06 februari 2020

God verzoeken om te vullen

Of de Heer de ruimte alsjeblieft wilde vullen met zijn tegenwoordigheid.
Iemand bad dat.
Maakte tegelijk een geruststellend verwelkomend gebaar met beide armen.
Zo'n gebaar waarbij je voelt dat de gebaarder probeert te zeggen: "mi casa es su casa."

"Ja Heer, we nodigen u echt uit," viel een ander de iemand bij.

Ik probeerde me het plaatje voor te stellen dat hierbij zou kunnen passen.
God bij de deur. Hij kijkt naar binnen waar een groep mensen in rijen achter elkaar in een soort brede bus zitten. Ze zingen liederen. Sommigen zitten, anderen staan. Een iemand kijkt ernstig, weer een ander kijkt met een hemelse glimlach naar het plafond. Weer een, ditmaal staande, ander kijkt met "een blikje" naar de persoon naast hem die zwijgend zittend voor zich uit staart. Eén iemand schiet een propje weg en weer een ander veegt met de duim snel iets van om of nabij de neus weg.
God aarzelt om naar binnen te gaan. Hij wacht op de officiele uitnodiging. Iedereen in de ruimte weet heus wel dat Hij er allang is maar het is beter te wachten op een formeel welkom.
De groep heeft zich warmgezongen en het moment is daar dat iemand die de band op het podium lijkt aan te sturen Zijn aanwezigheid bevestigt met een officieel welkom.
Natuurijk was Hij al aanwezig. Het verschil is dat Hij nu echt aanwezig is en aan het werk kan. Men is er klaar voor.

Mocht je je ooit onder een groep biddende mensen begeven, let dan eens op hoe vaak het woordje "echt" valt. Het voelt dan alsof tot het moment dat het woordje "echt" valt, alles wat daarvoor gebeden werd onder de noemer "gewoon" valt en dat alles wat na "echt" volgt pas echt menens is. Totdat "echt" nog een keer valt en daarmee impliciet het daarvoor gebedene en gezegde minder verklaart.

Zou God misschien een maatje groter kunnen zijn?
Leven we en begeven we ons immers niet in de ruimte die we Gods tegenwoordigheid noemen? "Ik ben," zo stelt Hij zich voor aan Mozes.
"Ik ben" laat zich onmogelijk vertalen in twee- en drie dimensionale beelden, of in schamele woorden, hoe vernuftig en knap dan ook gevonden.
Er valt niets uit te nodigen, of te smeken om te vullen.

Daar waar geen enkel beeld van God meer over is om op terug te vallen, of aan vast te houden of naar terug te grijpen; in die leegte en die stilte die volkomen gevuld is met "Ik ben," pas daar wordt geloof mogelijk.
De tranen die mensen schreien, de vragen die ze stellen, de wanhoop die ze voelen, het verlies dat ze lijden, de antwoorden die zich maar niet laten vinden; het beste van God dat we ze kunnen geven is "het er zijn." In dat "zijn" wordt de manifestatie van God wellicht het sterkst ervaren, ook al ontbreken de woorden om het te omschrijven.
Daarom ook is de centrale plaats van Christus in het Godgeloof essentieel. In Christus zien we het wezen van God gemanifesteerd. Zonder Christus is en blijft God de onzienlijke en de eeuwig abstracte. In Hem komt Gods wezen naar voren en naar boven (eigenlijk beneden).

Vormen, verwachtingen, systemen en structuren gebruiken we om God wat tastbaarder en het leven meetbaarder te maken. Schamele pogingen zijn het die zomaar de plaats van God in kunnen nemen en/of kunnen verworden tot een show. Als we dat loslaten en in dat schijnbare niets terechtkomen, daar waar geloof mogelijk wordt, zien we Christus.

