18 januari 2016

God in het kippenhok

Jarenlang was het kippenhok de enige stabiele omgeving die Sujit kende. Hij leerde, zoals alle kinderen doen, door imitatie. Zijn voorbeelden waren kippen, en daarom gedroeg hij zich als een kip. Hij hopte rond als een kip, hield zijn handen gevouwen als klauwen en fladderde met zijn armen. Hij pikte naar zijn voedsel, kukelde als een haan en nestelde zich op de vloer als hij ging slapen.[1]

Het tragische leven van “kippenjongen” Sujit Kuma en andere voorbeelden van (ferale) kinderen die opgroeien in een dierlijke omgeving toont onder andere aan in welke mate onze sociale omgeving een rol speelt bij ons gedrag, taalvorming, wereldbeeld, enz..

Ik moest hieraan denken toen iemand mij er onlangs op wees dat we voor het begrijpen van God slechts de Bijbel nodig hebben. Het idee daarachter zou zijn dat God dan zelf zou zorgen voor het nodig inzicht, een zuivere beeldvorming en interpretatie. De talloze boeken, verklaringen en duizenden jaren van zwoegen om te begrijpen door grote en kleinere namen, zou slechts ballast zijn en vooral onwelkome stoorzenders die een helder en authentiek begrip in de weg staan.

Het idee van een een-tweetje tussen God en mij (uiteraard met behulp van de Heilige Geest als vertaalstation) is, hoezeer ik het idee erachter begrijp – het idee dat een objectieve, ultieme autoritaire uitleg bestaat en mij persoonlijk wordt geopenbaard - niets meer of minder dan een illusie en een vrucht van het neo-liberale individualistische denken. Tegelijkertijd, en de eerlijkheid gebied me dit te melden; de apostel Jacobus stimuleert het idee van dit een-tweetje.[2] 
Echter, omdat de Bijbel in een “wij context” is geschreven en bedoeld, is het wel zo sportief om het “wij-idee” vast te houden bij de interpretatie ervan. Een voorbeeld van het verkrijgen van inzicht door er heftig naar te speuren is onder andere in Spreuken 2 te vinden.[3]
Stel je voor dat ik zou besluiten om op mijn 27ste verjaardag alles wat ik ooit gehoord, geleerd en gelezen heb overboord te gooien en opnieuw te beginnen: een frisse nieuwe Bijbel, een maagdelijk witte Moleskine (met zwarte, harde kaft), een setje balpennen en vertrouwen op de vooral in mysterie gehulde Heilige Geest. Het idee is tegelijk dolletjes en naïef.

De beelden, begrippen, inzichten, wereldbeelden en overtuigingen; de hele rataplan is onmogelijk ongedaan te maken. Ik ben het “slachtoffer” van mijn eigen socialisatie en heb daarin weinig te kiezen. Wellicht dat enige ombuiging mogelijk is maar dat lukt me nooit alleen. Het Bijbelse idee van leven en leren in gemeenschap waarbij ik me nooit alleen tot God verhoud, maar altijd ook tot de ander is het instrument dat een rol speelt ik het herzien en/of hervormen van beelden, gedachten en interpretaties.
In het Judaïsme en Christendom speelt interpretatie een voorname rol. Het "gemeenschap" zijn betekent onder andere dat we met en van elkaar leren en elkaar, dus ook elkaars interpretatie voortdurend bevragen. Het idee dat het slechts tussen God en het individu zou gaan impliceert een "ongefilterde infostroom". Met andere woorden wat ik beleef, voel en denk zou zuiverder zijn dan wat ik samen met en door anderen leer, hetgeen niets anders dan besmetting zou zijn. Dat is altijd de oorsprong van sektarisme. Gods scheppingsmodel omvat altijd de ander. Zonder de ander kunnen we niet eens bestaan. Zonder de ander zou mijn wereld nooit groter zijn of worden dan mijn eigen kippenhok. 




