20 april 2018

De tragedie van het "voltijds voor God werken"

Zelfkritiek mag wel. Toch?
Af en toe?

In een communicatiedingetje van mijn eigen club las ik vandaag de volgende vraag: "Ben jij op zoek naar jouw plek in Gods Koninkrijk?"
Als het antwoord op deze vraag "ja" is, denken wij te kunnen helpen middels een zendingsweekend.

Maar er zit toch echt wel het een en ander verborgen in die vraag.
  • Ik zie er de mogelijk aanname in dat de zending en het koninkrijk synoniem zouden zijn.
  • Of dat het koninkrijk te maken heeft met een van de drie opties die OM als speerpunten kent: Of bidden, of geven, of gaan. Een combinatie van deze drie kan ook, of zelfs alledrie tegelijk.
  • Het kan ook impliceren dat het werken voor een zendingsorganisatie binnen het domein van de regering van God valt. Een baan binnen een niet christelijk bedrijf, valt daar dan buiten?
Ik ben eigenlijk wel benieuwd wat de collega die deze vraag, misschien wel gedachteloos neerpende, dacht en zag. Of gelooft. Of hoe zijn/haar wereldbeeld en godsbeeld er eigenlijk uitziet. Ik zal het eens navragen.

Hoe dan ook, het is en blijft een vreemde vraag.


God, in de metafysische* zin, is overal en alles valt onder zijn regering. Dus ben je in principe al op jouw plek in Gods koninkrijk. God is namelijk net zo aanwezig op de bloemenveiling, in de fabriek, op het kantoor, in de kraam- of huiskamer en in de straat als op een plek waar christenen samenklonteren om iets te doen wat een evangeliserend of een samenkomend karakter heeft, zoals wellicht in een kerk het geval zou kunnen zijn. Het is niet zo dat de lucht daar wat dikker of voller is met Zijn tegenwoordigheid.

Ik denk dat de bedenker van de niet zo heel erg pakkende/wervende vraag bedoelt dat als iemand nadenkt over de vraag over hoe hij of zij talenten, gaven en passies in kan zetten in de uitvoering van de opdracht die Christus aan de kerk gaf om volgelingen van Hem te maken over de hele wereld, wij wellicht een stukje op weg kunnen helpen.

Zo bestaat er meer kretologie binnen mijn wereld waar ernstig kritische vragen bij gesteld moeten worden omdat het impliciet een wereldbeeld opdringt en in stand houdt dat simpelweg on-Bijbels is. Zo kom ik ook tegen: "voor God werken" Of: "God full time dienen."Werkelijk tenenkrommend.
Als het niet zo tragische was zou ik er om kunnen lachen.
Nee, het dualistische wereldbeeld is verre van uitgeroeid en wordt mede door de taal die we binnen de wereld van de zending bezigen in stand gehouden.

Moest ik even kwijt

*  Metafysica is de wijsgerige leer die niet de werkelijkheid onderzoekt zoals ze ons gegeven wordt uit zintuiglijke waarneming (fysica), maar op zoek gaat naar het wezen van die werkelijkheid en wat haar constitueert.


08 april 2018

Lelijke eendjes? En nu wegwezen!!

"Wees gewoon jezelf" en "dicht bij jezelf blijven"; het zijn suggesties en adviezen die menigeen tot de verbeelding spreekt. De geest van de tijd heeft een klimaat gecreëerd waarin de zoektocht naar het "ware zelf" als een belangrijk levensdoel post heeft gevat. Het gegeven dat ieder mens uniek is, lijkt voor velen een te mager concept. Het plastic eendje moet afgepeld worden, laag voor laag, totdat het levende eendje met echte veertjes gevonden wordt. Bevrijdt van alle last uit het verleden, napraterij, trauma's en wat al niet meer, staat de ware ik vervolgens in het leven: zelfverzekerd, authentiek, echt, niet langer te intimideren en niet meer als slachtoffer.

