Je hoort "Hasta la Vista, Baby," als een papegaai klanken reproduceert die deze heeft gehoord, en weer gehoord, en nog eens gehoord. Die papegaai kan niet uitleggen wat "hasta", "la" en/of "vista" betekent. De knappe papegaai die hieraan toe zou voegen: "tussen haakjes; dit is Spaans voor 'tot ziens, lekker ding,'" zal nooit geboren worden.
Zo hoorde ik onlangs iemand in de kerk papegaaien "het gaat er niet om wat je doet, maar wie je bent." Voor dit soort uitspraken hoef je trouwens niet in de kerk te zijn, hoewel de identiteitshype haar heerlijk in de houdgreep heeft.
De eenzijdige nadruk op identiteit die vervolgens zaken zoals "je ding doen," "jezelf zijn," "dicht bij jezelf blijven" en "authentiek zijn" annexeert, is niet zozeer te herleiden tot een Bijbelse waarheid die na eeuwen onder het stof te hebben gelegen, plotseling herontdekt wordt.
Nee, het is eerder een ontwikkeling die zich van buiten de kerk naar binnen heeft gewerkt. Zelfontplooiing, zelfbewustzijn en zelfactualisatie zijn onder meer een reactie op een ongebreidelde economische ontwikkeling waarbij we collectief neigden naar een te overdreven accent op de mens als productie eenheid. "Wat doe je," is een vaak gestelde vraag en gretig leggen we aan onze gesprekspartner uit wat onze (vaak wat aangedikte) economische waarde is.
De vraag "wie ben je?" laat zich wat moeilijker beantwoorden, althans als de - uhhs, ahhs, en interessante vraag - reacties die vaak gehoord worden daarvan een indicator zijn.
Op zich is hier helemaal niets mis mee. Een goede, gezonde balans tussen zijn en doen; je hoeft geen 70 jaar op aarde rond te rommelen voordat je die ontdekking doet. Het vinden van die balans is een levenstaak waarbij nooit een zuiver midden gevonden wordt.
Onlangs stond er in een kerk, en vanachter het katheder een soort van super papegaai - hoe deze specimen aan zendtijd was gekomen is mij overigens een raadsel- tot zijn eigen lieve lust een partij te braken! De golven stortten zich over het schijnbaar gedweeë publiek, dat zich op en neer liet dirigeren en de klanken van de papegaai zelfs (in opdracht) nabootste.
Nu wordt het een papegaai niet aangerekend dat deze de context van de geuite klanken niet kent. Maar dat is anders bij een menselijke papegaai. Als duidelijk wordt dat deze slechts klanken nabootst die door een andere, nog grotere en kleurrijker papegaai zijn gesouffleerd, dan hebben we collectief een probleempje. Zeker als we dat passief laten gebeuren.
De Geest van Facebook heerst ook in de kerk: ik lees wat en ik hoor wat en als dat gelezene of gehoorde in mijn straatje past en/of ik vind dat dit ook het straatje van mijn vrienden door moet hengsten, dan like of share ik het toch. Puur papegaaiengedrag.
Het is natuurlijk verleidelijk om niet door het vervelende, tijdrovende traject van denken en toetsen heen te hoeven gaan. Laat anderen het werk maar doen. Ik braak dan wel na.
Als de doorworsteling van de materie ontbreekt (relaties, het leven met haar vreugde en verdriet, de vraag naar waarheid en zin, enzovoorts), is dat wat er over die materie gezegd wordt niet veel meer dan het karikatuur van een brakende papegaai.
Ik geloof nog voldoende in de mens om te geloven en te stellen dat we veel beter kunnen dan klanken uitstoten: woorden die uit de worsteling met het leven omhoog borrelen en leven en bemoediging brengen aan hen die daarnaar snakken.