[1] Uit “Het maakbare brein” van Margriet Sitskoorn (Bert bakker, 2008)
[2] “Komt een van u wijsheid tekort? Vraag God erom en hij, die aan iedereen geeft, zonder voorbehoud en zonder verwijt, zal u wijsheid geven” (Jakobus 1:5).
[3] Spreuken 2:1-5 Mijn zoon, als je mijn woorden aanneemt, en mijn geboden bij je opbergt, om je oor acht te doen slaan op de wijsheid, als je je hart neigt naar het inzicht, ja, als je roept om het verstand, je stem laat klinken om inzicht, als je het zoekt als zilver, het naspeurt als verborgen schatten, dan zul je de vreze des HEEREN begrijpen, de kennis van God vinden.

17 december 2015

En jawel hoor, negen maanden later...

Het is vandaag precies negen maanden en een dag geleden dat onze laatste nieuwbrief verscheen. Tijd voor een update. Het kost je drie tot vier minuten van je leven om het te lezen. Gelukkig zit je zelf aan de knop van dat besluit.

Klik HIER

Hartelijke groet!

Jan en Martha

14 december 2015

De God waarin jij gelooft, is niet de God van de Bijbel

“De God waarin jij gelooft, is niet de God van de Bijbel;” een conclusie die je zou verwachten van iemand die de Bijbel als Godsopenbaring beschouwt in gesprek met iemand die God ziet als de vader of moeder van een selecte groep bomenknuffelaars, dolfijnenfluisteraars of boerenkaas liefhebbers. Je zou zo’n oordeel niet verwachten van iemand die in gesprek is met een ander iemand die nota bene tot dezelfde geloofsbloedgroep behoort. Alleen maar omdat (in dit geval) de een er andere visie op genezing op nahoudt dan de ander. Het gebeurt en zal helaas blijven gebeuren. Er zijn volgelingen van Christus die hun medevolgelingen het licht in de ogen nauwelijks gunnen.

Bron:
Onlangs had ik een lang gesprek met een stel dat door de zendingsorganisatie waarvoor ze werkten en hun eigen kerk is fijngekauwd, uitgespuugd en doorgespoeld. Het ging niet om moord, diefstal, liegen, bedriegen of wat voor immoreel gedrag dan ook maar om een theologische nuance. Helaas is het geen uniek verhaal. Het klinkt menigeen bekend in de oren. Iedereen kent dergelijke voorbeelden of is zelf het object van een dergelijke heksenjacht (geweest).

Het “probleem” met het geloof is dat het is wat het zegt: “geloof”. Het omgeeft zich met nevelen van abstractie en interpretatie. Om het toch te kunnen verankeren in iets wat houvast biedt hebben we zogenaamde dogma’s. Die dogma’s kaderen het geloof in zodat we er nog wat wijs uit kunnen. Deze ankers worden vastgeklampt en zijn de inzet voor wat we kennen als geloofsstrijd. Ik denk wel eens dat hoe onzekerder de gelovige is, hoe krampachtiger de vastklamping is.

De geloofsreis die we persoonlijk en collectief afleggen is eindeloos. Dat moet mijns inziens worden erkend. Op het moment dat ik me ga gedragen alsof ik er al ben en het allemaal weet, hoe onprettiger ik word in de omgang en dialoog. Dat laatste wordt namelijk een monoloog. Een echt gesprek kan dan niet meer plaatsvinden.

Bron:
In de kringen waarin ik me doorgaans ophoud is vaak te horen dat het oordeel niet aan ons is, maar aan God. In de praktijk kom ik echter heel wat hobbyrechters tegen die zich aardig hebben weten te specialiseren in civiel-, bestuurs-, en strafrecht.

Als God liefhebben en onze naaste als onszelf inderdaad het overstijgende Bijbelse thema is (zoals Jezus de wet samenvat) dan zou dit een dogma moeten zijn waar christenen in de praktijk in uitblinken. Gelukkig zie ik dit om me heen gebeuren. Als de genade die God ons geeft in Jezus Christus mijn hart diep raakt kan ik onmogelijk nog een oordeel vellen zoals in de eerste regel verwoord.