31 januari 2020

De Kristen en de Knijper

Kom ik toch iemand tegen die èn in de Heer is èn beweert dat God waarschijnlijk niet alles weet. "Hè", dacht ik zo bij mezelf, "sinds wanneer kunnen die twee naast elkaar bestaan?"  "Kijk zelf maar" zei hij; "God veranderde zijn plan nadat Mozes hartstikke lang had gebeden, had er spijt van dat hij Saul koning had gemaakt en vernietigde Nineve niet zoals Hij eerst wel beloofd had, en zo kan ik nog wel even doorgaan."
Ik overwoog even om wat klein geweld toe te passen om de man weer bij zijn positieven te brengen door hem, zoals Martha altijd doet als ik niet doe wat ze wil, heel hard en gemeen in de arm te knijpen of goedkope Action verf in z'n gezicht en haar te smeren.
Ik moest die man helpen zien dat dit soort verhalen slechts de schijn wekken dat God iets niet zou weten want natuurlijk weten we dat een God die niet alles zou weten never nooit niet een, laat staan ONZE, God zou kunnen zijn. Stel je voor zeg, dat het roepen  van de mens tot God ook maar enig effect zou hebben op Zijn plan; het roepen en bidden was gepland, Zijn antwoord al voor de schepping van de wereld verwoord en in een actieplan uitgewerkt en samen met het creëren van de suggestie dat wij, domme, kleine mensen, die nooit iets echt snappen of iets echt goed kunnen doen invloed zouden kunnen hebben op het hart en de wil van God.
Harder knijpen! Hij snapt het niet. Meer verf.

Dit scenario is niet alleen maar denkbeeldig. Het raakt het hart van een van de grote mysteries aangaande God. Ondanks de vele pogingen om het naar links of rechts of zelfs het midden te verklaren, is het een illusie te hopen of te denken dat we er ooit uitkomen.

Nu laat God zich ook niet zomaar in een hoekje zetten of een beeldje drukken, hoe graag ik het ook zou willen.
Geen man, geen mens, maar Geest. En Geest laat zich maar moeilijk vormen, vangen en/of knijpen.

Waar te beginnen? Het enige, enigszins tastbare dat de wereld van God heeft gekregen, waar we iets mee kunnen, is Jezus.

"Ja", hoor ik een andere en om andere redenen in een velletje te knijpen man zeggen, "maar Jezus is toch ook maar een afbeelding, een soort van gestripte verzie van God?" Kan zijn, maar als Hij de ware aard van God belichaamt, kan ik er wel wat mee. Dan spijker ik hem of als godsdienstwaanzinnige, terrorist of bedreiging voor de openbare veiligheid  aan het kruis, of ik besluit hem te volgen om te ontdekken of Hij werkelijk de verbinding is tussen de geknepen, of de te knijpen man,  en de ongrijpbare Geest.

30 januari 2020

De achterkant van het alles van tevoren regelen

Een pakketreis is handig. Alles geregeld dus kun je meer zien. In 24 uur de molens van Kinderdijk, de Keukenhof, Anne Frankhuis, Rijksmuseum en als kers op de taart nog even naar Brussel.
Wat als je wat meer ruimte laat voor nietsdoen? Vanuit dat nietsdoen zou zomaar iets kunnen ontstaan wat zich op geen enkele manier van tevoren laat plannen of organiseren.

Naast me zit mijn nicht Lou-Anne. Aan de andere kan van me zit een nog onbekend persoon. Ik kan ervoor kiezen om te negeren wat er om me heen gebeurt. Misschien zit ik zo niet in elkaar want dat is bijna onmogelijk voor me, behalve in een vliegtuig waar ik zonder moeite 12 uur kan zwijgen.
Shauna, want zo heet de nu niet langer geheel onbekende, is onderweg naar haar ouderlijk huis in Ierland. Ze heeft drie jaar door Australië rondgereisd en zit vol met tips, suggesties en contacten.
Ik had mijn nicht van tevoren aangeraden om niet teveel te willen organiseren omdat de meeste dingen, inclusief volgende stappen in het leven, zich meestal ontvouwen vanuit contacten en relaties. Ik zie dat als als deel van de (scheppings)orde der dingen. Dat geldt voor ontmoetingen met anderen maar begint vooral met het oog hebben voor je omgeving.
Het zou zomaar kunnen zijn dat in een wereld waarin de mens zich meer en meer lijkt te isoleren van anderen en zich binnen een eigen gecreëerd leefding (zal best wel een term voor zijn) beweegt - home is where wifi is - eigenlijk best wel veel mist.
Leven doe je vooral met elkaar. Door de directe omgeving niet te negeren heeft nicht Lou-Anne al een contact die haar, zo verzekerde ze stellig, aan werk kan helpen. Dat belooft wat met nog weken te gaan en ontmoetingen met letterlijk honderden vrienden en kennissen die ik in Australië heb. En dan hebben we het nog niet eens over de toevallige Shaunas.

p.s. Tip voor de dag: geen. Als je dat wat karig vindt: kijk om je heen en reageer.
p.s. 2 Shauna is mijn meest recente BFF. Kosten: 20 minuten aandacht geven.

