03 juni 2009

Jones, deel III en slot

Hierbij het laatste stukje tekst van Jones over het dualisme van het wereldlijke en het heilige (in 1938 door hem geschreven).
Soms roept zijn interpretatie wat vragen op. Maar dat is wel aardig, vind ik.

Het Koninkrijk Gods maakt een eind aan het dualisme van het wereldlijke en het heilige.

De discipelen waren heel dicht bij de waarheid, toen ze zeiden: „Ziet u om, broeders, naar zeven mannen uit u, die goede getuigenis hebben, vol des Heiligen Geestes en der wijsheid, welke wij mogen stellen over deze noodige zaak" (Hand. VI : 3, Moffatt) — de dagelijksche uitdeeling van het brood. Zij zagen in, dat er geestelijke eischen moesten worden gesteld voor dat werk en dat die zich in dat werk moesten realiseeren. Maar ze geraakten op een dwaalspoor,toen ze zeiden: „Het is niet behoorlijk dat wij het woord Gods nalaten en de tafelen dienen", want hier maakten ze een verschil, dat in de latere geschiedenis van het Christendom verderfelijk geweest is. Ze werden den Meester ontrouw, die in de woestijn niet geaarzeld had, „de tafelen te dienen" voor de menigte en die van Zijn laatsten maaltijd een sacrament heeft gemaakt, dat door de eeuwen heen is blijven bestaan en die na Zijn wederopstanding op het strand een maaltijd bereidde voor Zijn hongerige discipelen na een nacht van vermoeienis. Hier trokken de discipelen zich terug uit dien stroom van de heiligheid van het geheele leven en van alle plichten en deden een poging, het leven te vergeestelijken buiten het stoffelijke om. Daardoor is de geestelijkheid een stand op zichzelf geworden, die beschouwd wordt als een groep onpractische droomers, niet als de krachtige architecten van een nieuw stelsel, die zich in de materieels verhoudingen een plaats veroveren om het Koninkrijk Gods daar, in die verhoudingen, te verwerkelijken. God heeft zijn best gedaan dat onderscheid weg te nemen, want hij heeft Stefanus in veel sterker mate gebruikt als evangelist, dan de apostelen die zich zoo hadden afgescheiden: „En Stefanus, vol van geloof en van kracht, deed wonderen en groots teekenen onder het volk... en zij konden niet weerstaan de wijsheid en den Geest door welken hij sprak". (Hand. VI : 8, 10). God aanvaardde de onderscheiding niet, die de apostelen gemaakt hadden; Hij negeerde die en gebruikte de tafeldienaren voor het werk, waarin de apostelen verondersteld werden specialisten te zijn: namelijk het geestelijke, veel meer dan de apostelen zelf. Dien wenk hadden ze moeten begrijpen. Philippus, een van de tafeldienaren, werd Philippus de evangelist", want God aanvaardde de scheiding van tafeldienaar en evangelist niet. Paulus heeft dien wenk begrepen en kon zeggen: „En gijlieden weet, dat deze handen tot mijne nooddruft en dergenen, die met mij waren, hebben gediend. Ik heb in alles getoond, dat men alzoo arbeidende, de zwakken moet opnemen en gedenken aan de woorden van den Heer Jezus Christus, dat hij gezegd heeft: „Het is zaliger te geven dan te ontvangen". (Hand. 20 :34, 35). En elders zegt hij: „Want gijlieden weet, hoe men ons behoort na te volgen, want wij hebben ons niet ongeregeld gedragen onder u; en wij hebben geen brood bij iemand gegeten voor niet, maar in arbeid en moeite, nacht en dag, werkende, opdat wij niet iemand van u zouden lastig zijn:... Want ook toen wij bij u waren, hebben wij u dit bevolen, dat zoo iemand niet wil werken, hij ook niet ets". (2 Thess. III : 7-10). Paulus heeft het principe van de eenheid van het zoogenaamd saeculaire en heilige beter begrepen dan de andere apostelen. Daarom had Paulus ook het gevoel, te staan buiten den stroom van het apostolische leven, dat verstarde tot een aparte klasse, een zoogenaamde heilige klasse. Hij stond aan den kant van de leeken, werd ook beschouwd als een leek... terecht trouwens! Maar juist daarin was hij trouw aan den geest en de sfeer van het evangelie. Want ook Christus was een leek en Zijn beweging was een beweging van leeken, die het Koninkrijk uitdroeg in het geheele leven en het geheele leven heiligde. De reden, waarom wij ons allen voelen aangetrokken tot Broeder Lawrence ligt in het feit, dat hij de Tegenwoordigheid Gods beoefende te midden van zijn potten en pannen. Anderen hebben geprobeerd de Tegenwoordigheid Gods te beoefenen buiten de potten en pannen om en zij stooten ons af. De Communisten ijveren voor een maatschappij van enkel werkers. Menschen die het leven hebben verdeeld in wereldlijke en geestelijke klassen heffen hun handen op ten hemel en zeggen, dat het leven wordt gesaeculariseerd. Maar de Communisten zijn, als ze deze onderscheiding niet wenschen te erkennen, dichter bij het Koninkrijk dan anderen, want zij probeeren hun gedachten te verwerkelijken in de materie en niet in een hokje apart, zooals de geloovigen zoo dikwijls geprobeerd hebben. Als Oman zegt „de echtheid van een godsdienst kan worden afgemeten naar den graad, waarin hij saeculair is", dan legt hij nog eens den nadruk op de noodzakelijkheid, den godsdienst te interpreteeren in de vormen van het zoogenaamd saeculaire leven.
Het Koninkrijk Gods is de eisch, het geheele leven te stellen onder één hoofd, één gedachte. Het maakt een eind aan alle saecularisme, door alles wat saeculair was, heilig te maken, en het maakt een eind aan alle gewijdheid, door alles wat gewijd was te saeculariseeren. Alles is leven, eenvoudig leven.