Samen (zie vorige Blog) zongen we het bekende lied “Genade zo oneindig groot dat ik, die ’t niet verdien, het leven vond, want ik was dood, was blind maar nu kan ‘k zien.” Ik kan het niet helpen maar telkens als ik dit lied hoor of zing, tranen van diep binnen in me opwellen. Ik kijk om me heen en zie mensen die zo anders zijn, anders denken en doen, maar allemaal door God geliefd zijn; God die liefheeft zonder te discrimineren. Dat wil ik ook.

23 november 2015

Opzouten met dat traditionele gedoe!?

Acht november 2015

Zo tegen tienen rijd ik het plaatsje Buxton binnen, zet de auto stil en druk het rechterraam open. Zoals verwacht hoor ik ergens klokken luiden, een wekelijks terugkerend pogen om de slapende dorpelingen te verleiden zich ter kerke te begeven. Aangezien ik al wakker, en in Buxton ben, laat ik me deze ochtend verleiden. Sterker, ik ben met dat uitdrukkelijke doel naar Buxton gereden. De (Anglicaanse) kerk blijkt Saint Peter’sFairfield te zijn en ik volg een groepje bejaarden die zich langs voor altoos zwijgende, want begraven, vroegere kerkgangers een weg naar de voordeur schuifelen.

Binnen tref ik een kleine dertigtal 70-plussers, één jonger echtpaar van in de zestig en een nog jonger echtpaar met twee kinderen aan. Het orgel speelt zachtjes een eeuwenoud gezang terwijl achterin het veertien koppige koor in witte gewaden de laatste weerbarstige plooien in voorkeurspositie dwingt. De kerklokken verstommen, wat voor de aanwezigen het signaal is om het geroezemoes te staken en een gepast gedragen houding aan te nemen. In processie begeeft het koor zich naar de hun toegewezen plaats: links en rechts van het altaar, dat aldoor zichtbaar is en in het uur dat volgt knikjes krijgt van iedereen die ook maar iets doet of zegt in de bijeenkomst. Buiten, achter de eeuwenoude glas-in-lood ramen en metersdikke muren, blaft een hond en blijft dat doen.

Behalve de preek weet ik precies wat er gezegd gaat worden door de dominee en de aanwezigen. Het script heb ik al gekregen en in twee minuten gelezen. Sterk liturgisch en bevat voor de routiniers geen enkele verrassing. Het is voorspelbaar en traditioneel. Mocht een van de vroegere kerkleden, die om de kerk heen begraven liggen, de euvele moed hebben om uit het graf op te staan en besluiten om als eerste daad een kerkdienst mee te maken; hij of zij zou zonder enige moeite aanhaken, alsof de tijd heeft stilgestaan.

Ik geniet. Maar waarom? Alles wat ik in de vorige drie alinea’s schreef zou eerder aanleiding kunnen zijn om gek gillend te maken dat ik wegkom.
Waar de evangelische wereld zich bij voorkeur druk maakt om de individuele geloofsbeleving en opteert voor een vrij waaiende Geest van God (die van ons toestemming krijgt om Zijn werk vrijelijk te doen) staat hier het collectief meer centraal; God en ons, God en de wereld, God en de kerk waarbij het kruis en het altaar letterlijk zichtbaar zijn en waarop voortdurend wordt gewezen (al die aandacht op Christus zou zowaar kunnen gaan irriteren).

We vieren avondmaal, zingen mijn favoriete lied AmazingGrace en bidden het Onze Vader. Ook al ken ik geen mens in deze kerk; ik voel me helemaal met deze mensen verbonden. ‘t Is familie.
De preek kan ik me niet herinneren. Wel dat het bijzonder vaag was en minder dan tien minuten duurde. Was niet zo heel erg. Ook weer een belangrijk verschil. In de Evangelische kerk staat de preek centraal; de dienst wordt opgebouwd rondom de verkondiging. In deze kerk is de heel de dienst het Woord. Alles wat gesproken word is Woord. Sommigen zullen dat benauwend vinden; voor mij werkt het bevrijdend.