29 januari 2020

Dah pastor is in dah House

Als je er even over nadenkt is het relatief nieuwe gebruik van de titel "senior pastor" of "lead pastor" op z'n minst eigenaardig te noemen. Het feit dat we in Nederland weer een Engels begrip omarmen, er groepen van gelovigen mee associëren en betreffende personen het op hun visitekaartje afdrukken, zou op z'n minst een fronsje op het gezicht van de gemiddelde gelovige moeten produceren zonder dat het nu meteen op de agenda gezet zou moeten worden. Waarom wordt alleen de pastor naar zijn baan vernoemd? Oké, natuurlijk is er de secretaris of secretaresse en misschien een Youth Pastor of een Hoofd van  iets. Maar waar het gaat om de gaven die Christus heeft gegeven (Ef. 4) en die samen als fundament van een plaatselijke kerk fungeren wordt alleen de "herder" betiteld. We vragen namelijk niet: is de junior profeet toevallig op kantoor aanwezig, of de interim apostel? Nee? Dan de hoofdevangelist misschien, of iemand anders met Senior in zijn/haar titel? O, alleen de junior herder is er? Dan bel ik later wel terug. Dahaag.

Waarschijnlijk heeft men gekozen voor pastor omdat 1) men dat in Amerika en Azie ook doet, dus zal het wel goed zijn en 2) het Nederlandse woord voor pastor te makkelijk associaties oproept met schapen. Pastor bekt lekkerder en verkoopt beter dan "herder", laat staan "oude herder" of "hoofdherder".
Of men het nu doet tijdens, postuum of nadat de pastor/voorganger/predikant zijn ambtstermijn heeft volgemaakt en zijn foto naast die van de vorige herder een plekje krijgt in het kerkgebouw, wat blijft staan is het mysterie van de opwaardering van die ene gave boven de andere gaven. Dat mysterie gaat overigens veel verder terug dan het gebruik van de titel pastor in onze moderne tijd.

Nu steeds meer kerken neigen naar een structuur die duidelijke parallellen vertoont met een bedrijf kan het zomaar zijn dat de pastor een manager blijkt te zijn. In statig pak of, in de hippere kerken, in spijkerbroek en overhemd los over de broek.
Helaas gaat de opwaardering van dat specifieke ambt gepaard met een onuitgesproken degradering van al het andere, hoewel ik de eerste nog tegen moet komen die dit volmondig zou erkennen. Niet dat de pastor daar schuldig aan is; het is inherent aan het systeem. Binnen dat systeem is ook het accent op wat men aanbidding is gaan noemen (vroeger heette dat gewoon samenzang) opgestuwd en heeft een prominente rol gekregen.
Het geheel lijkt wel wat af te drijven van het idee dat de kerk een gemeenschap is waarin alle leden van die gemeenschap bijdragen aan het welzijn, de groei, en de ontwikkeling van die gemeenschap.

Heb ik iets tegen pastors? Nee, daar zit ik niet zo mee. De kerk heeft herders nodig. En evangelisten. En leraars. En profeten en misschien zelfs apostelen. O wacht. Natuurlijk heeft de kerk die nodig. Alleen noemen we ze niet meer zo.

Ongeacht hoe we dingen noemen, welke titels we mensen en onszelf geven, de kerk blijft een groot mysterie waarbinnen men op elkaar en op God is aangewezen om er samen iets van te maken.

28 januari 2020

De bel gaat, er staan schuldgevoelens aan de deur

De grote Boeing 777 wordt van de gate weggeduwd en de motoren gestart. Langzaam taxiet vlucht GA89 naar de startbaan en een kwartier later zijn we los, op weg naar Indonesië, eigenlijk een tussenstop want de bestemming is Australië. Naast me een lege stoel, daarnaast mijn nichtje Lou-Anne, een van de dochters van mijn jongste broer. Die vergezelt me de komende 30 dagen waarna ik naar huis terugkeer en zij haar backpakking avontuur alleen zal voortzetten. Omdat haar leven niet wars is geweest van enig tumult hoopt ze dat de komende maanden haar zullen helpen om het een en ander op een rijtje te krijgen.