Het ego is echter weerbarstiger en het idee dat er ergens een authentieke versie van mezelf te vinden is, een illusie.
Wie ik ben wordt mede bepaald door mijn omgeving, cultuur, taal en de daaruit voortvloeiende dogma's (*). Dogma's worden in het algemeen geassocieerd met het domein van de religie maar in werkelijkheid zijn dogma's op alle terreinen van het leven te vinden.
Dogma's zijn uitermate belangrijk omdat ze de mens helpen om enigszins vat te krijgen, te hebben en te houden op de grote levensvragen: "Wie ben ik, waar kom ik vandaan, waar ga ik naartoe, waarom ben ik hier", enz.
We kunnen het aan de instituten overlaten om deze vragen voor ons te beantwoorden maar velen kiezen voor de optie om ze te beantwoorden binnen de kaders van het zelf waarbij men meent dit los van de heersende dogma's te kunnen doen. Zo kennen we naast institutionele dogma's dus ook de persoonlijke dogma's.
De weg door het leven die de minste weerstand biedt is deze waarbij de bestaande dogma's niet bevraagd of betwijfeld worden. In sommige kringen staat dat bevragen en betwijfelen als verdacht te boek, of zelfs als ketterij. De bevrager en twijfelaar wordt dan ook al snel als onruststoker gebrandmerkt.

Vorige week hadden we een familiereunie. Neven en nichten plus de nog in leven zijnde stamhouders. De reden dat ik hier enthousiast over ben en alles in het werk zal stellen om daarbij te zijn is dat ik juist hier antwoorden vind op de vraag wie ik ben en waarom ik ben zoals ik ben. Nu wil ik natuurlijk niet overdrijven maar het voelt toch wel zo: "ik ben mijn familie." Het is geen perfecte familie. Er heeft zich voldoende drama afgespeeld om er een twaalfdelige televisieserie (zou een dramakomedie worden) van te maken.
Maar het is wel mijn familie. De dogma's binnen dit familiesysteem hebben mij gevormd. In zekere zin is elke familie haar eigen dogmatische systeem.
Ik kan ervoor kiezen om te zeggen dat ik niet bepaald word door mijn familie en helemaal geen behoefte heb aan dit soort "tijdverspillende" initiatieven: "Ik ben wie ik ben en daar staat mijn familie helemaal buiten."
Het is juist deze ontkenning die de weg naar het beter begrijpen van het zelf in de weg staat.
Ik omarm het en het vervult me met trots. Het nageslacht van Jan den Ouden (1895-1983) en Gerrigje Boom (1899-1966): Gave luitjes! Me ophouden met hun nazaten levert een bijdrage aan het begrijpen van de puzzel die in mijn geval ook Jan den Ouden heet. En pas als ik begrijp, ben ik in staat om te veranderen.
Ik ben mezelf dankzij anderen. En niet ondanks (hoewel dit ook wel een beetje waar is).

(*) Een dogma is een fundamenteel concept ter onderbouwing van een gedachtegoed; daarom wordt de aanhanger van dit gedachtegoed geacht er niet van af te wijken en het nooit te betwisten of te betwijfelen, ook al ontbreekt ieder wetenschappelijk bewijs.

23 maart 2018

Deze ezel stoot zich willens en wetens telkens weer

Dankzij technologische ontwikkelingen hoeven de meesten van ons niet meer om vijf uur op om de koeien te melken, de varkens te voeren, eieren te rapen, of het land te bewerken. Industrialisatie en de filosofie achter het kapitalisme heeft de mens op het idee gebracht om meer koeien, varkens, kippen en land te verwerven dan men in z'n uppie kon onderhouden of bewerken. De particulier die een slecht jaar had omdat z'n land was ondergelopen, of z'n veestapel aan een of andere ziekte kwijtraakte, kon als dagloner bij de buurman aan de slag. De buurman vond dat wel wat; wie spreekt het idee van zelf minder doen en toch eenzelfde, of hoger inkomen te vergaren niet aan? De schaalvergroting deed z'n intrede waarvan het grootgrondbezit een klassiek voorbeeld is.

De grootgrondbezitter die zich vervolgens bezig kon houden met wat ik "werkbekijken en uitbuiten" noem - zoveel mogelijk winst maken tegen zo laag mogelijke kosten - dankte de eeuwige God voor de uitvinding van het mobiele fauteuil en later de vliegende buis. Nu was schaalvergroting niet langer gebonden aan geografische grenzen. De wereld lag aan zijn voeten.
Ondertussen ontwikkelde ook de loonslaaf zich. Werd mondiger, sloot zich aan bij gelijkgezinde en eveneens uitgebuite loonslaven (we noemen deze groep tegenwoordig eufemistisch ZZP-ers). Samen maakten ze een vuist tegen uitbuiting, verwoordden rechten en begonnen deze op te eisen en na jaren van inspanning werd een soort van wankele status quo bereikt die eens in de zoveel jaren wordt herzien en herijkt. Ook de loonslaaf kon zich nu een fauteuil op wielen permitteren en had de middelen om zich per vliegende cilinder naar de verste uithoeken van de aarde te verplaatsen om zich te vergapen aan hen die zich nog niet zo ver hebben kunnen ontwikkelen (wat heerlijk authentiek) en door de meer vermogenden uit moeten laten buiten om een dagelijkse boterham en een eitje te kunnen bemachtigen.