Over religie, kerk, christendom, verbazing, mijmeringen en gebeurtenissen tijdens mijn omzwervingen door binnen- en buitenland. Vragend en onderzoekend. Dit is een persoonlijk blog en wat ik schrijf is dan ook niet representatief voor de organisatie waarvoor ik werk of voor de kerk waar ik lid van ben.
08 april 2016
16 maart 2016
18 januari 2016
God in het kippenhok
Jarenlang was het kippenhok de enige stabiele
omgeving die Sujit kende. Hij leerde, zoals alle kinderen doen, door imitatie.
Zijn voorbeelden waren kippen, en daarom gedroeg hij zich als een kip. Hij
hopte rond als een kip, hield zijn handen gevouwen als klauwen en fladderde met
zijn armen. Hij pikte naar zijn voedsel, kukelde als een haan en nestelde zich
op de vloer als hij ging slapen.[1]
Het tragische leven van “kippenjongen”
Sujit Kuma en andere voorbeelden van (ferale) kinderen die opgroeien in een
dierlijke omgeving toont onder andere aan in welke mate onze sociale omgeving
een rol speelt bij ons gedrag, taalvorming, wereldbeeld, enz..
Ik moest hieraan denken
toen iemand mij er onlangs op wees dat we voor het begrijpen van God slechts de
Bijbel nodig hebben. Het idee daarachter zou zijn dat God dan zelf zou zorgen
voor het nodig inzicht, een zuivere beeldvorming en interpretatie. De talloze
boeken, verklaringen en duizenden jaren van zwoegen om te begrijpen door grote
en kleinere namen, zou slechts ballast zijn en vooral onwelkome stoorzenders
die een helder en authentiek begrip in de weg staan.
Het idee van een
een-tweetje tussen God en mij (uiteraard met behulp van de Heilige Geest als vertaalstation)
is, hoezeer ik het idee erachter begrijp – het idee dat een objectieve, ultieme
autoritaire uitleg bestaat en mij persoonlijk wordt geopenbaard - niets meer of
minder dan een illusie en een vrucht van het neo-liberale individualistische
denken. Tegelijkertijd, en de eerlijkheid gebied me dit te melden; de apostel
Jacobus stimuleert het idee van dit een-tweetje.[2]
Echter,
omdat de Bijbel in een “wij context” is geschreven en bedoeld, is het wel zo
sportief om het “wij-idee” vast te houden bij de interpretatie ervan. Een
voorbeeld van het verkrijgen van inzicht door er heftig naar te speuren is
onder andere in Spreuken 2 te vinden.[3]
Stel je voor dat ik zou
besluiten om op mijn 27ste verjaardag alles wat ik ooit gehoord,
geleerd en gelezen heb overboord te gooien en opnieuw te beginnen: een frisse
nieuwe Bijbel, een maagdelijk witte Moleskine (met zwarte, harde kaft), een
setje balpennen en vertrouwen op de vooral in mysterie gehulde Heilige Geest. Het
idee is tegelijk dolletjes en naïef.
De beelden, begrippen,
inzichten, wereldbeelden en overtuigingen; de hele rataplan is onmogelijk
ongedaan te maken. Ik ben het “slachtoffer” van mijn eigen socialisatie en heb
daarin weinig te kiezen. Wellicht dat enige ombuiging mogelijk is maar dat lukt
me nooit alleen. Het Bijbelse idee van leven en leren in gemeenschap waarbij ik
me nooit alleen tot God verhoud, maar altijd ook tot de ander is het instrument
dat een rol speelt ik het herzien en/of hervormen van beelden, gedachten en
interpretaties.
In het Judaïsme en
Christendom speelt interpretatie een voorname rol. Het "gemeenschap"
zijn betekent onder andere dat we met en van elkaar leren en elkaar, dus ook
elkaars interpretatie voortdurend bevragen. Het idee dat het slechts tussen God
en het individu zou gaan impliceert een "ongefilterde infostroom".
Met andere woorden wat ik beleef, voel en denk zou zuiverder zijn dan wat ik
samen met en door anderen leer, hetgeen niets anders dan besmetting zou zijn.