Bij het terugduwen overviel me een gevoel van schuld. Mijn schema in Australië zit niet zo vol als "normaal". Ik bedoel daarmee "propvol." Het zwaartepunt ligt op drie weekenden. Het eerste weekend verloopt niet zoals oorspronkelijk gepland. Ik zou spreken in een grote gemeente in Melbourne maar daar was men vergeten dat het komende weekend de start is van hun kerkelijk jaar. De senior pastor hoort dat natuurlijk in te leiden; dag Jan.

Ja, een schuldgevoel. Ik denk dat dat is wat ik voel. Ik sluit geen zakelijke deals, ik los geen organisatorische problemen (meer) op, ik verkoop niets, kortom, ik produceer in de drie-dimensionale wereld niets tastbaars, meetbaars of zichtbaars. Een stemmetje in mij roept dat ik het niet goed doe, dat ik feitelijk "niets" doe - want niet propvol - en dus een slechte calvinist ben (dat laatste wist ik al).
Hoeveel mag "beïnvloeding" (dat vat in een woord samen wat ik doe) kosten? Er zijn mensen die de invloed op ons denken en gedrag van reclameblokjes, waarmee we op radio, tv en internet worden doodgegooid, betwijfelen of bagatelliseren. Reclamemakers zijn zich echter zeer wel bewust van de kracht en macht van beïnvloeding en betalen grof geld om op ons netvlies, in onze hoofden en vooral ons onderbewustzijn te kunnen komen.

De afgelopen twee, drie jaar heb ik me afgevraagd of dat, wat ik doe, wel zin heeft, gewenst is, ertoe doet. Iemand vatte het ooit zo samen: beetje reizen, beetje spreken, beetje lesgeven, beetje coachen, beetje mentoren, beetje trainen - doe mij ook zo'n baan - het is vooral dat "beetje" dat de meeste impact op me heeft. De cynische ondertoon behoefde verder geen nadere uitleg om mij te laten weten wat de persoon daar nu allemaal van vond en waarschijnlijk nog steeds vindt (meende ik nu tussen de zinnen ook vleugen van jaloersheid te horen?). Ik zie mezelf precies hetzelfde zeggen en dat was precies wat ik voelde bij het terugduwen.
Ik heb me verzoend met mijn lot (sommigen zouden het edeler "roeping" hier gebruiken maar dan klinkt het meteen weer zo buitenaards): dit is wat ik doe en ik doe het met veel plezier. De impact op de levens van mensen is niet altijd meetbaar maar dat zij dan maar zo. De twijfel en de pessimistische gevoelens die ik vaak heb over het eigen zijn en functioneren zullen altijd om me heen blijven hangen.
We zijn inmiddels ver genoeg weggeduwd. We kunnen nu vooruit, de lucht in. Ik ga mee. M'n nichie ook. Dat wordt vast een bijzonder verhaal.
Met of zonder schuldgevoel; ik ben een bijzonder bevoorrecht mens.

Morgen: de senior, junior en aspirant pastor

24 januari 2020

Bittere tranen

Hij gaf hen nog een lunchpakketje en een fles water mee. Het tentdoek viel achter hen dicht. In de stilte die volgde zette ze het een en ander op een rijtje. Achter haar  alles wat ze had; werk, voedsel, onderdak, de rivaliteit met die andere vrouw en dat andere kind en nog wat ander gedoe dat in de beste families voorkomt. Vóór haar de hitte van de droge, lege woestijn. Kans op overleven: minimaal tot nihil. Ze vertrekt en zet de eerste stap richting einde verhaal.

Die andere vrouw had haar man tot deze rigoureuze stap gedwongen.
Eén man, twee vrouwen met elk één kind. Vroeger of later moet zoiets misgaan. Jaloersheid, de toekomstige erfenis (die ga je toch niet delen!), het verschil in klasse (de een puissant rijk, de ander een slavin); zet de klok er maar vast gelijk op!
Voorspelbaar is dat de rijke wint en de slavin aan het kortste eind trekt. Zo ook hier.

Hagar and Ishmael Jean-François Millet (1848-9)
Ronddolend door de woestijn is Hagar's veertienjarige zoon de eerste die door uitdroging en honger niet meer verder kan. Ze legt Ismaël in de schaduw van een struik en gaat zelf een kleine 200 meter verderop zitten omdat ze niet kan aanzien hoe haar kind sterft. Terwijl ze daar zo zit huilt ze bittere tranen. Het eind is op zichtafstand gekomen en wellicht door Hagar als welkome verlossing omarmd.

