling en intern gedoe. Een antwoord heb ik niet. Als dat zo was had ik al lang dat boek met daarin het antwoord geschreven en was ik mijn model nu aan het verkopen in binnen- en buitenland.
Tenor zingen kan ik niet meer. Hoogstens bas ik nog wat op de achtergond. Ik hou echt wel van een goed stukkie muziek (Bach is mijn nummer 1). Alleen die semi-serieuze flapdrollerij eromheen kan me gestolen worden.

17 september 2018

En toen stopte het orgel met trekken

Er is best wel wat te doen om het kerkorgel. Sommige kerken willen en zullen er niet vanaf. Hippere kerken die oude gebouwen kopen waar zo'n machine in zit slopen het er helaas maar al te vaak en veel te voorbarig uit. Daar maken ze best wel haast mee en het slopen of verkopen is dan ook een van de eerste bouw/breekklussen. Mocht het bij verkoop nog iets opleveren kan dat fijn worden geïnvesteerd in een hooguit matige PA installatie die nieuwe, hippe instrumenten gaat versterken die de zangers niet langer in het lied meezeulen maar 'dragen' (lekker basje...).

Naast dat een kerkorgel gewoon een gaaf ding is kent het een aantal functies.
Een van die functies is het meetrekken van het volk in liederen. Het loopt zeg maar een metertje voor de zingende aanwezigen uit. Dat vraagt wat kundigheid van de organist die een extra tel aan het being van de maat in moet passen. Dat gaat eigenlijk altijd wel goed, zeker waar het de wat 'gedragener' psalmen en gezangen betreft. Waar het mis kan gaan is bij iets te hippe liederen die niet langer één tot vier tellen in een vierkwartje verlangen maar acht, of zelfs uitschieters naar zestien.

Zo zongen we onlangs in een kerkdienst in Friesland de hippere verzie van Psalm 100. Vier coupletten met na ieder couplet vier keer "Halleluja, Glorie Halleluja." Omdat ik dat toch wel een heleboel "Halleluja, Glorie Halleluja's" vond, stelde ik de gemeente voor om eerst de vier verzen achter elkaar te zingen om vervolgens het geheel af te ronden met één keer vier keer "Halleluja, Glorie Halleluja."
Ik vond dat een redelijk voorstel maar de organist blijkbaar niet. Die riep vanaf het balkon acherin de kerk waar de klavieren zich bevinden: "Nee, gewoon het refrein na ieder couplet." Omdat ik daar als voorganger te gast was dacht ik dat het slim was om geen discussie te beginnen dus wierp ik mijn armen in overgave omhoog en zei: "De organist heeft besloten en ik wil geen ruzie met hem dus zingen we een totaal van 16 "Halleluja, Glorie halleluja's."
Met verve ging de organist van start en trok de gemeente het lied in. Dat ging goed tot aan het refrein. Om de een of andere mysterieuze reden besloot hij de gemeente te trakteren op een bonus-tel tussen de vier "Halleluja, Glorie Halleluja's" in. Verwarring alom. De gemeente op de automaat; doorzingen en doen alsof er niets aan de hand is terwijl de organist gewoon zijn eigen dingetje deed. Het resultaat was dat het orgel drie tellen na de gemeente bij de finish aankwam.
Gelukkig is daar het tussenspel waarmee de schade wordt hersteld en de boel weer wordt gesynchroniseerd. Nadat de organist terugkeerde van zijn geïmproviseerde uitstapje herhaalde het geheel zich dus nog eens drie keer. Om de spanning die was ontstaan enigszins op te heffen en er een niet al te serieuze zaak van te maken besloot ik met een "broeders en zusters, de vergelijking met de elfstendetocht dringt zich aan me op; we kwamen allemaal aan, maar wel op verschillende tijden." Dat kon de gemeente wel waarderen en het bood de gelegenheid om 'het rare' van zich af te lachen. De rest van de liturgie konden we zonder al te veel extra maten en tellen afronden.
Altijd wat te beleven in de kerk.

Moraal van het verhaal: altijd op je tellen blijven passen

10 september 2018

Waarom 'waarom?' eigenlijk niet mag en ik het toch doe.