Dat is altijd de oorsprong van sektarisme. Gods scheppingsmodel omvat altijd de
ander. Zonder de ander kunnen we niet eens bestaan. Zonder de ander zou mijn
wereld nooit groter zijn of worden dan mijn eigen kippenhok.
[1] Uit “Het
maakbare brein” van Margriet Sitskoorn (Bert bakker, 2008)
[2] “Komt
een van u wijsheid tekort? Vraag God erom en hij, die aan iedereen geeft,
zonder voorbehoud en zonder verwijt, zal u wijsheid geven” (Jakobus 1:5).
[3] Spreuken
2:1-5 Mijn zoon, als je mijn woorden aanneemt, en mijn
geboden bij je opbergt, om je oor acht te doen slaan op de wijsheid, als je je
hart neigt naar het inzicht, ja, als je roept om het verstand, je stem laat
klinken om inzicht, als je het zoekt als zilver, het naspeurt als verborgen
schatten, dan zul je de vreze des HEEREN begrijpen, de kennis van God vinden.
17 december 2015
En jawel hoor, negen maanden later...
Het is vandaag precies negen maanden en een dag geleden dat onze laatste nieuwbrief verscheen. Tijd voor een update. Het kost je drie tot vier minuten van je leven om het te lezen. Gelukkig zit je zelf aan de knop van dat besluit.
Klik HIER
Hartelijke groet!
Jan en Martha
Klik HIER
Hartelijke groet!
Jan en Martha
14 december 2015
De God waarin jij gelooft, is niet de God van de Bijbel
“De God waarin jij gelooft, is niet de God van de Bijbel;” een
conclusie die je zou verwachten van iemand die de Bijbel als Godsopenbaring
beschouwt in gesprek met iemand die God ziet als de vader of moeder van een
selecte groep bomenknuffelaars, dolfijnenfluisteraars of boerenkaas liefhebbers.
Je zou zo’n oordeel niet verwachten van iemand die in gesprek is met een ander
iemand die nota bene tot dezelfde geloofsbloedgroep behoort. Alleen maar omdat
(in dit geval) de een er andere visie op genezing op nahoudt dan de ander. Het gebeurt
en zal helaas blijven gebeuren. Er zijn volgelingen van Christus die hun
medevolgelingen het licht in de ogen nauwelijks gunnen.
![]() |
| Bron: |
Het “probleem” met het geloof is dat het is wat het zegt: “geloof”.
Het omgeeft zich met nevelen van abstractie en interpretatie. Om het toch te
kunnen verankeren in iets wat houvast biedt hebben we zogenaamde dogma’s. Die
dogma’s kaderen het geloof in zodat we er nog wat wijs uit kunnen. Deze ankers
worden vastgeklampt en zijn de inzet voor wat we kennen als geloofsstrijd. Ik
denk wel eens dat hoe onzekerder de gelovige is, hoe krampachtiger de vastklamping is.
De geloofsreis die we persoonlijk en collectief afleggen is
eindeloos. Dat moet mijns inziens worden erkend. Op het moment dat ik me ga
gedragen alsof ik er al ben en het allemaal weet, hoe onprettiger ik word in de
omgang en dialoog. Dat laatste wordt namelijk een monoloog. Een echt gesprek
kan dan niet meer plaatsvinden.
![]() |
| Bron: |
In de kringen waarin ik me doorgaans ophoud is vaak te horen
dat het oordeel niet aan ons is, maar aan God. In de praktijk kom ik echter
heel wat hobbyrechters tegen die zich aardig hebben weten te specialiseren in
civiel-, bestuurs-, en strafrecht.
Als God liefhebben en onze
naaste als onszelf inderdaad het overstijgende Bijbelse thema is (zoals
Jezus de wet samenvat) dan zou dit een dogma moeten zijn waar christenen in de
praktijk in uitblinken. Gelukkig zie ik dit om me heen gebeuren. Als de genade
die God ons geeft in Jezus Christus mijn hart diep raakt kan ik onmogelijk nog
een oordeel vellen zoals in de eerste regel verwoord.