E. Stanley Jones, Aan ons de Beslissing (Amsterdam: H.J. Paris, 1938), 136-41

02 juni 2009

Jones deel II

Hier deel II van Jones over dualisme van het wereldlijke en het heilige. Let op, het is nog steeds 1938.

Het Koninkrijk Gods maakt een eind aan het dualisme van het wereldlijke en het heilige.

Wij moeten God terugbrengen naar het leven, het gewone leven. Het gewone leven is onterfd. De zendingsgedachte is er uit weggenomen. We hebben toegelaten, dat het zoo armzalig werd, dat de gewone Christen niets beters meer weet te doen dan te halen, wat er te halen is, en waar het maar te halen is, zonder zich te bemoeien met de Christelijke ethiek of zich te stellen onder het oordeel van het Christendom. God moet weer teruggebracht worden in het leven. We hebben gesproken over den man, die schoenen maakte om de kosten te dekken van het dienen Gods. Dat is goed, maar nog lang niet goed genoeg. Waarom zou hij God niet dienen door het maken van schoenen zelf? Waarom zou hij daarin niet de liefde en rechtvaardigheid Gods leggen, zoodat het maken van die schoenen een voortzetting werd van de incarnatie —Gods incarnatie in de stof? Waarom zou een zakenman niet 's morgens naar zijn werk gaan met eenzelfde gevoel van roeping als de predikant heeft, wanneer hij Zondagsmorgens zijn preekstoel bestijgt? Waarom zou hij niet met evenveel eerbied zijn grootboek ter hand nemen als de predikant zijn gezangboek? Waarom zou ieder schrift geen Heilige Schrift zijn? Onderwijst de leeraar, die les geeft in de mathematica, een „wereldlijk" vak? Werkelijk? Maar wie heeft dan de mathematica geschapen? Wie heeft het heelal gebouwd op een mathematischer grondslag? „God is een getallenkunstenaar", of, zooals sir James Jeans zegt: „God is een zuiver mathematicus". Maar volgt dan de wiskundeleeraar, die de mathematica onderwijst, niet de voetsporen van het goddelijke in het heelal? Is de waarheid, die in de wiskunde te vinden is, iets anders dan de waarheden, die we vinden in den Bijbel? Of is alle waarheid één? Toen ik op de middelbare school ging, heb ik dikwijls geknield naast mijn bed en zoo, op mijn knieën, mijn gewone schoolboeken bestudeerd, biddende mijn weg zoekend door de lessen voor den volgenden dag. Mijn hart brandde binnen in mij bij het gevoel, de waarheid te ontdekken, en ik kon vol eerbied knielen voor elke waarheid, wetend dat die mij bij de hand nam om mij te leiden naar Zijn voeten. Naar Zijn voeten? Maar Zijn voeten stonden daar, op diezelfde plek; die waarheid was reeds de afdruk van Zijn voet. Toen Lord Irwin, de tegenwoordige Lord Halifax, benoemd was tot onderkoning van Voor-Indië, brachten hij en zijn oude vader een geheelen dag door in gebed, zoekend naar licht in de vraag, of hij deze benoeming aanvaarden zou of niet. Aan het eind van dezen bidstond zei de oude vader tegen zijn zoon: „Mijn jongen, ik ben van oordeel, dat je deze benoeming zult moeten aannemen". Lord Irwin kwam in Voor-Indië met een gevoel van roeping. Na een zeer ernstig gesprek van vele uren heeft hij eens tegen me gezegd: „Ik zou graag willen, dat ook U voelde, dat wij beiden werken voor dezelfde zaak". Hij voelde zich net zoo goed een afgezant Gods als een zendeling. Waarom ook niet? De Christen-Indiër, die, als rechter, 's morgens om vier uur opstaat om een gebedsuur te hebben en dan op zijn knieën de vonnissen schrijft voor dien dag, streeft ernaar eeuwige gerechtigheid te brengen in de rechtszaal, opdat zij zich uitwerkt in de verhoudingen tusschen de menschen. Toen een Brahmaansch advocaat op een dag in de rechtszaal zijn zelfbeheersching verloor en de rechter hem zei, tot zijn spijt genoodzaakt te zijn hem daarvoor te beboeten, antwoordde hij: , Mijnheer, als u mij beboet, zal ik dat aanvaarden als een oordeel Gods, want als gij spreekt, spreekt God". Laat niemand nu zeggen, dat zijn beroep een wereldlijk beroep is. Want dat is niet waar.