In mijn 'tak van sport' is het ongewenst om de waarom vraag te stellen. Het schijnt ongepast en politiek incorrect te zijn om iemand te vragen waarom men iets vindt, denkt, doet, of laat. Het zou te confronterend en te pretentieus zijn; wie ben ik dat ik de ander ter verantwoording roep.
Om boze blikken van collega cursusleiders, trainers, personeelswerkers en agogen te voorkomen beweeg ik al jaren op deze trend mee en gebruik taal en vorm die de waarom vraag (on)kundig vermijdt.
"Kun je me helpen begrijpen wat deze reactie veroorzaakte?"
"Ik krijg de indruk dat ik ergens een zenuw bij je heb geraakt. Klopt dat?" Vervolgens laat je een stilte laten vallen waarbij er een kans is dat je gesprekspartner het waarom van zijn/haar reactie poogt te verwoorden.
"Kun je andere mogelijke reacties bedenken in een dergelijke situatie?"

De lijst is lang. Heel lang.

Gisteren, op de vroege zondagochtend, tijdens een twee uur durende rit naar Friesland waarbij ik vrijwel alle asfalft voor mezelf had en niets anders te doen had dan naar dat asfalt te staren, mijmerde ik daar over door en heb het besluit genomen om niet langer die zachte golf te besurfen. Ik ga weer waarom vragen. Niet te pas en te onpas maar daar waar gepast.
De indirecte benadering van de waarom vraag is net zo pretentieus, zeker als er geen relatie aan ten grondslag ligt want ook een antwoord op de zachte, indirecte, naar beweegredenen zoekende vragen vereist enige mate van vertrouwen. En hoe je de vraag naar de beweegredenen ook aanvliegt, het is en blijftt een synoniem van waarom.
Een vriend mag mij de directe waarom vraag stellen. Geen probleem.
Ook drie waaroms achter elkaar ervaar ik niet als een probleem of als bemoeizucht. Een antwoord op de eerste waarom kan zomaar aanleiding zijn om de motieven wat verder af te pellen en tot de kern van een probleem te komen.

Grote zaken, die de Eeuwige aangaan, snap ik niet en ik loop dan ook met het een en ander aan waaroms rond. Is dat erg? Welke theologische of filosofische antwoorden op de waarom vraag dan ook, ze rammelen allemaal en kunnen de zaak niet dichttimmeren. Achter de komma blijft een emmer vol aan mysterie over. Vraag maar eens door als iemand het denkt te weten; waarom geloof je dat? Waarom denk je dat dit de juiste visie of benadering is? Waar je waarschijnlijk uitkomt (wel blijven doorwaarommen) is een subjectieve beleving met gaatjes.


Onlangs bekeek ik het interview dat J. John had met Andrew White. Andrew White was tot 2014 predikant in Irak en heeft als bijnaam "Vicar of Bhagdad." Een zeer markant persoon die de donkere kant van het leven heeft ervaren. Hier is een kort fragment (1 minuut) waar hij ingaat op de vraag hoeveel van zijn stafleden (en kinderen) gedurende zijn leiderschap zijn vermoord. Als je tijd hebt bekijk dan hier het hele interview van een uur. Ik kan je beloven dat het je ziel diep zal raken!
Ter verheldering: Andrew Ahite heeft al jaren MS en dat heeft zijn spraak aangetast (vandaar dat je je afvroeg: "Waarom praat die man zo eigenaardig?)

Met de waarom vraag raken we het leven daar waar het ertoe doet en verdoezelen we de zaak niet meer. Waarom confronteert ons met de harde werkelijkheid van zaken die we niet begrijpen of kunnen doorgronden. En als het dan om grote dingen gaat waar we echt geen antwoord op hebben is het beter om er gewoon maar voor de ander te zijn, zonder het op proberen te lossen of een atwoord in elkaar te fabrieken. Een arm om de schouder is beter dan een lek antwoord.

Nu zijn er ook wel mensen die uit zelfbehoud woorden gebruiken als "het moest zo zijn,"  of "Gods wegen zijn ondoorgrondelijk." Ik denk echter dat deze berusting in het lot (want dat is het) niet de beste optie zijn. Als copingmechanisme werkt het voor een tijdje maar onherroepelijk komt men uiteindelijk weer uit bij waarom. Waarom dat zo is? Omdat het lot uiterst willekeurig en onbetrouwbaar is. Met dat soort gedoe willen we toch zeker niets van doen hebben?