Hier moest ik aan denken toen ik deze week in de file stond. Als iemand mij echt wil leren kennen doe je dat het snelst door samen met mij te reizen. Dan komt de ergste versie van mij in full colour en hifi stereo naar boven. Eigenlijk wil je dat niet meemaken (vraag Martha maar eens).
In de file riep ik luidkeels, en keer op keer (tegen mezelf): dit doe ik nooit meer. De hele wereld is krankzinnig geworden en ik doe daar nog aan mee ook.

Waarom sluiten zovelen iedere dag weer aan in de rij? Het beeld van een hijgerige ezel die achter een bundeltje geld aanloopt drong zich aan mij op: De meesten zijn op weg naar hun loonzakje. Dat is de wortel die motiveert om dit telkens weer te doen. En zijn ze niet op weg naar hun loonzakje, dan zijn ze wel op weg naar een plek waar dat loonzakje geleegd kan worden. Een enkeling staat in de rij om de zuur verdiende vrijheid te vieren en de wereld te laten zien dat je ook een stoel op wielen kunt kopen zonder overkapping.

De interim rol die ik op me heb genomen vraagt van me dat ik een paar keer per week heen en weer reis van Rotterdam naar Hilversum of Emmeloord. Omdat OM Nederland zich nog ouderwets voegt naar standaard kantooruren ben ik dus de pineut en veroordeeld tot de rij. De oto is in vrijwel alle gevallen het meest logische vervoermiddel omdat de reizerij vaak het bezoeken van verschillende adressen behelst. Nu rijd ik die afstand niet om het geld maar om een ideaal waar ik in geloof. Niet dat ik daarvan opknap of dat het me een beter gevoel geeft. Integendeel. Het maakt allemaal niets uit en het is gewoonweg verschrikkelijk. Echter, als iemand anders rijd en ik gewoon door kan gaan met lezen, leren kan het me allemaal niet zoveel schelen.

Ideaal, loonzakje of het vieren van de vrijheid; ik voel me hoe dan ook een gigantische ezel en verlang naar de verwezenlijking van de romantische, niet realistische dagdroom van een huisje in het midden van niet al teveel. Met wat koeien, schapen, varkens en kippen, een stukje land en een breiende vrouw op de veranda.

Ik ben een ezel! De belofte aan mezelf "dit doe ik nooit meer," is een holle, betekenisloze frase. Maandag schuif ik gewoon weer aan.

07 maart 2018

G'd: bandbreedte of één frequentie?

"God" roept bij iedereen een beeld op. Ook iemand die besluit dat er geen God is, slechts een illusie is, zal met wat moeite erkennen dat ook de illusie een beeld is; een fata morgana, een idee, een in het leven geroepen idee van een macht die over de mens zou regeren of heersen zodat men iets heeft waaraan de verantwoordelijkheid of schuld voor rampspoed, voorspoed, tegenwind en wind mee, geluk en ongeluk en het onverklaarbare kan worden toegeschreven.
Dan de gelovigen. Die hebben ook een beeld bij hun idee van God. Een idee dat wordt gevormd door de optelsom van data (dat wat we in onder andere de Bijbel over God te weten kunnen komen), eigen overtuigingen, socialisatieproces, omgeving, cultuur, gemoedstoestand en rede, plus wat sommigen menen dat de Geest hen leert (men gebruikt daar het woord "openbaren" voor, of "laten zien"), als in een soort van persoonlijke exclusieve dimensie waar direct contact met God wordt verondersteld.