01 juni 2009

Jones over dualisme wereldlijk en heilig

Dit wil ik jullie, geachte lezers, toch niet onthouden. In drie delen. Vandaag deel 1. Let wel, Jones schreef dit in 1938!

Het Koninkrijk Gods maakt een eind aan het dualisme van het wereldlijke en het heilige.

Wij hebben het leven verdeeld tusschen geestelijke en wereldlijke vragen, tusschen „weeksche" dagen en „Zon- en feestdagen", stichtelijke lectuur en „gewone" lectuur, kerkelijke bouwkunst en wereldlijke bouwkunst, gewijde wetenschap en wereldlijke wetenschap, geestelijke roeping en wereldlijke roeping. We hebben het leven in deze wereld onterfd ten behoeve van het „kerkelijke", het „gewijde"; het gewijde is hooger, het wereldlijke lager. Maar de Nemesis heeft ons achterhaald: het Communisme heeft zich gewroken en alles wat „gewijd" was, verbannen. In Rusland is het heele leven wereldlijk. Beide opvattingen zijn fout en beide hebben een verderfelijke uitwerking gehad. De verdeelig van het leven in wereldlijke roeping en geestelijke roeping heeft grootonheil aangericht in den geest van den leek. Zijn roeping was „maar" wereldlijk, meende hij; hij had niet het hoogste gekozen en daarom leefde hij onder den druk van een geestelijk minderwaardigheidscomplex. Van hem werd niet verwacht, dat hij leefde naar den allerhoogsten maatstaf, want zijn roeping was immers evenmin de allerhoogste. Van den predikant, den zendeling en den man of vrouw die „Christelijk werk" verrichtte, werd meer verwacht, want hun roeping was ook hooger. Daardoor werd de Christelijke roeping iets onnatuurlijks, iets dat gepaard ging met een bepaalde manier van spreken, van kleeden, en nog allerlei andere hocus pocus, die de gedachte van een superieur geestelijk leven en autoriteit nog eensextra nadruk moesten verleenen. Ook werd, aan de zogenaamd wereldlijke roeping, hierdoor de geestelijke waarde ontnomen: dat lag immers in den aard der zaak! Het werd heel eenvoudig, zich aan te passen bij zijn beroep, zijn stand. Het resultaat? Een zedelijke en geestelijke inzinking, een verslapt, voor het leven pasklaar gemaakt Christendom voor de leeken. Het Christendom blijft gereserveerd voor den Zondag, den heiligen dag, en wordt buiten werking gesteld op de andere dagen, want dat zijn „maar" weeksche dagen, en dan geldt de wereldlijke roeping.
Die scheiding is foutief. Ik ben zelf zendeling en dat wordt beschouwd als een geestelijk ambt, maar het is niets geestelijker dan eenig ander werk, dat door een Christen wordt verricht. Leder Christen is zendeling. Dat ligt in den aard van het evangelie, dat hij belijdt en waardoor hij is gebonden. Onthoudt toch eens goed, dat de geheele Christelijke beweging aanvankelijk een leekenbeweging was. Jezus en zijn discipelen stonden buiten den stroom van zoogenaamde „heiligheid", die door de priesters en den tempel ging. „Door welke macht doet gij deze dingen"? en noch Hij noch Zijn discipelen konden er zich op beroepen door iemand of iets gemachtigd te zijn, want ze waren leeken, allemaal. Zijn eenige autoriteit bestond in de dingen die hij deed. De beweging legitimeerde zich in het leven. Het onderscheid tusschen wereldlijk en geestelijk was weggevallen. Het Koninkrijk maakte het leven tot één geheel.