Uiteindelijk vertrek ik als laatste voordat de koster de deuren sluit.

Terug in de auto zet ik de binnenspiegel recht en zie mijn spiegelbeeld. Ik realiseer me dat ik meer grijze haren heb dan dat ik dacht of wenste en zie in mijn ooghoek de tientallen grijze grafstenen. Ik schud de nare gedachte van me af en rijd het heuvellandschap van Derbyshire in. Stilletjes bid ik het Onze Vader nog een keer. 

17 november 2015

Daar is de Here God niet zo heel erg blij mee, weet je.

De intocht van Sinterklaas zal in veel kerken een aardige aanleiding zijn geweest om het “kindermoment” aan vast te haken. “Ben jij ook wel eens jaloers op je vriendje die een groot cadeau heeft gekregen, terwijl jij een stomme chocoladeletter kreeg?” Het is bedoeld als retorische vraag omdat het correcte antwoord “ja” behoord te zijn. Vervolgens het inkoppertje “als jij jaloers bent moet je weten dat de Here God daar niet zo heel erg blij mee is”.

Als je een poosje naar “de Here God is daar niet zo heel erg blij mee” staart, roept dat onvermijdelijk vragen op. Bijvoorbeeld: bestaat er een soort van glijdende schaal van blijdschap bij God die omgekeerd evenredig is aan het niveau van mijn gevoelens van jaloersheid, of welke andere zaken dan ook die God meer of minder blij zouden maken? Met andere woorden: Hoe jaloerser ik ben hoe minder blij God met mij is?

Gisteren naar drie preken geluisterd waarin eenzelfde achterliggende gedachte verborgen zit:
  • We moeten liefhebben. (Hoe meer ik liefheb hoe blijer God van me wordt)
  • We moeten geloven in een letterlijke schepping van zes dagen en een heerlijke jonge aarde. (Hoe letterlijker ik de Bijbel neem, hoe meer aaitjes over mijn bol ik krijg van God)
  • We moeten kappen met zelf werken. (Hoe meer ik toegeef dat ik niets kan, hoe beter God uit de verf komt)

Wat is nu mijn probleem hiermee? Mijn liefhebben zal altijd tekorten vertonen. Mijn vragen en worstelingen met de Bijbel zullen waarschijnlijk alleen maar toenemen en dat “zelf werken of hem laten werken” is zo’n abstracte gedachte dat niemand kan vertellen hoe dat dan werkt, anders dan het introduceren van nog meer abstractie, zoals “loslaten” en “overgeven”.

Kortom, een overweldigend gevoel van “ik doe het nooit goed genoeg” heeft zich in de krochten van mijn ziel genesteld en dat wordt vrijwel iedere keer als ik naar een preek luister bevestigd. Maar één ding weet ik en dat is dat er, om even bij de denkbeeldige glijdende schaal te blijven, een kantelpunt is dat werkelijk alles verandert. Dat kantelpunt is Christus. Door een unilaterale daad van Hem ben ik bevrijd, en met God en medemens verzoend. Daar komt geen glijdende schaal aan te pas. Door die daad van Hem en mijn geloof in die daad is mijn werk, mijn leven en zijn mijn relaties bevrijd.

Met andere woorden, ik zie en hoor nog teveel Sinterklaas met een achteloos verborgen maar wel degelijk aanwezige Zwarte Piet in preken en studies, en mis het hoofdstuk over verlossing waarmee alles in een ander perspectief komt te staan en we in een relatie met God staan waarbij synergie[1] centraal staat.

Ik reken het mijn collega's niet te zeer aan, hoor. Wat ik namelijk niet mis is het verlangen dat doorklinkt in veel preken  en verwoordt wat velen voelen: juist omdat we overweldigd zijn door de liefde Gods, willen we het zo graag goeddoen en Hem behagen. Daar is volgens mij niets mis mee.




[1] 1 Corinthiërs 3:9

01 november 2015

Geven maakt gelukkiger dan ontvangen?