Bestaat er een correct of compleet zuiver beeld van God? Ik hoor sommigen van mijn medegelovigen roepen: "Ja, kijk maar naar Christus." Waar men dan voor het gemak aan voorbijgaat is dat ook het beeld van Christus gevormd wordt door eerdergenoemde aspecten. Alles is dus onderhevig aan de vraag hoe ik aan het een en ander betekenis, vorm en invulling geef. Dit alles vraagt om het matigen van mogelijke stelligheid die men kan ervaren: "Mijn God is niet zoals jij beschrijft." Zonder deze noodzakelijke matigheid ligt cluster- en sektevorming op de loer, waarbij groepen, gewoonlijk onder leiding van een leider die ten prooi is gevallen aan het vastvriezen aan een bepaalde zenderfrequentie, alles gaan zien vanuit die zenderfrequentie.

Een beeld van God kan ontleend worden aan één zo'n frequentie maar het is raadzamer om de gehele bandbreedte te gebruiken en af te tasten. Dat je dan af en toe op een frequentie blijft hangen waar toch wel heel mooie muziek gedraaid wordt, muziek waar je het bestaan niet van afwist, is onvermijdelijk. Mijn advies: geniet volop maar blijf er niet hangen. Zo ben ik de afgelopen weken blijven hangen bij de muziek van IQ: Alle albums en op de repeat. Wonderschone, magische, bombastische symfo-rock met zware mellotronaccenten en eeuwigdurende gitaarsoli, precies zoals goede symfo-rock betaamd. Alsof er geen andere muziek meer bestaat.... Morgen gewoon weer K3.

Alleen ben ik niet in staat om een beeld van God te vormen dat enigszins de juiste kant op gaat. Ik vermoed dat het beeld van God waarmee ik behept ben een grillige karikatuur is van wie Hij werkelijk en wezenlijk is. Het gesprek met anderen waarbij we ervaringen en aantekeningen vergelijken, samen leren, gummen, schetsen, krassen en kleuren is essentieel in het ontwikkelen van iets wat erop zou kunnen lijken. Blijft staan dat we, ongeacht de voorhanden zijnde hoeveelheid data, ideeën en interpretatie, een mysterie aan het uitvogelen zijn. Het mensenbrein en -hart is te klein om dat in alle diepte te doorgronden. Samen komen we echter verder. Op het moment dat ik claim het te hebben uitgevogeld, vliegt die vogel die ik, eenmaal te pakken, angstvallig omklem, zomaar weg.

28 februari 2018

Gepromoveerd tot suikerklont!

Op aanraden en na aanmoediging van enkele vrienden heb ik eindelijk het boek "Leider naar Gods hart" van Gene Edwards gelezen. Een geweldig boek als het gaat over het omschrijven van de kwaliteiten waarover een goede leider dient te beschikken. Het boek zet aan tot ernstige reflecterende oefeningen waarbij de hoofdpersoon, schaapherder en later Koning David, als lichtend  en inspirerend voorbeeld wordt neergezet.
De aanpak is typische evangelisch: knip de dingen die je leuk vindt uit en plak ze onder elkaar. Het resultaat is een romantisch, idealistisch maar dus ook een tamelijk verknipt beeld van de werkelijkheid. Waarschijnlijk gebeurt dit onder het motto van "leer van de sterke en goede kanten en noem vooral de zwakke kanten niet".
Wat ontbreekt is het analyseren van David als compleet persoon; als mens met zwakke, sterke en vooral a-typische karakteristieken.
Onlangs ben ik de Psalmen weer eens gaan lezen. Van de 150 die we in de Bijbel tegenkomen schreef hij de helft. Nu kun je de psalmen van David niet vergelijken met de heroïsche verhalen over David - de genres zijn te verschillend - maar ze helpen wel om je een completer beeld van de beste man te vormen.
In de psalmen tekent zich een ander beeld van David af:

  • Het patroon van een borderliner (heen en weer zwalkende emoties, chaotische relaties en een onduidelijke identiteit. Impulsief gedrag, woede-uitbarstingen en crises). De ene dag kent hij totaal geen angst; zodra z'n hoofd het kussen raakt valt hij in slaap terwijl een volgende nacht zijn bed doorweekt is van angstzweet.
  • Geen mededogen met de vijand. Regelmatig bidt hij dat God zijn vijanden alstublieft in mootjes wil hakken of nog levend naar het dodenrijk wil voeren.
  • Een uitzonderlijk hoog "Ik en God tegen de rest van de wereld" gehalte. Regelmatig schrijft hij over het niet hebben van vrienden (de vrienden die hij had waren stuk voor stuk zijn vijanden geworden). De vraag rijst of het niet hebben van vrienden het gevolg is van zijn halsstarrig geloof in, en vertrouwen op God of dat hij als mens/koning aanleiding gaf dat men wel uitkeek om in zijn buurt te komen.