31 mei 2009

Terugbladeren

Een gewoonte die ik al zo'n twintig jaar bezig is het vrijwel altijd meezeulen van een notebook. Daar schrijf ik van alles in. Aantekeningen, dingen die ik beloof te doen, losse gedachten, ingevingen enz.. Eens in de zoveel tijd ga ik door die talloze notebooks heen, scheur eruit wat weg kan en bewaar wat ik wil bewaren. "Briljante" vondsten en prive aantekeningen worden in een groot blik bewaard.
Vandaag bladerde ik door een van mijn "2005 notebooks" en kwam daarin enkele observaties tegen, waarvan ik natuurlijk allang vergeten was dat ik deze ooit gedaan had. Toch, door het op te schrijven maak je er ook een mentale aantekening van en deze gaat dan een eigen leven leiden en bepaalt mede beslissingen en verdere gedachten.
Op 28 oktober 2005 schreef ik (mijn agenda raadplegend blijkt dat onderweg van Chicago naar Amsterdam te zijn gebeurd):
Toekomst; wat, waarom, waarmee, wie, enz..
Brandaris: blijven tot 2009 (proces is in beweging, voldoende ruimte om te ontwikkelen)
Cruciale zaken die m.i. moeten veranderen:
  1. Zondagdienst (doorontwikkelen. Extra dienst op de avond mogelijkheid?)
  2. Structuur leiderschap (werk met taakomschrijvingen en verbreedt structuur)
  3. Jongerenwerk (zit vast binnen Brandarisstructuur)
  4. Kringen (gemeente in kringen)
  5. Missionair gemeente zijn (plaatselijk en wereldwijd)

Grappig om dat terug te lezen. Op een aantal punten zijn echt wel meters gemaakt maar over het algemeen is mijn beleving dat de meerderheid het eigenlijk wel prima vindt zoals de zaken nu lopen. Gretigheid naar groei is er niet echt.

Een bladzijde verder staat:

Hoe zou een (zondag)avond in Brandaris eruit kunnen zien?

  • Informeel
  • Waarkheid samen verkennen
  • Provocerende liefde
  • Kleine groepen
  • Herstel, genezig, vergeving
  • Kunst en muziek

Wat perse niet?

  • Gelikte 'worship"
  • Jargon

Dan staat er nog een aantal aantekeningen die onder de categorie "prive" vallen en die gaan dus in het blik. Dat zijn, in dit geval, subjectieve observaties en conclusies over hoe ik het leiderschap van de Brandaris beleef.

Onderaan de pagina:

  1. Staat Christus voor dezelfde zaken als waar het Christendom voor staat?
  2. Liefhebben, hoe doe je dat nu precies?

Op de eerste vraag kan ik antwoorden: Heel vaak niet

Het antwoord op de tweede vraag is dat het niet gaat om de juiste omschrijving maar om de juiste daad.

30 mei 2009

Àbsolutely phenomenal

Er zijn van die dagen dat alles mee lijkt te zitten. Nu is deze dag nog niet zo oud en we hebben nog heel wat uren te gaan (het is nu 06.30) maar "so far, so good". Om 05.15 klaarwakker en vol energie; eruit en "LEVEN". Hardlopen op een tijdstip dat de vogels wakker worden en het ochtendgloren begroeten. Een perfecte temperatuur om in hard te lopen. Tegen zessen komt de zon op tegen de achtergrond van een volkomen wolkenloze lucht. Een mok "typhoo" thee en lezen over Paulus die aan de Korintiers uitlegt waarom hij zo z'n best doet om anderen voor Christus te winnen (uit ontzag voor God). En, over een half uur de zaterdagkrant. Daar ben ik wel een uurtje mee zoet en kan dan om acht uur aan d slag met m'n huiswerk. Een paper over de zendingsvisie van de reformanten (zoals Luther en Calvijn). Daarbij moet ik m'n eigen research doen omdat in de vijf boeken die de prof. te lezen geeft er slechts een paragraaf te vinden is waarin daar iets over medegedeeld wordt. Bovendien is dat wat er wordt gezegd nog eens in strijd met wat anderen beweren. Ach, als ik dat er allemaal bijhaal wordt het voor de prof ook leuk om te lezen.
Google is een geweldige hulp. Veel oude boeken zijn er online te lezen en te downloaden.
De krant ploft op de derumat. Ik moet gaan.

28 mei 2009

Jones over kapitalisme en behoeften

Nogmaals een stukje uit E. Stanley Jones' "Aan u de beslissing". Een geweldige analyse (vind ik).