Geven maakt gelukkiger dan ontvangen

Met deze woorden moedigt de apostel Paulus de leiders van de gemeente in Efeze aan om, door hard te werken, de zwakken te steunen[i]. De zorg voor, en steun aan gevangenen, zieken, hongerigen, dorstigen, vreemdelingen en naakten wordt door Jezus gewaardeerd als daden op Hem gericht[ii]. Geven wordt hierbij van alle abstractie ontdaan; het is een zichtbare en praktische manifestatie van het koninkrijk van God.

De uitspraak “Geven maakt gelukkiger dan ontvangen”, kan gemakkelijk worden aangewend om een publiek te bespelen; wie wil er immers niet gelukkig zijn? Het “geluk” zou zomaar evenredig kunnen toenemen met de omvang van de gift en wellicht een tienvoudig rendement opleveren…
Ja, de gever kan zich zomaar gelukkiger gaan voelen. De relatie geluksbeleving en geven wordt regelmatig wetenschappelijk onderzocht en aangetoond. Daar waar de mens overeenkomstig Gods scheppingsorde handelt zal men er over het algemeen een goed gevoel aan overhouden.

Talloze publicaties richten zich op het belang van “geven”; de gelukkige optie die tegenover de minder gelukkige optie van “ontvangen” staat. Maar waarom is het “ontvangen” de ondergeschikte optie?
Tussen de gever en ontvanger ontstaat gemakkelijk een positie van afhankelijkheid. In de zendingswereld is het niet ongewoon dat gevers hun gift een specifieke bestemming geven of de besteding ervan met allerlei voorwaarden vergezeld doen gaan. Paulus begreep dat zo’n afhankelijkheidspositie zijn missie niet ten goede zou komen en werkte er hard aan om dat te voorkomen. Hij voorzag in zijn eigen onderhoud en dat van zijn team door, onder andere, bij te klussen[iii]

Waar het op aankomt is dat de gever geeft in het vertrouwen dat de gift wordt aangewend voor het doel dat de ontvanger aangeeft. Hier houdt de verantwoordelijkheid van de gever op. Nu is het aan de ontvanger om een betrouwbaar rentmeester blijken te zijn. De ontvanger is nu verantwoordelijk en daar hangt wel wat gewicht aan.

Geven doen we allemaal (middelen, tijd, aandacht, geld). Een wijze investering is in de doelgroep waar we Christus vinden en dienen: de zwakken. Net als in de tijd van de apostel Paulus is en blijft het teamwerk. Een belangrijke reden waarom we over Paulus lezen is dat hij zich omringde met tientallen mensen die een groot aantal (part time) taken op zich namen. In zijn brieven worden er meer dan veertig met name genoemd en/of bedankt. Het is dankzij de gaven van dit team dat Paulus uiteindelijk in Rome terechtkwam om aan het hof het Evangelie te verkondigen. Als ontvanger van deze bijzondere gaven betaalde Paulus een prijs en was zich voortdurend bewust van de verantwoordelijkheid die dit met zich meebracht[iv].

Om ervoor te waken dat het geven niet wordt gereduceerd tot een administratieve transactie is de relatie tussen de gever en de ontvanger voor groot belang en dient ingebed te zijn in een theologie van gemeenschap[v]. De mens is geschapen om in een gezonde relatie met God, de ander en de schepping te leven en te bewegen; met een gedeelde opdracht maar afzonderlijke taken en verantwoordelijkheden. Daar is niet langer sprake van geven of ontvangen maar van “delen” in de investering en de opbrengst.

Gepubliceerd in het GO Magazine van Operatie Mobilisatie, September 2015, nr 333.



[i] Handelingen 20:32-35
[ii] Matteüs 25:31-46
[iii] Zie Handelingen 18:2
[iv] Romeinen 1:14-16 Hij staat bij de Joden en Grieken in het krijt
[v] Genesis 2:18

28 oktober 2015

Hoe een streep op Canvas toch wel mooi kan zijn





Welk schilderij vind je mooier? De bovenste of de onderste?