Nu heeft dit verhaal een aardig einde omdat God het gekerm van de jongen hoort, middels een engel in actie komt door te voorzien in water en ook nog eens een belofte doet dat een groot volk uit Ismaël zou voortkomen. Eind goed, al goed.

Ik bleef en blijf hangen bij Hagar's bittere tranen.

Welvaart bestaat bij de gratie van de Nietvaart omdat we het slechts kunnen zien tegen het licht van iets of iemand die minder wel vaart. Dat heb je ook bijvoorbeeld bij het idee van zegen, dat ook alleen maar ervaren wordt in contrast met "onzegen" of "vloek". Dat laatste klinkt meteen weer zo erg dat ik het liever heb over "onzegen" of "minder zegen".
In de sfeer van Spreuken zou je kunnen zeggen: "Het is beter om niet al te zeer gezegend of vervloekt te worden. Om al teveel gedoe te voorkomen vertoeft de mens het beste daar tussenin".

Die bittere tranen zijn de tranen van de machteloze en de weerloze. Van hen die altijd aan het kortste eind lijken te trekken en vaak makkelijke slachtoffers zijn van hen die meer hebben of meer willen verkrijgen. Van hen die de ander eerst als broedmachine inzetten en na gebruik bij het grofvuil wegzetten (hetgeen Hagar dus overkwam).

Die bittere tranen staan ook symbool voor het gemanipuleer van hen die zich dat kunnen veroorloven vanwege hun positie of welvaart. Abraham en Sara besloten zelf aan de knoppen te gaan zitten draaien toen hun geduld met God opraakte, hetgeen overigens volkomen begrijpelijk is. Dat maakt de zaak voor alle betrokken partijen alleen maar gecompliceerder met de bittere tranen van Hagar als uitkomst.

Die bittere tranen symboliseren ook de vele tranen die vaders, moeders en kinderen vandaag huilen om verlies, onrecht, misbruik en uitzichtloosheid. Het wrange is echter dat velen van hen geen engel uit de hemel naast zich zullen hebben die reageren op hun gekerm en voorzien in hun eerste levensbehoeften. Tenzij die engel verschijnt in de gedaante van een medemens.

De archetypische verhalen en karakters die we tegenkomen in de Bijbel leren ons onder andere dat God altijd een groot mysterie zal zijn. Die vogelen we niet eventjes uit, getuige duizenden jaren theologie die zou moeten verbinden maar vaker een splijtzwam blijkt te zijn.
Ze staan ook voor hoe we ons als mensen tot elkaar dienen te verhouden. In het Oude Testament al zichtbaar maar in het Nieuwe Testament geleerd, uitgewerkt en voorgeleefd door Christus: we zijn elkaars gelijken en van vergelijken is geen sprake meer.
Ze staan ook voor het gegeven dat zolang mensen samenleven, er altijd gedoe zal zijn.

En, zeker niet onbelangrijk, pas in de bittere tranen en het gekerm ontmoeten we God. Tot dat moment zijn we te druk met vergelijken.

12 december 2019

Het juiste doen op de juiste plek: Coaching en Zending

Hoe coaching een bijdrage kan leveren in het evalueren en doordenken van de opdracht om leerlingen van Jezus te maken.


Een groep volgelingen van Christus die regelmatig bij elkaar komt, laten we het "kerk"(*) noemen, ziet zich vroeger of later en bij herhaling geconfronteerd  met de vraag hoe ze de opdracht van Christus aan zijn discipelen om "de wereld in te gaan en alle volken tot zijn leerlingen te maken" handen en voeten geeft. De kerk neemt deze opdracht serieus omdat ze begrijpt dat God zichzelf door die kerk aan de wereld bekend wil maken. Sommige kerken dragen een jaarlijks quotum af dat vervolgens door een overkoepelend orgaan wordt aangewend om activiteiten rondom de uitvoering van deze opdracht te bekostigen. Vrijwel alle kerken halen de opdracht dichter naar zich toe zodat deze een “gezicht” krijgt. De betrokkenheid tussen de kerkleden en de “uitgezondene” zou daarmee vergroot worden.