03 september 2018

Kattenkop met hondenlijf en paardenstaart

Een verhaal lijkt wel wat op een dier: kop, lijf, staart. Die drie samen maken het tot een herkenbaar geheel.
Een van de vreemde trekjes die ik heb, trekjes waarvan sommigen zich maar moeilijk laten plooien, is dat als ik tijdsdruk ervaar de (on)bewuste neiging heb om "minuten te winnen." Zo wilde het geval dat er onlangs in de samenkomst waar ik sprak er al bijna een uur voorbij was toen mij het podium gegund werd. Omdat er na de preek ook avondmaal gevierd zou worden (wat vrijwel altijd en overal minimaal een half uur in beslag neemt) en ik mededogen met het publiek wilde tonen, besloot ik de kop van het dier te hakken. Vervolgens construeerde ik hapsnap een andere korte kop in de veronderstelling hiermee tijd te winnen. Daarna ging het bergafwaarts. Het lijf had nog wel wat te bieden maar de staart hing er vervolgens wat losjes bij. De mist tussen mij en het publiek trok langzaam en dik op. Dat zie je en dat voel je. Dus doe ik er vervolgens alles aan om de zaak te repareren om de mist te zien verdampen. Maar nu duurt het hele verhaal zelfs langer dan gepland en het publiek drijft verder en verder van me af en ik voel me meer en meer alleen staan; dit komt niet meer goed!

Nu krijg ik na mijn preken slechts zelden directe feedback. Nu wel: "ik heb geen idee waar je mee naar toe wilde nemen," was een terechte reactie. Omdat ik in deze kerk in de loop der jaren wel wat krediet heb opgebouwd zullen ze het waarschijnlijk wel door de vingers zien en me een volgende keer weer met een glimlach welkom heten maar een beste beurt was het niet.

Vraag: Wat heeft de spelende vrouw hiervan geleerd?
Antwoord: Nooit met de kop van een dier rommelen!

Ik lees graag en veel. Het soort boeken dat ik bij voorkeur lees (theologie, filosofie, psychologie) hebben vaak een behoorlijk lange inleiding of introductie. Vroeger sloeg ik die (om tijd te winnen?) over en ging direct door naar het "echte" werk. Dat heb ik inmiddels wel afgeleerd. Een inleiding lees ik nu vaak zelfs twee keer en wel om de volgende reden: als ik een antwoord lees zonder dat ik de vraag weet dan zegt dat antwoord niet zoveel, of leg ik verbindingen die de schrijver helemaal niet bedoelde.
Een goeie kop zet de vraag helder neer. Het lijf blijft keurig verbonden met de kop en de staart maakt het verhaal netjes af. Het resultaat is dat je gewoon een mooi beest hebt.
Tegen dat principe heb ik gezondigd en mijn doel (minuten winnen) niet gehaald.

20 augustus 2018

Een patatje zonderling

Na de samenkomst doolde ik met mijn automatenkoffie nog wat rond tussen de druk met elkaar in gesprek zijnde gemeenteleden. Iemand prikte me met een vinger in mijn rug. Ik draaide me om en een semi-bejaarde meneer stelde vragend vast dat ik dus uit Rotterdam kwam. Een betere openingszin is moeilijk te bedenken. Mijn verse gespreksgenoot kwam daar dus ook vandaan, hoewel hij ten zuiden van de rivier woont. Da's toch anders.

Wat bracht hem hier? Komt u hier vaker?
"De Heer" en "nee," waren de antwoorden.
Mijn "wat bracht u hier, meneer" was de vraag waar hij blijkbaar op had zitten wachten.
Wat volgde was een verhaal van het uit twee kerken te zijn gezet en hoe de Heer hem vervolgens duidelijk had gemaakt dat de beste man uitverkoren was om privéonderwijs van de levende God te ontvangen; "zoals de Heer van aangezicht tot aangezicht met zijn dienstknecht Mozes sprak, zo spreekt hij ook met mij."

Ik realiseerde me meteen dat ik in bijzonder gezelschap verkeerde. Iemand die een directe verbinding met God heeft, daar moet je zuinig op zijn en heel goed naar luisteren. Het gehalte aan openbaring dat volgde viel me enigszins tegen. Wat ik kreeg was een relaas over de zuiverheid van de Statenvertaling en hoe God zich slechts openbaart middels de zuiverste vertaling. Juist ja.
Hoewel de Heer hem dus duidelijk had gemaakt dat hij in de dienst moest zijn waar ik die morgen toevallig sprak, werd me al snel duidelijk dat hij niet de opdracht had gekregen om naar de preek te luisteren. Anders had mijn verhaal over hoe de mens geneigd is om secundaire zaken gemakkelijk te promoveren tot primaire zaken om er vervolgens mee aan de haal te gaan om het tot kernpunt van een persoonlijk missie te maken, wellicht wat irritatie bij hem gewekt. Nee, het was helder dat het idee dat een vertaling, of het verliefd zijn op eigen kennis en interpretatie een afgod kon worden bij hem aan dovemansoren was gericht. Een kenmerk van dit soort lieden is dat ze slecht of niet langer naar anderen luisteren. De kerk kan een afgod worden, zo ook de liturgie, de samenzang, de eigen ervaring, een leider of predikant en ga zo maar door.