De onderste is door mij gemaakt met Paint. De bovenste door Herman de Vries. Die van mij levert niets op, die van Herman waarschijnlijk tienduizenden euro’s. Simpelweg omdat het een Herman is. De streep en de kleur van de streep zijn in beide gevallen “random”, ofwel zomaar neergezet. De naam erachter plus het werkje in de bredere context van overige prestaties bepaald het “gewicht” van een kunstwerk. Kortom, hoeveel gezag draagt de streep? Nu is mijn streep niets meer dan het resultaat van leentjebuur spelen. Herman was misschien wel de eerste die zomaar een streep op een doek zette. En sommigen vinden het prachtig, dapper, gedurfd,  .. noem maar op. Dat van mij is na-aperij, hoewel ik vol zal houden dat Herman de Vries slechts een inspiratiebron was voor mijn werk, dat uiteraard geheel anders is omdat de streep blauw is.

Voor (s)preken gaat eenzelfde vlieger op. Hoe zwaar wegen de woorden die ik spreek? Het meeste spreken is niets anders dan knip en plakwerk waarbij ik ook nog eens de luxe heb dat ik alleen plak wat ik wil dat de ander hoort. De media voorziet ons met een onbetamelijke gretigheid van door haar geselecteerde sound-, en video bites. Die gemaakte selectie is vervolgens alles wat ik heb om mijn mening te plakken. Omdat we over het algemeen gewoon zijn om binnen bepaalde kaders te denken en te spreken en slechts enkelen de durf hebben om buiten die kaders te kijken, laten we ons we als een kudde makke lammeren naar het abattoir van de beschaving masseren. De met name door de media  gecreëerde hetze rondom de vluchtelingenproblematiek is een voorbeeld van het onvermogen, of zelfs onwil, van een grote meerderheid om nog buiten deze geschapen werkelijkheid te durven tasten.

Daar lag ik dus vannacht van wakker. Wat een streep op canvas je al niet kan aandoen. Het toont wel lef. Juist omdat het buiten de kaders van redelijkheid, esthetiek en tijdgeest reikt, hangt het aan de muur in het Kröller-Muller museum, samen met wat andere strepen op canvas.

Toch nog even de link met spreken afmaken. Theologie is een speelveld met kaders. Deze kaders zijn net zo goed onderhevig aan de tijdgeest, maatschappelijke ontwikkelingen en wetenschappelijke ontdekkingen. Dat speelveld is voortdurend in beweging. Velen vinden dat lastig omdat het met dat bewegen aan zekerheden tornt die juist het houvast bieden waar men zo naar verlangt. Ik schuur graag tegen die kaders aan. Of ik ook het lef heb om buiten deze kaders te treden? Ik knip en plak daar volgens mij teveel voor. Het is zeer onwaarschijnlijk dat er ooit een theologische “willekeurige streep op canvas” van ondergetekende verschijnt.

19 oktober 2015

Maar God wil toch dat ik mijn volkorenboterham beleg met Stolwijkse boerenkaas?

Iemand verhaalt in een mail aan vrienden hoe ze (ik maak de persoon voor een beter lopend verhaal een vrouw) uitgenodigd werd om te spreken op een conferentie aan de andere kant van de wereld. Dilemma: ze was al vastgelegd voor een conferentie dichter bij huis. De oplossing lag hierin dat deze conferentie door de organisatoren werd afgeblazen. In de mail lees ik hoe “toen ik de eerste afspraak maakte de Heer al wist en wilde dat ik op de later geplande conferentie zou spreken.” 
Een paar weken later ontving ik een mail met de boodschap dat, na aankomst op de plaats van bestemming, ook deze conferentie op het laatste moment werd afgeblazen.

Hoe verzoenen evangelische christenen een dergelijke speling van het lot (dat overigens niet zou bestaan; alles is immers leiding) met hun werkelijkheid? Dat gaat vrij gemakkelijk en lijkt zelfs geen enkel existentieel dilemma op te leveren: “voordat ik met mijn planning aan de gang ging, wist de Heer al dat ik een week ontspanning in een warm oord nodig had.” Dilemma opgelost.