De termen "zending en evangelisatie" worden over het algemeen gebruikt om deze naar buiten toe gerichte activiteiten te duiden. Een kerk heeft een zendingsbeleid en over het algemeen ook een zendingsbudget. Sommige kerken kennen een vastgesteld percentage van de opbrengsten uit collectes aan deze begroting toe. Anderen kiezen voor een lossere ad hoc benadering. Regelmatige en incidentele speciale collectes vullen de begroting aan of worden aangewend om een acute nood te helpen lenigen.

Omdat deze "uitgezondenen en evangelisten" voor hun levensonderhoud doorgaans afhankelijk zijn van de vrijgevigheid van geloofsgenoten of de kerk als collectief is de ondersteuning van deze werkers een belangrijke kostenpost. Maar wat onderscheidt de gelovige die "apart is gezet om het werk van de Heer te doen" nu van de kerkleden John en Anita die tegen betaling van een keurig salaris een overeengekomen aantal uren per week een tegenprestatie leveren en daarbij hun "eigen" werk doen? Als de gelovigen Zijn getuigen zijn en de opdracht om leerlingen van Christus te maken aan de kerk is gegeven kan het niet bestaan dat de uitvoering ervan exclusief aan hen die "apart zijn gezet" wordt toevertrouwd of uitbesteed. De opdracht, gegeven aan de kerk, betreft dan ook de gehele kerk.

Maar hoe doe je dat? Bestaat dat wel, een kerk die als geheel de opdracht van Christus omarmt waarbij ieder afzonderlijk lid een duidelijke plek inneemt?

Vragen zoals:
  • Is het niet eens tijd om ons huidige zendingsbeleid tegen het licht te houden en zo nodig herzien?
  • Hoe betrekken we de hele kerk bij de uitvoering van de opdracht om leerlingen van Christus te maken?
  • Wat is de plaats van "de zending" in plaats en betekenis van de kerk?
  • Moeten we onderscheid maken tussen plaatselijk en wereldwijd werk?
  • Hoe staat het met de relatie tussen onze kerk en de zendingsorganisatie(s) waar onze leden bij terecht zijn gekomen?

Zomaar een aantal vragen waarbij een extra paar ogen van groot nut zouden kunnen zijn.
De coach gaat een traject met de kerk in met als doel tot een doordachte benadering en praktijk, inclusief actieplan betreffende de leerlingen makende opdtracht te komen.

Uitgangspunt is altijd de vragen die leven in de kerk. De agenda van de coach wordt door de kerk bepaald!
  • Kennismakings- en oriëntatiegesprek waarbij de vragen die leven in kaart worden gebracht.
  • De coach doet een voorstel voor een tijdspad en stappenplan, inclusief het op papier zetten van wederzijdse verwachtingen en verantwoordelijkheden gedurende het proces.
  • De coach navigeert de betrokkenen door het stappenplan.
  • De coach blijft voor een afgesproken periode beschikbaar voor advies, als klankbord en kan betrokken worden bij voortgangsevaluaties.


Wat moet ik me voorstellen bij het werk van een coach?
De oudsten van “Evangelische Gemeente de Proppenbuis” willen graag de gemeente meenemen in een proces waarbij de opdracht om leerlingen van Christus te maken het hart van de gemeente is. De 250 leden ondersteunen samen vier echtparen, twee alleengaanden en regelmatig vertrekken jongeren om een DTS van Jeugd met een Opdracht te doen, een MDT van Operatie Mobilisatie of andere programma's die bij menen te dragen aan de uitvoering van de opdracht tot het maken van Christus leerlingen. Eén echtpaar zit al 40 jaar “op het veld” en vrijwel niemand in de kerk kent de beste man en/of vrouw nog. De gemeente blijft hen uit een moreel plichtsgevoel ondersteunen. Regelmatig stellen leden hierover vragen en het antwoord troebel.
Tijdens het kennismakingsgesprek helpt de coach onderscheid maken tussen twee zaken. Ten eerste is er het verlangen van de kerkleiding om "zending" in het hart van de gemeente te zien. Het tweede vraagstuk is die van de relatie met bestaande zendelingen. Besloten wordt om te focussen op vraagstuk 1. Er bestaat een grote kans dat gedurende het proces een benadering van het tweede vraagstuk zich vanzelf aandient.Ook wordt tijdens het gesprek duidelijk dat de oudsten allemaal een ander idee en beeld hebben bij "zending". Helder is dat als we de gemeente mee willen nemen in een proces we met elkaar vanaf eenzelfde uitgangspositie zullen moeten werken. Actiepunt één is dan ook om met elkaar tot overeenstemming te komen welk plaatje we gaan gebruiken.
Een zorg, door enkele leiders geuit, is dat er een te grote afstand lijkt te zijn tussen de apart gezette werkers die ver weg en full time aan de slag zijn enerzijds, en het hard werkende, carrière makende gemeentelid, terwijl de opdracht toch de hele kerk aangaat?
De leiders krijgen de opdracht mee om onder woorden te brengen wat zij denken dat een realistische doel is en wat ze zich voorstellen bij "zending het hart van de kerk"; hoe ziet zo’n kerk eruit? Hoe gedragen kerkleden zich? Hoe ziet de zondagsdienst eruit? De begroting?
Tijdens een tweede gesprek wordt helder dat er onder de kerkleiding best wel verschillende ideeën leven die soms ver uit elkaar staan. De coach zal met een voorstel komen waarbij men aan de slag gaat met een overeengekomen definitie. Interactie vindt tussentijds plaats via de mail en we lijken al snel tot een gemeenschappelijk beeld en taalgebruik te komen. De coach doet een voorstel voor een traject dat de verschillende disciplines van het kerkleven omvat.