Omdat ik mensen zoals hierboven beschreven regelmatig tegenkom en spreek, houdt de vraag wat hen bezielt mij regelmatig bezig. Ik ben tot de voorzichtige conclusie komen dat, als ze verder normaal functioneren en er geen sprake is van enige chemische onbalans in de hersenen, de stellige,  doch begoochelde ideeën een resultaat zijn van onzekerheid. De onzekere klampt zich redelijk gemakkelijk vast aan het vermeende zekere. Het geeft namelijk het houvast dat men buiten dat geloof mist.
Het geloof heeft met de wetenschap gemeen dat het steunt op dogma's, de fundamenten waarop de bouwstenen van de geloofsconstructie, of wetenschapsconstructie worden geplaatst die uiteindelijk tot een "logisch" geheel leiden.
Het idee dat taal en beeld (zie ook mijn vorige blog) slechts uitdrukkingen zijn van iets dat veel groter, dieper, onbegrijpelijker, en ondoorzichtiger is, gaat er bij sommigen niet in. Het vraagt echter niet al te veel verbeeldingskracht en redeneringsvermogen om in te zien dat beeld en taal altijd beperkt zijn in hun vermogen om dat diepere te vertalen. Vandaar dat we bijvoorbeeld zeggen: "woorden schieten tekort." Als het gevonden woord of het gecreëerde beeld wordt verabsoluteerd, is er sprake van een afgod.
Het wezen van geloof en wetenschap is dat ze nooit "uitgedogmaad" zijn. Dat is ook de schoonheid en aantrekkingskracht van zowel geloof als wetenschap. Dat wat we menen te weten dient voortdurend  te worden blootgesteld aan de werkelijkheid en onderworpen aan tests. Dat is geen bedreiging en kan slechts leiden tot een treffender beeld of woord en een robuuster "weten,"

Ik wens mijn gespreksgenoot het allerbeste (en zo weinig mogelijk slachtoffers) toe en mijzelf meer geduld. Ja, ik verlies mijn geduld vrij snel. Helaas komt dat de zaak niet ten goede.

14 augustus 2018

Vriendelijke woorden zijn als honing

Na uren in vliegende buizen met vleugels te hebben doorgebracht, spuwen de tientallen passagiersbruggen die de vliegmachines met het luchthavengebouw verbinden hun honderden passagiers uit. Vermoeid, enigszins gedesoriënteerd, geïrriteerd, een enkeling nog enigszins fris, volgt de massa de bordjes die naar de verlossende uitgang, toiletten of (minder verlossende)
doorverbinding wijzen. Aan het eind van de tunnel zingt een man. De breed glimlachende Afro-Amerikaan zingt de passagiers een welkom toe en dirigeert de uitgang zoekende passagiers naar links en de doorverbindende passagiers naar rechts. Met weidse gebaren onderstreept hij zijn woorden. De tot dan toe redelijk in zichzelf gekeerde massa verandert zichtbaar. Hoofden gaan omhoog, irritaties verdwijnen als sneeuw voor de zon en het aanstekelijke optimisme van de zanger tovert bij de meeste een glimlach op het gezicht. 

Ik had al enkele keren het voorrecht gehad om bij aankomst in New York de beste man te treffen. Tijdens het landen vroeg ik me af of hij er vandaag weer zou staan. Ik hoopte het van harte, temeer ik zo'n passagier ben die gemakkelijk door irritatie en andere gevolgen van reisstress overmand word. Het besef drong tot me door dat deze vriendelijke man in mijn hoofd was gaan zitten.
Ja, hij stond er weer en ik kon mezelf niet helpen of tegenhouden; zijn optimisme en vriendelijkheid spoelden alle stress van me af zoals een welkome douche het zweet en vuil van het lichaam spoelt. Na zo'n douche voel je je weer helemaal mens.