„Aan ieder naar behoefte en van ieder naar vermogen” is in de economie een even definitieve gedachte als in de mathematiek: „twee maal twee is vier". Het moderne socialisme heeft deze stelling aanvaard, maar de Christenen zijn hier reeds vanuit hun eigen principes toe gekomen en hebben het toegepast lang voor het moderne socialisme was uitgedacht of iemand er van ge­droomd had. Waarom wij een gedachte zouden moeten loslaten omdat een ander hem aanvaard heeft, is mij niet duidelijk. De tegenwerping wordt misschien gemaakt, dat het eerste deel van de stelling „aan ieder naar behoefte" wèl gevonden wordt in de Christelijke maatschappij, maar het tweede „van ieder naar ver­mogen" nièt; maar dat is onjuist. „Wie niet werkt, zal ook niet eten". Zulk een uitspraak laat aan duidelijkheid niets te wenschen over! Het is van het grootste belang, dat we die twee pun­ten beide vasthouden, want „aan elk naar behoefte" zonder „van ieder naar vermogen" zou vastloopen en parasitisme kweeken. Samen zouden ze de ideale economische basis vormen van een Christelijke maatschappij. Nooit zal ik gelooven, dat er een betere basis te vinden is. Dit is definitief. We kunnen ons in allerlei bochten wringen en protesteeren en argumenteeren, maar ten slotte zal deze stelling ons oordeelen, want het is de definitieve grondslag van het economische leven. Het Christendom, dat dit kind heeft ontvangen en ter wereld gebracht, had het nooit mogen verstooten om het door „ismes" van allerlei kleur te laten opvoe­den. Laten we het terughalen en als ons eigen kind erkennen.
Als de tegenwerping gemaakt wordt, dat dit experiment van de eerste Christenen ten slotte is mislukt en dus niet als voorbeeld kan dienen, dan is het antwoord eenvoudig: het is niet mislukt, omdat het op zichzelf onjuist is, maar omdat het slechts ten deels is toegepast. Het was een coöperatieve consumptie-eenheid, maar geen coöperatieve productie-eenheid, en omdat het principe dus slechts ten halve toegepast werd, mislukte het experiment, zooals met alle halfheden het geval is. Het principe is niet mislukt, maar de toepassing. We moeten het principe weer te voorschijn bren­gen en het nu niet alleen op de distributie en de consumptie, maar ook op de productie toepassen. De productiemiddelen moe­ten in de handen van allen zijn voor het welzijn van allen, en niet in handen van enkelen... voor de exploitatie van velen.
Dit is de meest ernstige beschuldiging die tegen het economische stelsel van onzen tijd kan worden ingebracht: het is niet gericht op de voldoening van behoeften. Professor Forsey zegt: „Voor het kapitalisme is „behoefte" onbelangrijk. De kapitalistische in­dustrie bestaat niet om in behoeften te voorzien, ze bestaat om winst af te werpen. Het voorzien in behoeften, de „dienst aan het publiek" is daarbij slechts een toevalligheid. Als het rendeert" krijgen we wat, anders krijgen we niets". Dit is geen ethisch oordeel over het kapitalisme, het is eenvoudig een feit; een feit dat waar blijft, geheel onafhankelijk van de zedelijke en intellec­tueele kwaliteiten van de kapitalisten persoonlijk" (Towards the Christian Revolution, pag. 101). Dat is heelemail in overeen­stemming met de uitspraak van het Hoog Gerechtshof van Michi­gan in het proces van Dodge contra Ford: „Een onderneming wordt georganiseerd en in stand gehouden ten behoeve van de winst der aandeelhouders". Dat „behoefte" tenslotte de grondslag zal moeten zijn voor een oplossing van de economische wereldproblemen, blijkt uit de conclusie waartoe een professor van de Columbia University komt, wanneer hij den inhoud van zijn wetenschappelijk werk over „Fascisme en Nationaal-Socialisme" aldus samenvat: „Zoo komen we tot de misschien niet zeer origineels conclusie, dat de beste methode internationale conflicten te vermijden een politiek is, die is gebaseerd op de erkenning van de rechtmatige behoeften van andere volken". (Florinsky, Fascism and National Socialism, pag. 276).

Deze eenvoudige uitleg van het kapitalisme helpt mij om opnieuw te begrijpen waarom er van alles mis in in onze samenleving, economien ineen storten en mensen elkaar naar het leven staan.
Het koninkrijksmodel staat "ieder naar behoefte voor". In een gezin dat aan de maaltijd zit, zal de sterkste nooit alle vlees (of ander lekkers) opeisen maar op natuurlijke wijze wordt het aangebodene onder de aanwezigen verdeeld. Het gezin als model voor een gezonde economie is zo'n gekke gedachte niet. Het loslaten van het gezin als model en de rechten van het individu centraal stellen, leidt onherroepelijk tot scheefgroei, ongezonde concurrentie, onrecht en misbruik.