Samen (zie vorige Blog) zongen we het bekende lied “Genade
zo oneindig groot dat ik, die ’t niet verdien, het leven vond, want ik was dood,
was blind maar nu kan ‘k zien.” Ik kan het niet helpen maar telkens als ik dit
lied hoor of zing, tranen van diep binnen in me opwellen. Ik kijk om me heen en
zie mensen die zo anders zijn, anders denken en doen, maar allemaal door God
geliefd zijn; God die liefheeft zonder te discrimineren. Dat wil ik ook.
23 november 2015
Opzouten met dat traditionele gedoe!?
Acht november 2015
Zo tegen tienen rijd ik het plaatsje Buxton binnen, zet de
auto stil en druk het rechterraam open. Zoals verwacht hoor ik ergens klokken
luiden, een wekelijks terugkerend pogen om de slapende dorpelingen te verleiden
zich ter kerke te begeven. Aangezien ik al wakker, en in Buxton ben, laat ik me deze ochtend
verleiden. Sterker, ik ben met dat uitdrukkelijke doel naar Buxton gereden.
De (Anglicaanse) kerk blijkt Saint Peter’sFairfield te zijn en ik volg een groepje bejaarden die zich langs voor
altoos zwijgende, want begraven, vroegere kerkgangers een weg naar de voordeur
schuifelen.
Binnen tref ik een kleine dertigtal 70-plussers, één jonger
echtpaar van in de zestig en een nog jonger echtpaar met twee kinderen aan. Het
orgel speelt zachtjes een eeuwenoud gezang terwijl achterin het veertien koppige
koor in witte gewaden de laatste weerbarstige plooien in voorkeurspositie
dwingt. De kerklokken verstommen, wat voor de aanwezigen het signaal is om het
geroezemoes te staken en een gepast
gedragen houding aan te nemen. In processie begeeft het koor zich naar de hun toegewezen
plaats: links en rechts van het altaar, dat aldoor zichtbaar is en in het uur
dat volgt knikjes krijgt van iedereen die ook maar iets doet of zegt in de bijeenkomst. Buiten, achter de eeuwenoude glas-in-lood ramen en metersdikke muren, blaft een hond en blijft dat doen.
Behalve de preek weet ik precies wat er gezegd gaat worden
door de dominee en de aanwezigen. Het script heb ik al gekregen en in twee
minuten gelezen. Sterk liturgisch en bevat voor de routiniers geen enkele
verrassing. Het is voorspelbaar en traditioneel. Mocht een van de vroegere
kerkleden, die om de kerk heen begraven liggen, de euvele moed hebben om uit
het graf op te staan en besluiten om als eerste daad een kerkdienst mee te
maken; hij of zij zou zonder enige moeite aanhaken, alsof de tijd heeft stilgestaan.
Ik geniet. Maar waarom? Alles wat ik in de vorige drie
alinea’s schreef zou eerder aanleiding kunnen zijn om gek gillend te maken dat
ik wegkom.
Waar de evangelische wereld zich bij voorkeur druk maakt om de
individuele geloofsbeleving en opteert voor een vrij waaiende Geest van God
(die van ons toestemming krijgt om Zijn werk vrijelijk te doen) staat hier het
collectief meer centraal; God en ons, God en de wereld, God en de kerk waarbij
het kruis en het altaar letterlijk zichtbaar zijn en waarop voortdurend wordt
gewezen (al die aandacht op Christus zou zowaar kunnen gaan irriteren).
We vieren avondmaal, zingen mijn favoriete lied AmazingGrace en bidden het Onze Vader. Ook al ken ik geen mens in deze kerk; ik voel
me helemaal met deze mensen verbonden. ‘t Is familie.