Bestaande relaties met zendingswerkers
Een apart hoofdstuk is hoe de kerk op een gezonde manier kan omgaan met bestaande relaties met de verschillende werkers. Hierin kan coaching ook helpen om perspectief te creëren waarbij de bestaande praktijk en filosofie aangaande het uitzenden en onderhouden van relaties met de werker tegen het licht wordt gehouden en zo nodig bijgesteld of herzien.

Bij het uitzenden van werkers via een organisatie is het niet vanzelfsprekend dat alle partijen helder voor ogen hebben hoe de verschillende partijen zich tot elkaar verhouden. Er zijn uitgesproken en onuitgesproken verwachtingen die niet of slechts in zekere mate uitkomen. De kerk kan er zomaar van uitgaan dat, omdat de werkers een contract aangaan met de organisatie, deze organisatie garant staat voor het nakomen van verplichtingen zoals deze bij wet geregeld zijn en andere zaken zoals interne opleiding, persoonlijker en professionele ontwikkeling en, niet geheel onbelangrijk, voorziet in de juiste zorg die een optimaal functioneren beoogt.

De werker heeft aan verplichtingen en verwachtingen naar zowel de zendende kerk en de organisatie te voldoen. De zendende kerk delegeert haar aandeel vaak aan een thuisfrontteam dat de meest voor de hand liggende taken binnen dat team verdeelt en de vinger aan de pols houdt met betrekking tot financiën, gebed, morele steun en communicatie.

Omdat de werker een arbeidsovereenkomst met de organisatie heeft, nemen kerken gewoonlijk wat afstand als het om jaarlijkse evaluaties, proeftermijnen en duur van het contract gaat. De kerk die veelal als sponsor fungeert (veel organisatie eisen dat de werker een officiële zendende kerk achter zich heeft staan) voelt die afstand best wel maar stelt niet al te veel vragen. De verhouding kerk, werker en organisatie bestaat bij gratie van het vertrouwen dat men in elkaar heeft.

De werker bevindt zich veelal in een soort schemergebied. Zij weet zich door God geroepen en wil slechts Hem gehoorzamen. De kerk bevestigt door te zenden, de organisatie bevestigt door te faciliteren en de werker koppelt regelmatig aan betrokken partijen terug om verantwoording af te leggen van het werk dat zij, bij de gratie en overeenkomstig de roeping Gods, mag doen. De veelal positieve rapportage van de werker kan niets anders dan een groen licht opleveren: ga zo door.