“Bathsheba,” door Jean-Léon Gérôme (1824-1904)
Om het romantische, ideale beeld van David als voorbeeldig leider in stand te houden wordt gemakshalve ook niet gesproken over zijn machtsmisbruik. Ook zijn overspel en moord op de man van de vrouw waarmee hij vreemd ging (hij verkrachte haar), passeert de revue niet. Het Internationale Gerechtshof in Den Haag zou hier wel iets mee kunnen, dunkt me.

Zeker geen lieverdje, die David.

Een breder beeld van David zou het idee van een genadig en vergevend God echter versterken. Het weglaten van de donkerder kant van zijn leven en koningschap creëert een onrealistisch beeld en zou zomaar de gedachte kunnen voeden dat hij best wel in aanmerking kwam voor de genade van God en dat de lat (voor ons) wel erg hoog ligt. Zo hoog dat wij, gewone mensen, er niet bij kunnen. De genade die God hem betoonde was echter totaal onverdiend. Sommigen zouden misschien zeggen dat het zelfs niet eerlijk is dat God hem zoveel genade en vergeving betoonde; ik ben immers beter want ik heb niemand vermoord.

Wat David bijzonder maakt is dat hij telkens weer de weg naar God wist te vinden en dat hij bleef hopen en vertrouwen, ondanks zijn grove nalatigheden, misdaden, misbruik en wat niet meer.

Het verhaal van David is juist hierom hoopgevend; we kunnen er nog zo'n zooitje van maken in ons leven, de weg naar God blijft altijd open. Dat is en blijft het Goede Nieuws. Het Goede Nieuws dat we vinden in de persoon van Christus.

10 februari 2018

Wij vinden dat niet raar, wij vinden dat gewoon heel bijzonder

Nadat ik om acht uur de zaterdagkrant bij de altijd jolige dames van Primera had gekocht – onlangs kregen ze me zover om mee te zingen en bewegen op YMCA; ‘doet u mee meneer?’ – en naar buiten liep, zag ik dat de JG dames zich al vroeg achter hun display hadden geïnstalleerd. Nu heb ik er een gewoonte van gemaakt om, ongeacht waar ter wereld ik me bevindt, altijd een praatje te maken met mijn JG vrienden.
Het karikatuur van de JG met voet tussen de deur heeft plaats gemaakt voor een zich meer passief opstellend duo achter een lectuurrekje. Niets van een "meneer, mag ik u iets vragen" benadering maar een wachten op enige blijk van interesse van de kant van de klant. Keurig.
De lectuur is onmiskenbaar JG design met vaak pretentieuze (wat de Bijbel werkelijk leert) en/of retorische (wie wil er niet gelukkig zijn) titels/vragen. De oplage van hun maandblad liegt er niet om (70 miljoen in meer dan 130 talen). De JG's hebben wereldwijd meer dan 8 miljoen actieve verkondigers. Dat verklaart waarom de kans groot is dat je ze wel een paar keer in je leven tegenkomt. Gebrek aan zendingsijver kan hen niet verweten worden.
Goed, ik dwaal af.

Terwijl de ene mevrouw (waarom zijn het bijna altijd vrouwen - waar zijn de mannen?) aan haar meegebrachte ontbijtkadetje met kaas knaagt, heb ik met de andere mevrouw iets wat op een gesprek lijkt. Een gesprek voeren gaat de ene JG beter af dan de andere. De een houdt zich angstvallig vast aan het (ingestudeerde) script, waar de ander zich zeker genoeg voelt om vrij te converseren. Niets vreemds aan, zo gaat dit nu eenmaal bij mensen in het algemeen. De een is meer bezig met uit te stallen wat hij/zij heeft en weet, waar de ander zich oprecht wil verdiepen in de etalage van jouw leven en wat zich daarachter bevindt.
Maar ging het gesprek ook ergens over? Ja, best wel.

  • Over hoe de mens geneigd lijkt te zijn om zichzelf als het centrum van het universum te zien.
  • Over hoe de lezer/bestudeerder van de Bijbel de neiging lijkt te hebben om die Bijbel, zichzelf en God binnen de uiterst enge grenzen van de persoonlijke levenscocon en -sfeer te duiden en toe te passen.
  • Over hoe drama en/of trauma in iemands aanleiding kan zijn om serieus naar God te vragen.
  • Over hoe God te vinden is als de mens ernstig zoekt.
En nog wat dingen die er toe doen.