Na zonder al te veel moeite alle vliegtuigvoedsel dat me gedurende de reis was aangeboden te hebben geweerd, was ik nu wel aan een gezonde hamburger met frietjes toe en parkeerde mezelf bij de eerste de beste fastfoodtent die ik in de aankomsthal tegenkwam. Net toen ik de hamburger in een houdgreep had en richting mijn gezicht bewoog zonder dat er al te veel spul van tussen de broodjes wegsijpelde, vroeg een man of de stoel naast me vrij was. 
Hé, die man ken ik. Dat is de man die passagiers al zingend welkom heet in het land waar alle dromen (kunnen) uitkomen. Het was zijn lunchpauze en uiteraard greep ik de gelegenheid aan om hem eens ernstig te ondervragen.
Zijn optimisme was voor hem een logisch gevolg van zijn geloof en hij vertelde me hoeveel voldoening het gaf om een lach op het gezicht van vermoeide passagiers te zien verschijnen: "Dit is mijn missie en ik heb dit tientallen jaren met veel genoegen en voldoening mogen doen." 
"Hoezo, mogen doen?"
"Wel, jongeman, vandaag is mijn laatste dag. Ik ga met pensioen."
Fijn voor hem, een verlies voor New York!

Nu, jaren later, zit hij nog steeds in mijn hoofd en ik realiseer me dat er niet zo bar veel nodig is om deze wereld een iets betere plek te maken. Ik denk regelmatig aan hem als ik weer eens in de reisstress dreig te geraken (of er middenin zit). Op zo'n moment zeg ik dan stilletjes "sorry," en het gewicht dat ik draag wordt wat lichter. 
  
Spreuken 16:24 Vriendelijke woorden zijn als honing voor de ziel en als medicijn voor het lichaam.


07 augustus 2018

Behelpen met beelden

Her en der ontmoet ik ze; mensen die claimen God te hebben gezien, of gehoord. Ik voel altijd iets van jaloezie als ik bijvoorbeeld hoor: "God zei tegen me....", of "God verscheen aan mij in een droom." Het blijft echter altijd wel in wat abstracte vaagheid hangen. Ik moet de eerste nog tegenkomen die vertelt dat hij in een café een cola light aan het drinken was en dat God naast hem kwam zitten en een gesprekje met hem begon. Als ik doorvraag over het hoe, wat, waar en de omstandigheden en of, als ik er bij was geweest ik precies hetzelfde gehoord of gezien zou hebben, blijkt het een "sterke indruk" te zijn geweest; "het klonk, leek heel echt".
Het "probleem" met het horen en/of zien van God is dat dit altijd plaatsvindt binnen de overweldigende beperkingen die inherent zijn aan beeld en taal. Voor zover we weten is God een "ondoordringbaar licht", of "woont in een ontoegankelijk licht" (1 Tim. 6:16).
Licht kun je niet zien, hoewel we in het gangbare taalgebruik wel zeggen "ik zag een licht." Dat laatste kunnen we alleen maar zeggen omdat het betreffende licht de omgeving zichtbaar maakt. Licht kun je slechts beschrijven en daarvoor gebruiken we taal en beelden.
Licht als metafoor voor God is wellicht het sterkst beschikbare beeld: als object onzichtbaar en tegelijk alles zichtbaar makend.

Credit: Atelier Ed Boelaarts
Een tijd terug vertelde iemand me dat hij Jezus in een droom had gezien; "althans, ik denk dat het Jezus was want hij leek er precies op". Dit nu is een klassiek voorbeeld van wat we als mensen doen; we vormen beelden in onze gedachten. Helemaal niets mis mee want we kunnen niets anders dan werken met wat we aan beeld en taal voorhanden hebben. Het wordt een "issue" wanneer we in het beeld dat we hebben gevormd gaan geloven - de basis voor fundamentalisme in alle verschijningsvormen en de vrijwel altijd daarmee gepaard gaande zendingsdrang  (economisch, sociaal, politiek, spiritueel, enz.).

Beelden spelen een belangrijke rol in hoe we naar de wereld kijken. Ze zijn zelfs essentieel. Beelden zijn dan ook onmisbaar voor onze geloofsvorming. Een beeld kan echter nooit het geloof vervangen. Sterker nog, beelden kunnen zomaar een obstakel zijn voor het geloof in God. Wellicht dat geloof pas mogelijk is na een radicale beeldenstorm! Zonder beelden kan ik me nergens meer aan vast houden. Het enige dat overblijft is vertrouwen op en in dat Licht!
Een van de redenen dat Jezus zo belangrijk is in het christelijke geloof is dat, wat niemand ooit gezien heeft, door Hem zichtbaar en tastbaar is gemaakt.

23 juni 2018

Waar moet dat heen met al die room (in Jezus naam)?