Ja, echt. Ik verzin dit niet. 

Het idee dat God er is voor ieder detail van ons leven en dat allemaal voor de grondlegging van de wereld al heeft uitgewerkt is zo’n beetje gemeengoed onder vooral evangelicalen.
Zo lang het leven zich in een redelijk constante lijn van voorspoed, gezondheid en niet al teveel persoonlijke ellende ontvouwt, is dit wel vol te houden. Het is echter niets anders dan een groteske vorm van navelstaren; God is er voor mijn welbevinden. De vloek van het individualisme is tot in de kleinste kieren van het christendom binnengedrongen, en dat onder het mom van het claimen wat ons door God al gegeven zou zijn.

Some rights reserved by Peter Casier
Het staat in schril contrast met wat voor duizenden anderen realiteit is:  Stervende kinderen door infectieziektes, uitdroging of oorlogsgeweld. Gezinnen die in de naam van een God of wat dan ook uiteengerukt worden. Een ongekend psychisch en fysiek leed dat zovelen direct en indirect ondergaan…


Begrijp me goed. Ik ben God dankbaar voor een dak boven mijn hoofd, geweldige relatie met kinderen en kleinkinderen, (vaak) boerenkaas op mijn boterham en gezondheid. Veel van waarvoor ik dankbaar ben en kan zijn heeft echter eerder te maken met het feit dat ik het geluk heb gehad in Nederland geboren te zijn. Maar de geestelijk bravoure die aanspraak maakt op Zijn geweldige, verrassende, unieke en individuele leiding met mijn geluk voor ogen is ongepast. Het is aards en een verkapte vorm van hedonisme. Ik schaam me diep en kan het niet uitleggen aan mijn broeder die het vandaag weer eens zonder zelfs maar één maaltijd moet doen. Of mijn zuster wier echtgenoot in de naam van een denkbeeldige God is afgeslacht. Of de zuster/broeder die de Heer al een leven lang smeekt om genezing van een handicap, ziekte of aandoening.
Heer, wees mij genadig!

13 oktober 2015

Achterbankgebed

Zich in een hachelijke situatie bevindend waarbij levens in gevaar zijn, zitten twee vrouwen op de achterbank van een auto. De ene vrouw ziet de naast haar zittende vrouw de ogen sluiten, de lippen bewegen en hoort haar iets onverstaanbaars prevelen. 

"Wat doe je"? 
"Ik bid". 
"Tot wie"? 
"Tot wie er ook maar luistert".




Wat is de essentie van bidden? Je hoeft niet hyperreligues te zijn om te erkennen dat er soms wel eens wordt gebeden; wie weet is er iemand die luistert en iets kan betekenen of doen in een uitzichtloze situatie.

Onlangs duidde ik in een preek de essentie van gebed  door het te zien als een positiebepaling (GPS werkt ook wel) waarbij ik Jezus als voorbeeld nam. We treffen Hem regelmatig aan in situaties waarbij Hij, voordat Hij tot handelen over ging, eerst zijn positie bepaalde. Voordat hij Lazarus opwekt uit de dood heft Hij zijn ogen naar de hemel en dankt de vader. Voordat hij het brood breekt, bij de laatste maaltijd met zijn discipelen, dankt hij de vader. 
Het is het bewustzijn, de erkenning en het belijden dat we zonder de Vader niets kunnen doen. Jezus was zich daarvan bewust en wilde ook niets buiten de Vader om doen.

Waar het mij om te doen is dat we pas constructief en inhoudelijk over zaken zoals gebed kunnen nadenken als we het eerst demystificeren en het terugbrengen naar de essentie. Ofwel; eerst bepalen wat het niet is. Dan blijft onder de streep over wat het wel is.

Mijn oversimplificatie verontrustte enkele gemeenteleden die me nader ondervroegen. Ik had kennelijk de indruk gewekt dat gebed maar iets korts was en of ik kon vertellen wat ik dan dacht over voorbede, aanhoudend bidden en nog wat meer. Ik denk dat ik erin slaagde hen te helpen zien dat als je de essentie niet ziet, de rest allemaal gebakken lucht is; gereduceerd wordt tot een dingetje dat je doet. Pas als de essentie wordt begrepen, krijgt de rest inhoud en betekenis.