Ik heb respect voor hun zendingsijver. Een belangrijke reden (er zijn er meer) waarom ik altijd een praatje met mijn JG vrienden maak is dat ik ze aan wil moedigen om zich te focussen op de door God voorgestelde oplossing van het menselijk dilemma: het geloof in Jezus Christus. Ze weten het drommels goed: er is slechts één naam en middelaar gegeven waardoor de mens vriendschap met God kan ervaren. Dat wordt slechts terloops in gesprekken en in lectuur genoemd waardoor er het gevaar bestaat dat juist dat Goede Nieuws ondergesneeuwd raakt door minder relevante zaken. Zo kunnen JG's zich nogal bezorgd uitlaten over de heersende onkunde en praktijk betreffende Gods ware naam/titel. Ik vind dat toch wel een dingetje.

Dat soort dingetjes is overigens ook de evangelische boom met al haar vertakking niet vreemd. Wij kennen ook een tak aan de boom die het belangrijk vindt dat Jezus bij z'n oorspronkelijke roepnaam wordt aangeroepen (de namen van de andere karakters in Gods verhaal worden overigens niet terugvertaald), de sabbat op de juiste dag van de week wordt gevierd en nog een aantal geloofszijstraten waarvan het naambordje een flinke oppoetsbeurt krijgt. Allemaal prima hoor, zolang het niet het onderwerp van de missie wordt.

Inmiddels is het kadetje weggewerkt en is mevrouw twee ook weer bij de les. We praten nog wat over het weer. De drang om naar huis te gaan om (voor het wereldnieuws) de killersudoku op te lossen is nu sterk genoeg om me uit de triade los te weken. Ik word bedankt voor het bemoedigende gesprek.
Het sneeuwt een beetje.
't-Voelt goed om anderen een hart onder de riem te steken, ook al hangen ze wat mij betreft aan een wat eigenaardige (boom)tak.

22 januari 2018

Als de kleur van je kerk je niet aanstaat

Een van de geneugten van het leven in Nederland is dat we, omdat de meeste Nederlanders over een persoonlijk voortbewegingsapparaat beschikken dat langere afstanden in relatief kort tijd kan overbruggen, kunnen kiezen waar en met wie we ons verenigen. Voorbeeld: de kerk. Een zichzelf en de Bijbel serieus nemende gelovige sluit zich aan bij een groep van ongeveer gelijkdenkenden die regelmatig samenkomt in een daartoe bestemd gebouw. De keuze voor zo’n groep wordt bepaald door factoren zoals geografische afstand, traditie en vooral persoonlijke voorkeur. Kort door de bocht: we zoeken aansluiting bij een groep die het meest aan de persoonlijke voorkeur, beleving, overtuiging, wensen en favoriete ‘kleur’ van de zoeker/kiezer tegemoetkomt. Keuze te over in Nederland, met name in de grotere plaatsen. 

Als de ‘kleur’ teveel afwijkt, wordt een nieuwe groep gestart. Zo’n nieuwe groep heeft een fris, groen gazonnetje dat meteen opvalt bij hen deel uitmaken van andere groepen maar die het gazonnetje van hun huidige parochie wat fletsjes zijn gaan vinden. Dat frisse, onbesmette gazonnetje trekt vaak voldoende aandacht om het een en andere aan bladgroen van omringende groepjes weg te kapen. Sommigen noemen dat kerkgroei; ik pleeg het vluchtelingenkampen te noemen.

Vandaag vertrek ik naar een van mijn favoriete plekken in Australië: De Eyre Penninsula. Oppervlakte is 1,3 keer zo groot als Nederlander met een kleine 60 duizend inwoners. Aantal kerken: minimaal. In een 'Church Camp' van Ungarra Church of Christ spreek ik over de Bergrede. Met veel van de leden heb ik in de loop der jaren een hechte vriendschap opgebouwd. Een van de leiders van de kleine geloofsgemeenschap vroeg me eens waarom ik steeds weer terugkwam naar hen in plaats van proberen de kansel te veroveren in een grote stadse kerk. Mijn antwoord was en is simpel: tegen de heersende cultuur van “ik zoek wat bij mij past en aan mijn behoeften tegemoetkomt” is dit een plek waar, omdat de keuzemogelijkheden minimaal of zelfs afwezig zijn, de gelovige zichzelf de vraag stelt: “wat moet ik doen, of hoe pas ik me aan om bij deze kerk te kunnen/mogen horen?” Er is slecht één uitweg indien de gelovige vasthoudt aan het voornemen een hem/haar beter passende kleur te vinden: rijden. Heel ver rijden.