Het Evangelie is niet het beste verdienmodel hoewel sommigen de bekwaamheid hebben ontwikkelt om er een of meerdere vliegende slaatjes uit te slaan. Geen enkel argument dat deze lieden aanvoeren om deze spilzucht te rechtvaardigen, die feitelijk niets anders is dan het voeden van hun narcistische ego, houdt stand. De misplaatste 'geest van grandeur' bestaat al sinds mensenheugenis en wordt op alle terreinen en in alle lagen van de samenleving gevonden.
Herkenbaar is de massale verbazing en verontwaardiging van de ene groep over deze verkapte vorm van indulgentia*, waartoe de andere groep zich toe laat verleiden.

Er zijn verschillende manieren waarop men toch aan het Goede Nieuws van God weet te verdienen. Het "seedgift" fenomeen is een creatieve en vergeestelijkte vorm van het piramidespel. De predikanten die de goedgelovige en argeloze toehoorder voorhoudt dat het tientje dat vandaag gezaaid wordt toch zeker door God vermeerderd zal worden tot minimaal het tienvoudige zal, omdat hij aan de top van de piramide staat en zeer 'afroomkundig' is, de waarheid van deze belofte kunnen aantonen aan de hand van zijn persoonlijke getuigenis; voilà, het werkt! De mindere goden onder hem zullen, daar de meeste room al is weggeschept, het met een beduidend lager rendement moeten doen. Helemaal onderaan de piramide wachten de gelovigen voor wie dat tientje best wel veel geld is, geduldig en gelovig af op de inlossing van de belofte van bovenaf.

Als het om geld gaat zijn gelovige leiders er snel bij om uit het Oude Testament te putten en hun oproep om te geven dik onderstrepen met verhalen en principes die daar te vinden zijn. Een typisch Nederlandse discussie is dan de vraag of de voorgeschreven weg te geven tien procent van het bruto of van het netto salaris dient te worden afgeleid. Daar waar het gaat om sancties op andere in het Oude Testament voorgeschreven overtredingen van gewenst gedrag, wordt sneller naar het Nieuwe Testament gekeken. Met andere woorden, de druk en aanmoediging om te geven wordt zwaarder gevoeld dan de aanmoediging om overspeligen te stenigen, om even een dwarsstraat te noemen. 

Bovenstaande gedachten en andere fladderende hersenspinsels kwamen als vanzelf bovendrijven toen ik enkele weken terug een gesprek had met een jong echtpaar waar ik in Ecuador bij verbleef.
"We zijn op God aan het wachten," was het antwoord op mijn vraag wat hun volgende stap was. Mijn nieuwe vrienden hadden met veel passie uit de doeken gedaan wat ze graag met hun leven, hun talenten, gaven en passies wilden doen. Het klonk allemaal realistisch en in principe haalbaar en ik werd er lichtelijk enthousiast over. Het antwoord op mijn vraag klinkt best wel geestelijk en spreekt van een vertrouwen op God dat voorbeeldig is. Wat houdt dat wachten dan precies in? Wel, in vrijwel 99% van dit soort situaties staat het gelijk aan "mijn portemonnee is leeg en die moet eerst gevuld worden." Ik kom al ruim 20 jaar een of meerdere keren per jaar in Latijns America en dit is zo'n beetje het standaard antwoord: "I am waiting on the Lord." Op mijn vervolgvraag "bedoel je te zeggen dat je geen geld hebt?," krijg ik dan de reactie: "ja, zo zou je het ook kunnen zeggen."

 Als de kerk geeft zou dat zo min mogelijk aan zichzelf, of de instandhouding van zichzelf moeten zijn. De uitbreiding van die kerk middels het handen en voeten geven aan het Goede Nieuws in alle mogelijke vormen binnen het Woord en Daad continuüm, zou haar prioriteit moeten zijn. Voor de meeste kerken is de uitbreiding van die kerk (op die plaatsen waar nog geen kerk is) echter een sluitpost op de begroting (als het al op de begroting staat). De kerk is erin geslaagd binnen de opdracht om Christus liefde uit te dragen een eigen verdienmodel te creëren.

Een kerk waar ik bijzonder trots op ben is mijn "eigen" kerk (De Brandaris). In 1978 (toen Martha en ik er bij kwamen) nog een kleine groep die in een huiskamer bijeenkwam. Nu een middelgrote kerk ik Rotterdam van waaruit andere kerken zijn ontstaan (De Terp in Capelle ad IJssel en de Driehoek in Bleiswijk). Waar ik enthousiast over ben is de filosofie die nuchter en gezond klinkt en waar je maar moeilijk "tegen" kunt zijn: De kerk bestaat om te investeren in haar uitbreiding (wel erg kort door de bocht). Niemand ontvangt een salaris. Iedereen is vrijwilliger. De collectes die op zondagen worden opgehaald gaan naar wat we Zending en Evangelisatie noemen. Een onderdeel van de filosofie is ook dat als je met enkele honderden gelovigen bij elkaar bent je alle gaven en bekwaamheden in huis hebt om die groep te onderhouden en te doen groeien. Ik zeg wel eens tegen collega's die vragen hebben over dit afwijkende kerkmodel dat als iemand zich in de Brandaris geroepen voelt om dominee, kerkelijk werker of wat dan ook te worden, we deze persoon wegsturen (zenden) - de wereld in om die roeping gestalte te geven op die plekken waar het nodig is.