De preek kan ik me niet herinneren. Wel dat het bijzonder vaag was en minder dan tien minuten duurde. Was niet zo heel erg. Ook weer een belangrijk verschil. In de Evangelische kerk staat de preek centraal; de dienst wordt opgebouwd rondom de verkondiging. In deze kerk is de heel de dienst het Woord. Alles wat gesproken word is Woord. Sommigen zullen dat benauwend vinden; voor mij werkt het bevrijdend.
De preek kan ik me niet herinneren. Wel dat het bijzonder vaag was en minder dan tien minuten duurde. Was niet zo heel erg. Ook weer een belangrijk verschil. In de Evangelische kerk staat de preek centraal; de dienst wordt opgebouwd rondom de verkondiging. In deze kerk is de heel de dienst het Woord. Alles wat gesproken word is Woord. Sommigen zullen dat benauwend vinden; voor mij werkt het bevrijdend.
Uiteindelijk vertrek ik als laatste voordat de koster de
deuren sluit.
Terug in de auto zet ik de binnenspiegel recht en zie mijn spiegelbeeld.
Ik realiseer me dat ik meer grijze haren heb dan dat ik dacht of wenste en zie in mijn ooghoek de tientallen grijze grafstenen. Ik schud de nare
gedachte van me af en rijd het heuvellandschap van Derbyshire in. Stilletjes
bid ik het Onze Vader nog een keer.
17 november 2015
Daar is de Here God niet zo heel erg blij mee, weet je.
De intocht van Sinterklaas zal in veel kerken een aardige
aanleiding zijn geweest om het “kindermoment” aan vast te haken. “Ben jij ook
wel eens jaloers op je vriendje die een groot cadeau heeft gekregen, terwijl
jij een stomme chocoladeletter kreeg?” Het is bedoeld als retorische vraag
omdat het correcte antwoord “ja” behoord te zijn. Vervolgens het inkoppertje “als
jij jaloers bent moet je weten dat de Here God daar niet zo heel erg blij mee
is”.
Als je een poosje naar “de Here God is daar niet zo heel erg
blij mee” staart, roept dat onvermijdelijk vragen op. Bijvoorbeeld: bestaat er
een soort van glijdende schaal van blijdschap bij God die omgekeerd evenredig
is aan het niveau van mijn gevoelens van jaloersheid, of welke andere zaken dan
ook die God meer of minder blij zouden maken? Met andere woorden: Hoe jaloerser
ik ben hoe minder blij God met mij is?
Gisteren naar drie preken geluisterd waarin eenzelfde
achterliggende gedachte verborgen zit:
- We moeten liefhebben. (Hoe meer ik liefheb hoe blijer God van me wordt)
- We moeten geloven in een letterlijke schepping van zes dagen en een heerlijke jonge aarde. (Hoe letterlijker ik de Bijbel neem, hoe meer aaitjes over mijn bol ik krijg van God)
- We moeten kappen met zelf werken. (Hoe meer ik toegeef dat ik niets kan, hoe beter God uit de verf komt)
Wat is nu mijn probleem hiermee? Mijn liefhebben zal altijd
tekorten vertonen. Mijn vragen en worstelingen met de Bijbel zullen
waarschijnlijk alleen maar toenemen en dat “zelf werken of hem laten werken” is
zo’n abstracte gedachte dat niemand kan vertellen hoe dat dan werkt, anders dan
het introduceren van nog meer abstractie, zoals “loslaten” en “overgeven”.
Kortom, een overweldigend gevoel van “ik doe het nooit goed
genoeg” heeft zich in de krochten van mijn ziel genesteld en dat wordt vrijwel
iedere keer als ik naar een preek luister bevestigd. Maar één ding weet ik en
dat is dat er, om even bij de denkbeeldige glijdende schaal te blijven, een
kantelpunt is dat werkelijk alles verandert. Dat kantelpunt is Christus. Door
een unilaterale daad van Hem ben ik bevrijd, en met God en medemens verzoend.