26 mei 2009

Hoog en Laag

Langzaam lees ik door Stanley's boek "aan u de beslissing". Bladzijde voor bladzijde, woord voor woord.
Door andere boeken, zoals de vijf boeken die ik moet lezen om de vraag "Hoe interpreteerden de Reformanten de zendingsopdracht?" te beantwoorden, blader ik wat en lees her en der een stukje en haal daar af en toe wat van aan in m'n opdracht.
De boeken van Stanley Jones zijn stuk voor stuk de moeite van het lezen waard. Het boek dat ik nu lees schreef hij zestig jaar geleden. Het heeft een hoog profetische gehalte en het bepaalt me bij de aloude waarheid dat de mens maar bitter weinig van zijn eigen geschiedenis wenst te leren.
Al zijn boeken zijn slechts in het antiquariaat te verkrijgen. Een aardige zoekpagina vind je hier.
Hieronder nog enkel van zijn gedachten.

Het ligt in de natuur van de liefde, af te dalen in de smarten, de pijn en de zonden van anderen en zich daarmee te vereenzelvigen. Jezus heeft Zich, als de verpersoonlijking van de
liefde, vereenzelvigd met onze smarten, onze pijn en onze zonden. In Zijn plaatsvervangend lijden is Hij onoverwinnelijk. Het lagere koninkrijk overwint door anderen te doen lijden, het Hoogere Koninkrijk overwint door het lijden voor anderen te aanvaarden. De wil te leven, ook al sterven anderen (de levenswil van het lagere koninkrijk), wordt tot den wil, dat anderen leven, ook al sterven wij zelf (de levenswil van het Hoogere Koninkrijk). Het Hoogere Koninkrijk vertegenwoordigt een nieuw type van kracht: het overwint het kwade door het goede, haat door liefde, duister­nis door licht... en de wereld door een kruis. Er is een man ge­weest, die door den nevel der dingen drong en zag, waar het ware Koninkrijk lag en zei: „Heer, gedenk mijner als Ge in Uw Koninkrijk gekomen zijt". Hij ontsnapte uit de boeien van het lagere naar de verlossing van het Hoogere Koninkrijk.
Jezus stierf. Maar stervend deed Hij, wat de dramaturg den centurio tot Maria zeggen laat: „Vrouw, ik zeg u dat deze uw zoon, verworpen, bespuwd, gekruisigd, heden een Koninkrijk heeft opgericht, dat nimmermeer zal vergaan. Hier op dezen heuveltop is heden iets gebeurd, waardoor de koninkrijken, die op bloed en vrees gegrond zijn, zullen worden geschokt. De zacht­moedigen, de vreeselijk zachtmoedigen staan op het punt hun erfenis te aanvaarden. De aarde behoort hun."
Zoo is het; het Koninkrijk vertegenwoordigt een hoogere, ideëele realiteit en al wordt die Realiteit gemarteld en gekruisigd en be­graven; het staat wederom op uit de dooden — het herneemt zijn rechten. Want het leven wil zonder dat Koninkrijk niet function­neeren.
nemen.