Ik ben eigenlijk nu alweer vergeten waarom ik deze blog ook al weer ging schrijven. Noem het maar gedachteflarden die losjes met elkaar zijn verbonden.
O ja, ik heb hem weer: Mijn nieuwe vrienden kunnen niet gaan en dat achtervolgt mij al drie weken. Helaas is de gemiddelde kerk in Latijns Amerika ook meer geïnteresseerd in de uitbreiding van het zelf (in beperkte zin) dat vaak ten koste gaat van andere bestaande (levende) kerken. Laten we wel wezen, ook de meeste nieuwe evangelische clubjes die in Nederland uit de grond schieten zijn feitelijk niets anders dan vluchtelingenkampen met de illusie van groener en sappiger gras. En groen en sappig gras vraagt om meer plaatselijke room terwijl we, althans verhoudingsgewijs, al omkomen in de melk (halfvol, vol, mager, bio, houdbaar, karne en daarvan afgeleiden; een onzinnige luxe.

Hartelijke groet, Een zeer bevoorrecht en gezegend mens met een trouwe vriendenkring en kerk die mij al meer dan dertig jaar in staat stelt om mijn werk te doen.

* Indulgentia of "aflaat" is de kwijtschelding voor God van tijdelijke straffen (penitentie) voor zonden die, wat de schuld betreft, reeds vergeven werden.

15 juni 2018

Klemzitten in het leven

Of de stoelen worden steeds smaller, of mijn schouders worden breder. Ik ben de twee opties aan het overwegen terwijl de een na de andere passagier, omhangen met en omgeven door een halve verhuiswagen aan spullen, zijn en haar weg zoekt naar het rijtje waarin zich de hem en haar toegewezen stoel bevindt. Met stoïcijnse blikken, gericht op een vast punt achterin het vliegtuig, of starend naar de instapkaart (alsof het daarop afgedrukte stoelnummer onverwachts zou kunnen verspringen) wordt een deel van de spullen die ze voor, op, boven, achter en naast hun lichaam hebben gehangen aan mijn schouder afgeveegd. De overhellende schouder vormt een irritant obstakel. Ik kan echter niet verder de andere kant op leunen. Ik hel wat extra het gangpad in zodat sommige passagiers vast komen te zitten tussen mijn schouder en die van mijn buur aan de andere kant van het gangpad; ik zal ze leren! Altijd spannend wie het eerst sorry zegt.

Les: volgende keer toch maar weer bij het raam zitten en niet aan het gangpad.
Mijn directe buurman zal de komende dertien uur geen moment stilzitten en om de twee minuten luid zuchten. Een zuchten dat de wens verbergt dat iemand hem naar zijn reizerij gaat vragen en hem de gelegenheid geeft om uitvoerig te vertellen over ongemakken die hij heeft moeten doorstaan, hoe erg het reizen is en wat slaaptekort met je doet. Ik geef niet toe aan de bijna onweerstaanbare drang om hem een opening te geven en houd dertien uur mijn kaken op elkaar.
Het is gek hoe de beleving van dertien uur in de lucht ervaren wordt als zeer traag verlopende tijd. De wijzers zijn niet vooruit te branden. Er zal wel een relatie bestaan tussen nietsdoen en tijdsbeleving. Het gekke is dat als je die tijd in de lucht later samenvat, je er maar weinig van kunt herinneren. Alleen dat het lang duurde en er niets gebeurde. Zet daartegenover dertien uur waarin je extrreem productief bezig bent, verschillende dingen onderneemt en tal van mensen ontmoet. Die tijd vliegt voorbij en je hebt een uur nodig om een samenvatting te geven. de samenvatting van dertien uur in een vliegtuig waarbij je vrijwel niets doet is in twee zinnen klaar.