Daar komt geen glijdende schaal aan te pas. Door die daad van Hem en mijn
geloof in die daad is mijn werk, mijn leven en zijn mijn relaties bevrijd.
Met andere woorden, ik zie en hoor nog teveel Sinterklaas met een achteloos verborgen maar wel degelijk aanwezige Zwarte Piet in
preken en studies, en mis het hoofdstuk over verlossing waarmee alles in een
ander perspectief komt te staan en we in een relatie met God staan waarbij synergie[1]
centraal staat.
Ik reken het mijn collega's niet te zeer aan, hoor. Wat ik namelijk niet mis is het verlangen dat doorklinkt in veel preken en verwoordt wat velen voelen: juist omdat we overweldigd zijn door de liefde Gods, willen we het zo graag goeddoen en Hem behagen. Daar is volgens mij niets mis mee.
01 november 2015
Geven maakt gelukkiger dan ontvangen?
Geven maakt
gelukkiger dan ontvangen
Met deze woorden moedigt de apostel Paulus de leiders van de gemeente in Efeze aan om, door hard te werken, de zwakken te steunen[i].
De zorg voor, en steun aan gevangenen, zieken, hongerigen, dorstigen,
vreemdelingen en naakten wordt door Jezus gewaardeerd als daden op Hem gericht[ii].
Geven wordt hierbij van alle abstractie ontdaan; het is een zichtbare en
praktische manifestatie van het koninkrijk van God.
De uitspraak “Geven maakt gelukkiger dan ontvangen”, kan
gemakkelijk worden aangewend om een publiek te bespelen; wie wil er immers niet
gelukkig zijn? Het “geluk” zou zomaar evenredig kunnen toenemen met de omvang
van de gift en wellicht een tienvoudig rendement opleveren…
Ja, de gever kan zich zomaar gelukkiger gaan voelen. De relatie geluksbeleving en geven wordt regelmatig wetenschappelijk onderzocht en aangetoond. Daar waar de mens overeenkomstig Gods scheppingsorde handelt zal men er over het algemeen een goed gevoel aan overhouden.
Talloze publicaties richten zich op het belang van “geven”; de gelukkige optie die tegenover de minder gelukkige optie van “ontvangen” staat. Maar waarom is het “ontvangen” de ondergeschikte optie?
Ja, de gever kan zich zomaar gelukkiger gaan voelen. De relatie geluksbeleving en geven wordt regelmatig wetenschappelijk onderzocht en aangetoond. Daar waar de mens overeenkomstig Gods scheppingsorde handelt zal men er over het algemeen een goed gevoel aan overhouden.
Talloze publicaties richten zich op het belang van “geven”; de gelukkige optie die tegenover de minder gelukkige optie van “ontvangen” staat. Maar waarom is het “ontvangen” de ondergeschikte optie?
Tussen de gever en ontvanger ontstaat gemakkelijk een
positie van afhankelijkheid. In de zendingswereld is het niet ongewoon dat
gevers hun gift een specifieke bestemming geven of de besteding ervan met
allerlei voorwaarden vergezeld doen gaan. Paulus begreep dat zo’n
afhankelijkheidspositie zijn missie niet ten goede zou komen en werkte er hard
aan om dat te voorkomen. Hij voorzag in zijn eigen onderhoud en dat van zijn
team door, onder andere, bij te klussen[iii].
Waar het op aankomt is dat de gever geeft in het vertrouwen dat de gift wordt aangewend voor het doel dat de ontvanger aangeeft. Hier houdt de verantwoordelijkheid van de gever op. Nu is het aan de ontvanger om een betrouwbaar rentmeester blijken te zijn. De ontvanger is nu verantwoordelijk en daar hangt wel wat gewicht aan.
Geven doen we allemaal (middelen, tijd, aandacht, geld). Een
wijze investering is in de doelgroep waar we Christus vinden en dienen: de
zwakken. Net als in de tijd van de apostel Paulus is en blijft het teamwerk.