E. Stanley Jones, Aan ons de beslissing (Amsterdam: H.J. Paris, 1938), 42-3

24 mei 2009

Hollandse diepgang

Het eerste wat de terugkeerders uit warme landen te horen krijgen als ze door de schuifdeuren "aankomst 1, 2 of 3" op Schiphol zichtbaar worden en ophalende geliefden hen om de nek vliegen, zijn zaken zoals:
"Ohhh, wat zijn jullie bruin geworden".
"Ja, tien uur geleden zaten we nog in 35 graden"
"Tjonge jonge, hoe is het mogelijk"
"En, trouwens, wat zijn jullie vroeg, het vliegtuig zou pas om tien uur landen en jullie waren er al om vijf voor tien".
"Tja, wind mee zeker."
"Weet je dat tante Ans een nacht in het ziekenhuis heeft gelegen nadat ze geholpen was aan een ingegroeide teennagel? Het was een kompleet drama."
Zo'n zelfde gesprek op niveau vond plaats aan het tafeltje naast ons toen Martha en ik op woensdagavond zaten te eten in "Ie-Sicht", aan het Friese water.
De vier mannen kwamen later binnen en gingen weg toen wij nog zaten na te tafelen.
Een van de mannen probeerde een uur lang de andere drie te overtuigen van een route (waarschijnlijk naar een vakantiebestemming) die minder fileleed zou opleveren. Ik begreep uit het "gesprek" dat de eerste stop ergens in Limburg zou zijn. Terwijl de ene man z'n best deed, deden de andere drie heel erg hun best om tussendoor nog andere gesprekjes met elkaar te voeren. De eerste man had waarschijnlijk al teveel bier gedronken en zette z'n redevoering luid door, ongevoelig voor welk verbaal-, en non-verbaal signaal van de overige drie, waaruit duideijk bleek dat hij beter z'n mond kon houden.
Een van de gesprekspartners probeerde om de vijf minuten in te breken met de mededeling dat "we er niet over kunnen praten, want we zijn niet voltallig". Ik stelde me zo voor dat voltallig betekent dat ze met tien mannen om een tafel zitten en over de mogelijke routewijziging praten om dan na drie uur, veel bier en rode hoofden, alles bij het oude laten.
Overigens zijn Nederlands erg luid in gezelschappen (in vergelijking met andere culturen). Het lijkt wel dat, als Nederlanders in groepen optrekken, de rest van de wereld voor hen ophoudt te bestaan. Het vervelende is dat, ook al wordt er veel herrie gemaakt, het meestal nog steeds nergens over gaat.
Misschien is het de leeftijd maar ik tref mezelf steeds vaker zwijgend aan. Er wordt al zoveel lawaai gemaakt. Laten we het, of ergens over hebben, of in stilte genieten van uit- en vergezichten en de tijd doorbrengen met het verkennen van gedachten, gevoelens en vragen om zodoende tot iets zinnigs te komen als we dan onze mond een keer open doen.

22 mei 2009

Zweten onder canvas

Zo'n 1100 mensen uit negen verschillende kerken uit Opende en omgeving, stroomden de grote witte tent in. Voor de gelegenheid had ik m'n camouflage jasje/dasje aan. De vraag die ik mezelf en het publief stelde was wat Jezus nu eigenlijk aan het doen is? Hij is naar de hemel "opgevaren". Vaart Hij nu nog steeds? Ligt Hij in een hangmat uit te rusten? Is Hij huizen aan het bouwen? Zit Hij gewoon stil aan de rechterhand van de Vader? Of wacht Hij misschien passief totdat God alle vijanden tot een voetbank voor Zijn voeten heeft gemaakt? Is hij betrokken bij een eindeloze rechtzaak waar Hij voor al Zijn volgelingen pleit? Dat laatste zou Hem aardig bezig moeten houden omdat er voor al Zijn volgelingen wel wat te pleiten valt.
De Bijbel stelt enkele beelden voor die ons helpen om een soort van driedimensionale voorstelling te kunnen vormen van waar Jezus zich nu mee bezig zou houden.
Hij zit. Eens en voor altijd heeft Hij het offer voor de zonde gebracht. Hij is daar klaar mee en het hoeft niet nog eens een keer over gedaan te worden (hoewel sommigen dat wel aardig zouden vinden, een soort van een priveverlossingkje omdat we het maar moelijk kunnen geloven dat onze misstappen ook binnen Zijn vergevingsaanbod passen).
Terwijl Hij zit, bouwt Hij, en pleit Hij....
De zon breekt door en de temperatuur stijgt. Na tien minuten merk ik dat er waarschijnlijk geen draad van m'n overhemd meer droog is.
De dirigent van de "Lord's Moor Singers" fluistert me in het oor dat ik vergeten ben om ze twee liederen te laten zingen. Dat moet dan maar meteen na m'n preek voordat de zaal weer mee mag zingen.
We zingen met ondersteuning van een orgel. De organist weet behoorlijk de weg over de toetsen en pedalen. Wilde voor- en tussenspelen wisselen het dragen van de coupleten af. Hij heeft er zichtbaar zin in.
Na afloop de talloze korte gesprekjes. Een oud baasje heeft een aardige openingszin: "Dus u bent een bekeerde?" Mijn reactie: "U niet dan? Wat moet Jezus nog meer voor u doen dan?"
Het is een van de grootste leugens die al eeuwenlang het denken en het hart van miljoenen verlamt. Bekering is een weloverwogen beslissing van het individu. Het wachten op God totdat Hij die beslissing voor ons neemt, houdt nog steeds tienduizenden bij Christus vandaan.

Na de dienst de barbecue. De rij is zo groot dat Martha en ik het opgeven en na een uur vertrekken om bij de man met de gouden bogen te gaan eten.