Het is mijn mening en beleving dat ongeacht bij welke groep een gelovige zich ook aansluit, vroeger of later het gras in de hof van de kerk wat fletsjes blijkt. De les die ik bij voortduring leer is: kijk niet naar het gras want je vindt altijd wel wat.

Eugene Petersen vat het kernachtig samen:
Van alle manieren om betrokken te raken bij dat wat we kerk noemen is het samenkomen van de gelovigen de meest absurde -  een bonte verzameling van mensen die op de een of andere wijze op zondagochtend bijeen weten te komen, vaak met een half hart liederen zingen die de helft niet kent of niet mooi vindt, zich op een preek concentreren afhankelijk van hun  vermogen om de stof op dat tijdstip te verteren of het volume en de charisma van de spreker, onbehouwen in hun toewijding en hortend en stotend in hun gebeden.
Maar deze mensen zijn ook de mensen die een diep lijden kennen en God vinden in hun lijden. Dit zijn de mensen die elkaar hun liefde verklaren, er trouw aan zijn door lief en leed en de vrucht van gerechtigheid voortbrengen, de vrucht van de geest die de mensen om hen heen tot zegen zijn…
…Deze groep van welwillende gelovigen is zeer divers en trekt samen op met hen die zich aan de buitenkant niet eens van de welwillenden onderscheiden.
Ik kan in de bijbel geen andere vorm van kerk vinden.

Eugene Petersen, Under the unpredictable plant, 23-4, Vertaling: moi

13 januari 2018

Ik leef vanuit een schaarste

De mens in het enige wezen dat in staat is om de kloof te herkennen tussen wat ze is en wat ze kan zijn, of is bedoeld te zijn. De woorden die ik gebruik om de kant van de kloof waar ik ben, te verbinden met de kant waar ik naar toe wil, worden gekenmerkt door verlangens en intenties.  

Wanneer ik luister naar gebeden komen daar relatief vaak zinnetjes in voor die beginnen met Heer, geef dat…, Heer maak mij (of ons)…, Heer, verander mij (of ons)…, Heer, meer…” Dat zijn gebeden vanuit de schaarste; het idee dat iets er wel is, maar niet in de mate zoals we deze voor ons zien of voor mogelijk houden.
Hierbij wordt erkend dat we 1) ergens zijn, en 2) onderweg maar nog niet gearriveerd zijn. In dezelfde zin verwoorden veel teksten van eigentijdse christelijke liederen deze schaarste. 

Five Members of the Utrecht Brotherhood of 

Jerusalem Pilgrims, c.1541 Jan Van Scorel
Mij spreekt het beeld van een volgeling van Christus als pelgrim aan; altijd onderweg en nooit gearriveerd. Het leven is de reis en de reis het avontuur.
De schaarste van de pelgrim is dat deze, met het beeld van de bestemming voor ogen, nog niet is waar hij wezen wil. Zonder een besef van nog niet zijn waar ik wezen wil, zou ik vervallen in genoegzaamheid. Het is juist de schaarste die mij motiveert; mijn dagen, leven en werk betekenis en zin geeft.

Wat oude poëtische regels zeggen het treffend:

Met lichte zaken op de rug
trotseert de pelgrim d’ elementen.
Weer en wind altijd zijn deel,
't zit hem altijd voor of tegen.

Kuiert fier het ritme van de dag,

schuwt, noch zoekt de furie van morgen.
Biedt het hoofd aan ‘t kwaad vandaag,
met het beeld van ‘t eind voor ogen.

(Auteur onbekend. Oorspronkelijk zes coupletten maar vier ervan moeten als voorgoed verloren worden beschouwd)

Ik hoef niet zo nodig te gaan waar ik niet kan staan (zie vorige Blog). Ik hoef de regen niet te zoeken. Die komt vanzelf. En als het dan regent, moge dan de grote woorden die we zingen en bidden bewaarheid worden. Het “meer” ontvangen we niet voor de regen komt, maar in de hoosbui.