Een belangrijke reden waarom we over Paulus lezen is dat hij zich omringde met
tientallen mensen die een groot aantal (part time) taken op zich namen. In zijn
brieven worden er meer dan veertig met name genoemd en/of bedankt. Het is
dankzij de gaven van dit team dat Paulus uiteindelijk in Rome terechtkwam om
aan het hof het Evangelie te verkondigen. Als ontvanger van deze bijzondere
gaven betaalde Paulus een prijs en was zich voortdurend bewust van de
verantwoordelijkheid die dit met zich meebracht[iv].
Om ervoor te waken dat het geven niet wordt gereduceerd tot
een administratieve transactie is de relatie tussen de gever en de ontvanger
voor groot belang en dient ingebed te zijn in een theologie van gemeenschap[v].
De mens is geschapen om in een gezonde relatie met God, de ander en de
schepping te leven en te bewegen; met een gedeelde opdracht maar afzonderlijke taken
en verantwoordelijkheden. Daar is niet langer sprake van geven of ontvangen
maar van “delen” in de investering en de opbrengst.
Gepubliceerd in het GO Magazine van Operatie Mobilisatie, September 2015, nr 333.
28 oktober 2015
Hoe een streep op Canvas toch wel mooi kan zijn
Welk schilderij vind je mooier? De bovenste of de onderste?
De onderste is door mij gemaakt met Paint. De bovenste door Herman de Vries. Die van mij levert niets op, die van Herman waarschijnlijk tienduizenden euro’s. Simpelweg omdat het een Herman is. De streep en de kleur van de streep zijn in beide gevallen “random”, ofwel zomaar neergezet. De naam erachter plus het werkje in de bredere context van overige prestaties bepaald het “gewicht” van een kunstwerk. Kortom, hoeveel gezag draagt de streep? Nu is mijn streep niets meer dan het resultaat van leentjebuur spelen. Herman was misschien wel de eerste die zomaar een streep op een doek zette. En sommigen vinden het prachtig, dapper, gedurfd, .. noem maar op. Dat van mij is na-aperij, hoewel ik vol zal houden dat Herman de Vries slechts een inspiratiebron was voor mijn werk, dat uiteraard geheel anders is omdat de streep blauw is.
Voor (s)preken gaat eenzelfde vlieger op. Hoe zwaar wegen de woorden die ik spreek? Het meeste spreken is niets anders dan knip en plakwerk waarbij ik ook nog eens de luxe heb dat ik alleen plak wat ik wil dat de ander hoort. De media voorziet ons met een onbetamelijke gretigheid van door haar geselecteerde sound-, en video bites. Die gemaakte selectie is vervolgens alles wat ik heb om mijn mening te plakken. Omdat we over het algemeen gewoon zijn om binnen bepaalde kaders te denken en te spreken en slechts enkelen de durf hebben om buiten die kaders te kijken, laten we ons we als een kudde makke lammeren naar het abattoir van de beschaving masseren. De met name door de media gecreëerde hetze rondom de vluchtelingenproblematiek is een voorbeeld van het onvermogen, of zelfs onwil, van een grote meerderheid om nog buiten deze geschapen werkelijkheid te durven tasten.
Daar lag ik dus vannacht van wakker. Wat een streep op canvas je al niet kan aandoen. Het toont wel lef. Juist omdat het buiten de kaders van redelijkheid, esthetiek en tijdgeest reikt, hangt het aan de muur in het Kröller-Muller museum, samen met wat andere strepen op canvas.
Toch nog even de link met spreken afmaken. Theologie is een speelveld met kaders. Deze kaders zijn net zo goed onderhevig aan de tijdgeest, maatschappelijke ontwikkelingen en wetenschappelijke ontdekkingen. Dat speelveld is voortdurend in beweging. Velen vinden dat lastig omdat het met dat bewegen aan zekerheden tornt die juist het houvast bieden waar men zo naar verlangt. Ik schuur graag tegen die kaders aan. Of ik ook het lef heb om buiten deze kaders te treden? Ik knip en plak daar volgens mij teveel voor. Het is zeer onwaarschijnlijk dat er ooit een theologische “willekeurige streep op canvas” van ondergetekende verschijnt.