21 mei 2009

60 jaar later

Stanley Jones (1884-1973) schreef in 1938, temidden van de opkomst van het communisme en het fascisme, zijn boek "Aan ons de beslissing", over de relevantie van het koninkrijk van God hier en nu. Mensen hadden het idee dat ze of voor het communisme, of voor het fascisme moesten kiezen. Stanley Jones stelde als escape voor om het Koninkrijk van God hier en nu gestalte te geven.
Een aantal woorden uit boek:

Het Koninkrijk

Een bisschop heeft eens, in wat hij zelf waarschijnlijk beschouwde als een vernietigende critiek op een van mijn boeken, gezegd: „Stanley Jones schijnt bezeten te zijn van de gedachte van het Koninkrijk Gods op aarde." Toen ik dat las, sprong mijn hart op van blijdschap, en ik dacht: „God geve, dat dat waar is. Want dat zou een heerlijke bezetenheid zijn." Als ik van iets bezeten moet wezen, als iets me moet aangrijpen, me beheerschen, indien ik aan iets mijn trouw verpanden moet, dan hoop ik, dat het dit zal zijn... en ik zal u zeggen waarom.
Maar voor ik dat doe, wil ik u eerst even vertellen, dat er in den godsdienst in het algemeen en in het Christendom, zooals het tegenwoordig is georganiseerd, in het bijzonder, werkelijk niet veel is, waarvan ik bezeten ben. Dat alles lijkt zoo onbelangrijk, het is er, als we de wereld van tegenwoordig zien, zoo vreeselijk naast! Het is gedoemd, onder te gaan, omdat het zijn beteekenis, zijn actualiteit, verloren heeft. En allerminst ben ik bezeten van een opvatting, die dezelfde bisschop in hetzelfde tijdschrift ten beste gaf: „Het Christendom is te vereenigen met ieder economisch stelsel, mits de persoonlijke vrijheid er niet door aangetast wordt." Is werkelijk de persoonlijke vrijheid het eenige criterium? Vrijheid om wat te doen? Om te leven op ieder willekeurig peil van maatschappelijken welstand, in een half verhongerde wereld? Dat criterium gaat uit van een zuiver persoonlijke opvatting van het Christendom; het uitgesproken sociale karakter van de leer van Christus wordt daarbij geheel over het hoofd gezien. Van zulk een opvatting kan ik in dezen tijd onmogelijk bezeten zijn. Want de nood dezer wereld heeft twee kanten. Ten eerste is zeer zeker het zedelijk peil van het individueele leven gedaald. Vele oude zekerheden zijn uit het leven van den modernen mensch verdwenen. Hij heeft zijn geloof niet opgegeven, het is hem ontsnapt. Het is opgelost in het bijtend zuur van het moderne denken. Hij zou graag willen gelooven, want het leven zonder den ,Grooten Kameraad" is wel zeer eenzaam. Bovendien blijkt het moeilijk, nog eenige waarde vast te houden, als die eene, centrale waarde, God, eenmaal is weggevallen. Wie zijn hemel verliest, verliest ook spoedig zijn aarde. Niemand kan lang blijven gelooven in den mensch, zonder te gelooven in iets, dat grooter is dan de mensch en dat hem bestendigheid en beteekenis geeft. De moderne mensch lijdt daarom aan een innerlijke leegte, hij leeft in een op alle manieren „gedevalueerde" wereld. Ten tweede ziet hij het maatschappelijk stelsel, waarop hij zoo vast vertrouwde en dat ook zoo betrouwbaar leek, onder zijn oogen ineenstorten. Het gaat te gronde door zijn innerlijke tegenstrijdigheid en spanning. Hij voelt de behoefte aan iets, dat aan de sociale verhoudingen hun vastheid hergeven zal, iets, dat hem de zekerheid geeft een basis te bezitten voor zijn maatschappelijk leven, zoodat het niet steeds heen en weer slingert tusschen fantastische verwachtingen en volslagen wanhoop. De moderne mensch is dus op twee plaatsen gewond en heeft behoefte aan een dubbel remedie; aan iets dat zijn innerlijk leven nieuwe kracht geeft en tegelijkertijd een basis kan vormen voor de sociale en maatschappelijke verhoudingen, die nu op losse schroeven staan. Ik kan slechts bezeten zijn van iets, dat aan die dubbele behoefte voldoet. Er is in de godsdienst veel, dat daar niet aan voldoet. Daarvoor heb ik de belangstelling verloren.

Godsverlichting in den Haag (of all places)

Na een week of drie te hebben geprobeerd te vergeten dat ik had beloofd de oude tante van een Zuid-Afrikaanse collega op te zoeken, heb ik u...