Ik dacht aan de beleving, de verspilling en het gebruik van tijd toen Joseph Roth in zijn Radetzkymars de volgende observatie over de hoofdpersoon neerpende: "Het leven scheen sneller te gaan dan de gedachten. En voor hij een besluit genomen had was hij een oude man."
Steeds minder vaak leef ik alsof ik nog een heel leven voor me heb. Statistich gezien heb ik 70% opgemaakt en ben me steeds meer bewust van hoeveel tijd ik weg heb laten lekken en ben nog aan het besluiten of ik spijt  moet hebben van die lekkage's of niet.
Het is een vreemde gewaarwording te beseffen dat we een klein deel van ons leven bezig zijn met het onszelf omhangen met allerlei hinderlijke en vooral onnodige bagage. Het meeste daarvan is ongewenst en ongewild; het is ons omhangen door anderen en omstandigheden. Vaak is de mens zich er niet eens van bewust dat het uitsteekt en zichzelf en anderen belemmert. Ik heb het dan over die bagage die ons in de weg zit, ons klem zet tussen ons bekenden en onbekenden en een vrije doorgang belet.
We leggen onze levensreis af mèt die bagage waarvan we ons wel of niet bewust zijn. Misschien dat zij die zich er niet bewust van zijn er de minste hinder van ondervinden en het beste af zijn. Zij die zich er wel bewust van zijn, zijn een belangrijk deel van hun leven (vaak tot aan het eind) toe bezig om te begrijpen waar het vandaan komt en er vanaf te geraken en dat kan gerust een obsessie worden.
Wellicht is de meeste gezonde optie wel van allebei een beetje. Èn stoicijns èn bewust. Ik weet het niet goed en wil er ook niet te lang over nadenken met statistisch nog 30% energie in de batterij.

04 juni 2018

God lijkt toch wel heel ver weg.

Ja, God is ver weg en doet wat Hij wil. Dat is best wel heftig. Ik heb liever een God dichtbij dus maak ik er een van iets waarvan wij vinden dat het kostbaar of zelfdzaam is. Zilver, of goud. Misschien wel platinum.
Kijk nou, die God lijkt op een mens. Oren, neus, mond, handen. Maar geen zintuigen. Het lijkt op iets maar doet niet wat dat iets normaliter wel doet.

Toch lijkt de mens een God te verkiezen die naar eigen beeld en inzicht is gecreëerd; "Mijn God is niet, of wel, zo." Het referentiekader voor een beeld van God is het zelf van de mens of het beeld dat ons wordt opgedrongen en verkocht door invloedrijke mannen en vrouwen die het goed doen op tv of in boeken.
Bron
Dogma's zijn als gewapend beton. Eenmaal uitgehard kan het alleen met grof geweld gesloopt worden. En dat is een enge gedachte omdat er niets overblijft waar je iets aan kunt hangen.
Het is wel aantrekkelijk om met een god te leven die je in je broekzak of handtas mee kunt sjouwen. Problemen ontstaan als die god het op de lange duur niet meer doet. Want wat moet je dan.

De dichter van de honderdvijftiende psalm probeert het nieuws dan ook niet te verzachten: God is ver weg en doet wat Hij wil. Een kort zinnetje dat misschien helpt te begrijpen waarom het tweede van de de tien geboden de mens verbiedt om een (gesneden) beeld van God te maken. Geen enkel beeld doet recht aan het mysterie. Elke poging om Hem in een beeld te vangen schiet tekort. De beelden die we van God hebben laten slechts aspecten zien. God overstijgt ieder beeld en alle beelden samen.

Misschien is dat wel geloof. Jezelf toestaan om te geloven in de onzienbare, de ontastbare; Hij die ver weg is en zich niet laat vangen in woorden, beelden of gedachten. Hij die trouw is en het werk dat hij begon, af zal maken.
Het enige houvast dat je daarbij hebt is dat ergens ver weg, in de diepste diepte Hij de meest aanwezige is.

Het verhaal stopt hier niet. God heeft een gezicht gekregen. Jezus Christus toont ons God en het dogma wil dat in Hem alle dillema's, paradoxen en mysteries opgelost zijn en het ontastbare, verre van God samenvalt met het tastbare en nabije. Maar het geloof is geen rekensom, al doen sommigen het voorkomen dat het echt net zo simpel is als één plus één twee is. Dat laatste is alleen maar simpel als het om twee gelijkwaardige en identieke zaken gaat. Het "probleem" met het geloof is dat het nooit gaat om identieke eenheden. Het is altijd ingewikkelder en de werkelijkheid weerbarstiger.

Gedachten bij Psalm 115

De gevende mens is een beter mens

Ik las onlangs het boek The Storyteller of Auschwitz van Siobhan Curham. In een van de eerste hoofdstukken ontmoet de hoofdpersoon, de Jood...