19 oktober 2015
Maar God wil toch dat ik mijn volkorenboterham beleg met Stolwijkse boerenkaas?
Iemand verhaalt in een mail aan vrienden hoe ze (ik maak
de persoon voor een beter lopend verhaal een vrouw) uitgenodigd werd om te
spreken op een conferentie aan de andere kant van de wereld. Dilemma: ze was al
vastgelegd voor een conferentie dichter bij huis. De oplossing lag hierin dat deze
conferentie door de organisatoren werd afgeblazen. In de mail lees ik hoe “toen ik
de eerste afspraak maakte de Heer al wist en wilde dat ik op de later geplande
conferentie zou spreken.”
Een paar weken later ontving ik een mail met de
boodschap dat, na aankomst op de plaats van bestemming, ook deze conferentie op
het laatste moment werd afgeblazen.
Hoe verzoenen evangelische christenen een dergelijke speling
van het lot (dat overigens niet zou bestaan; alles is immers leiding) met hun
werkelijkheid? Dat gaat vrij gemakkelijk en lijkt zelfs geen enkel existentieel
dilemma op te leveren: “voordat ik met mijn planning aan de gang ging, wist de Heer al dat
ik een week ontspanning in een warm oord nodig had.” Dilemma opgelost.
Ja, echt. Ik verzin dit niet.
Het idee dat God er is voor
ieder detail van ons leven en dat allemaal voor de grondlegging van de wereld al
heeft uitgewerkt is zo’n beetje gemeengoed onder vooral evangelicalen.
Zo lang het leven zich in een redelijk constante lijn van
voorspoed, gezondheid en niet al teveel persoonlijke ellende ontvouwt, is dit
wel vol te houden. Het is echter niets anders dan een groteske vorm van navelstaren;
God is er voor mijn welbevinden. De vloek van het individualisme is tot in de
kleinste kieren van het christendom binnengedrongen, en dat onder het mom van
het claimen wat ons door God al gegeven zou zijn.
![]() |
| Some rights reserved by Peter Casier |
Het staat in schril contrast met wat voor duizenden anderen realiteit
is: Stervende kinderen door
infectieziektes, uitdroging of oorlogsgeweld. Gezinnen die in de naam van een
God of wat dan ook uiteengerukt worden. Een ongekend psychisch en fysiek leed
dat zovelen direct en indirect ondergaan…
Begrijp me goed. Ik ben God dankbaar voor een dak boven mijn
hoofd, geweldige relatie met kinderen en kleinkinderen, (vaak) boerenkaas op mijn
boterham en gezondheid. Veel van waarvoor ik dankbaar ben en kan zijn heeft
echter eerder te maken met het feit dat ik het geluk heb gehad in Nederland geboren
te zijn. Maar de geestelijk bravoure die aanspraak maakt op Zijn geweldige,
verrassende, unieke en individuele leiding met mijn geluk voor ogen is ongepast.
Het is aards en een verkapte vorm van hedonisme. Ik schaam me diep en kan het
niet uitleggen aan mijn broeder die het vandaag weer eens zonder zelfs maar één
maaltijd moet doen. Of mijn zuster wier echtgenoot in de naam van een denkbeeldige God is afgeslacht. Of de zuster/broeder die de Heer al een leven lang smeekt om genezing van een handicap, ziekte of aandoening.
Heer, wees mij genadig!
Abonneren op:
Posts (Atom)
De gevende mens is een beter mens
Ik las onlangs het boek The Storyteller of Auschwitz van Siobhan Curham. In een van de eerste hoofdstukken ontmoet de hoofdpersoon, de Jood...