Laten we wel wezen, het leven is te onvoorspelbaar, vaak te onverwacht; zozeer zelfs dat we niets anders kunnen bedenken dan een achterbankgebed. En daar is helemaal niets mis mee. Een achterbankgebed is niets anders dan reageren op een situatie is die ik met de middelen die ik tot mijn beschikking heb, niet kan veranderen en afhankelijk ben van iets of iemand buiten mij die die middelen wel heeft.

Rest nog de vraag of er iemand is die luistert. Indien ja, wat mag ik dan redelijkerwijs als uitkomst verwachten? Daarover later meer.

10 oktober 2015

De Nietsnut en de Welnut

Sommige uitspraken van Jezus zijn wat aan de heftige kant. In de Bergrede zegt Hij onder andere "ieder die in woede tegen zijn broeder of zuster tekeergaat, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht. Wie tegen hen “Nietsnut!” zegt, zal zich moeten verantwoorden voor het Sanhedrin. Wie “Dwaas!” zegt, zal voor het vuur van de Gehenna komen te staan". (Mat. 5:22)
De context toont ons dat het bovenstaande gelijkstaat aan doodslag.
Waarom zo'n straf gevolg voor iets wat redelijk onschuldig lijkt? Woorden zijn immers maar woorden. Ja, ze kunnen pijn doen maar om me nu meteen voor de rechter te slepen als ik iemand dwaas noem; heftig hoor.


Iemand een "nietsnut" noemen ging vergezeld met een flinke klodder spuug in het gezicht. Het publiekelijk beschamen van een medemens was een van de gruwelijkste dingen die men kon doen. Rabbi's zeggen hierover in de Talmud onder andere:

1.       Je naaste publiekelijk te schande maken is als zijn bloed vergieten. [1]
2.       Iemand uitschelden is gruwelijker dan hem financieel benadelen (het laatste kan worden rechtgezet, het eerste niet). [2]
3.       Het is beter om samen te wonen met een getrouwde vrouw met een bedenkelijke reputatie dan je naaste publiekelijk te schande maken. [3]
4.       Het is beter jezelf te verbranden dan je naaste in verlegenheid brengen [4]

Jezus' onderwijs over hoe we ons tot onze medemens verhouden gaat uit van het gegeven dat we voor God allemaal eender zijn; we zijn elkaars gelijken. Op het moment dat ik iemand dwaas noem, of een nietsnut, doe ik feitelijk niets anders dan mezelf boven die ander verheffen. Ofwel, de nietsnut maakt mij tot een welnut; een beter mens. Mocht ik daaraan vasthouden dan is de consequentie dat de rechter dan zal bepalen wat voor nut ik dan eigenlijk ben; een niet of een wel. Met het oordeel van de rechter zal ik vervolgens moeten leven.
Het programma "de Rijdende Rechter" illustreert dit. Aan het eind van de aflevering wordt er een uitspraak gedaan die de een in het gelijk stelt en de ander in het ongelijk. Wat de uitspraak niet kan en doet is het herstellen van de relatie. Het is zeer onwaarschijnlijk dat beide partijen ooit nog samen door een deur kunnen of willen. In het nog grotere verhaal wordt duidelijk dat Jezus ons leert dat we het, wat ons betreft nooit zover moeten laten komen. Als we iets van onvrede tussen ons en de ander bespeuren: meteen actie ondernemen. Zo niet, dan zal uiteindelijk het recht haar beloop hebben. En daar wordt niemand vrolijk van.
Dus moet ik besluiten om toch maar een toontje lager te zingen. Dat komt mijn relaties en bloeddruk ten goede.

De gevende mens is een beter mens

Ik las onlangs het boek The Storyteller of Auschwitz van Siobhan Curham. In een van de eerste hoofdstukken ontmoet de hoofdpersoon, de Jood...