10 januari 2018

De zee inlopen en door blijven lopen

Wat wordt er bedoeld als de aanwezigen, bij voorkeur (of in opdracht van de aanbiddingsleider) staande, met gesloten ogen, armen in de lucht en zachtjes meedeinend op het ritme, zingen “Leid me verder dan mijn voeten kunnen dragen. Ik vertrouw op uw genade, want ik ben in uw nabijheid.”
Het liedje is in de context en met het beeld van een boel water met daarbij wat flinke golven voor ogen gedicht. Een stevige plas water dus en geen siervijver in de achtertuin.

Ik zie mezelf de zee inlopen. De Westenwind (kracht 6-7) stuwt de korte, heftige golven flink op. Ik loop door tot het water me aan de lippen staat. Tussen de golven door haal ik, nu licht paniekerig maar met een air van “mij overkomt niets” adem. Hartslag boven de 150 slagen per minuut. Zoiets is op zich al beangstigend, laat staan als ik vervolgens doelbewust doorloop. Maar dat is wel de strekking van het lied. Doorlopen. Flink zijn; als jij niet meer kan staan krijgt de Heer eindelijk de kans om je te dragen.

Misschien is het een variant op de afschuwelijke generalisatie “wie mooi wil zijn moet pijn lijden,” een gezegde dat wel wordt gebruikt om mensen aan te moedigen die lijden aan door zichzelf toegebrachte pijntjes met als doel mooier of aantrekkelijker uit dat pijnproces te geraken. Dat heeft een bepaalde hoek in de christelijke theologie als waarheid omarmd; we groeien en veranderen pas als het eerste flink zeer heeft gedaan en hangen dit op aan een of twee Bijbelverzen die voor de handigheid uit de context zijn geknipt.[1]

AP Photo/Schalk van Zuydam
Telkens wanneer dit lied wordt gezongen (en dat wordt het nogal eens) zie ik het beeld voor me van de wanhopige en radeloze vader en/of moeder die haar kind aan de dood moet afstaan als gevolg van een dodelijke ziekte, ondervoeding, of wat dan ook.
Of ik zie de door tal van oorzaken gekwelde medemens die al moeite heeft om de voeten aan de grond te houden op de plek waar water en zee elkaar raken.
Het sluit totaal niet aan bij mijn beleving van de werkelijkheid waar wij deel van zijn. Ik krijg de woorden dan ook niet over mijn lippen en doe er het zwijgen toe, de stilte gebruikend om te bidden voor hen die niet kunnen zingen.

Nee, het is typisch een liedje dat door de welvarende gelovige gezongen wordt vanuit de pluche van een comfortabele (steeds vaker) theaterstoel. Goed doorvoed, (bijna) alles op een rijtje en toch lichtelijke ontevreden met de eigen geestelijke toestand: er moet meer te halen zijn. Wellicht dat de diepte uitkomst biedt en dat het daar mag gebeuren.

Dit soort diepte, zoals bezongen in het lied,  hoeven we niet op te zoeken. Die overkomt ons als een ongewenste, kwaadaardige, van z’n lang zal ze leven niet uitgenodigde gast. Sommigen overleven dit soort dieptes niet en dat ligt niet aan hen en ook niet aan God. Het gebeurt. Moge God allen die zich onvrijwillig in de diepte bevinden vasthouden

N.a.v. Oceans, Hillsong United. Hier een link naar de Nederlandse versie. Let op de heerlijk glijdende akkoorden en de opbouw naar de climax…..




[1] Bijvoorbeeld "Verheugt u daarin, ook al wordt gij thans, indien het moet zijn, voor korte tijd door allerlei verzoekingen bedroefd, opdat de echtheid van uw geloof, kostbaarder dan vergankelijk goud, dat door vuur beproefd wordt, tot lof en heerlijkheid en eer blijke te zijn bij de openbaring van Jezus Christus" (1 Petrus 1:6-7)
Of
“Ik heb u verlost, Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn. Wanneer gij door het water trekt, ben Ik met u; gaat gij door rivieren, zij zullen u niet wegspoelen; als gij door het vuur gaat, zult gij niet verteren en zal de vlam u niet verbranden” (Jesaja 43:1-2)

De gevende mens is een beter mens

Ik las onlangs het boek The Storyteller of Auschwitz van Siobhan Curham. In een van de eerste hoofdstukken ontmoet de hoofdpersoon, de Jood...