Deze verdeling van “macht” over meerdere partijen: kerk, organisatie, TFT, en werker (ja, ook de werker heeft macht want heeft immers de roepingskaart in handen), resulteert in het eerdergenoemde schemergebied. Dat schemergebied is het gevolg van onduidelijke grenzen en wederzijdse verwachtingen, aannames en het onvoldoende zicht hebben op wat de werker doet waarbij meetinstrumenten om blijvende effectiviteit te “meten” categorisch ontbreken. Hoewel het vertrouwen in de werker groot is, kan de werker in zeker zin deels oplossen en zelfs comfortabel leven in die schemer:
  • De kerk neemt aan dat de organisatie haar werk doet. Is die aanname juist? Heeft de kerk een helder zicht op wat "haar werk" is en eventuele hiaten vast kunnen stellen?
  • De beslissing om het veld te verlaten of te blijven ligt vrijwel altijd bij de werker. Heeft dat de voorkeur of moet de kerk hierin een duidelijker stem hebben? Of is het iets tussen de werker en de organisatie.
  • De kerk ondersteunt een werker die al 30 of 40 jaar uitgezonden is. Vrijwel niemand van de huidige generatie kerkleden kent de werker. Ook zijn er toentertijd geen duidelijke afspraken gemaakt betreffende termijnen en evaluaties. Wanneer is de werker klaar, of de kerk "klaar met zenden"? Is deze situatie waarin het gevoel bestaat "tot elkaar veroordeeld te zijn" wenselijk?
  • De organisatie heeft geen duidelijk beleid en proces met betrekking tot het "ontslaan" van werkers. De werker voldoet niet maar kan niet worden ontslagen omdat er in veel gevallen wettelijk onvoldoende reden voor ontslag bestaat.

Deze en andere vragen geven weer waar veel kerken mee worstelen, zonder een uitweg te zien, of een helder beeld te hebben van hoe een actieplan eruit zou kunnen zien dat erop gericht is om de relatie werker, kerk, organisatie en TFT optimaal te zien functioneren: Heldere afspraken en uitgesproken verwachtingen waarbij regelmatige evaluaties een cruciaal rol spelen en er aandacht wordt gegeven aan het zodanig investeren in de werker dat deze bij terugkomst niet wereldvreemd is geworden maar haar ervaring, expertise en training zodanig heeft weten vorm te geven dat er aansluiting is met de wereld buiten de organisatie.

Jan  werkt sinds 1987 voor Operatie Mobilisatie in verschillende capaciteiten zoals promotie en rekrutering, zorg en HR services tot aan executive internationaal leiderschap. Gedurende zeven jaar maakte hij (part time) als oudste deel uit van het leiderschapsteam van een Evangelische Gemeente in Rotterdam. De afgelopen tien jaar is hij zich meer gaan specialiseren in Coaching en Mentoring en geeft daarin training met als doel anderen toe te rusten en te bekwamen in het ontwikkelen van weer anderen.

Jan gaat vrijwel elke zondag voor in een scala aan kerken en heeft een MA in leiderschap en management, behaald aan Briercrest Theological Seminary in Canada.
Met zijn ervaring in zowel de zendingswereld als de kerk is hij in staat om kerken  te helpen om samen de geschetste werkelijkheid van veel kerken (betreffende het zendingsbeleid) te betreden, de unieke vragen in kaart te brengen en een uitweg te vinden die bijdraagt aan een helder beleid en praktijk waarbij alle partijen zich optimaal tot elkaar verhouden.Dit kan in de vorm van coaching/mentoring waarbij de kerk iemand aanwijst die in staat is de bevindingen over te dragen en om te zetten in beleid en uitvoering.Ook kan men kiezen voor een vorm waarbij met een groep mensen uit de kerk of de organisatie wordt gewerkt en de vorm meer die van een consult aanneemt.

(*) Er staat best wel wat tussen aanhalingstekens. Ik gebruik daar traditionele taal omwille van de herkenbaarheid maar ben voorstander van het gebruiken en desnoods ontwikkelen van nieuwe begrippen die beter passen in het huidige tijdsbeeld:

  • Kerk is hetzelfde als gemeente. "Kerk" wordt vooral in traditioneel protestantse kerken gebruikt terwijl "gemeente" de taal is van de zichzelf hipper vindende vrijere groepen zoals baptisten, pinkstergelovigen en andere uitvindingen.
  • "Zending" is een raar woord. "De zending" is nog erger. Het gebruik van deze woorden houdt een hardnekkige, ongewenste en on-Bijbelse tweedeling in stand. 
  • De zendeling (ik noem ze liever "werker" maar dat is ook niet ideaal) is van eenzelfde laken en pak. Het impliceert en suggereert een onderscheid tussen de "werker voor God" en hen die dat dus blijkbaar niet doen. Het onderscheid is echter veelal te reduceren tot het antwoord op de vraag wie de rekeningen betaalt. Als de kerk en de gelovigen die betalen is de ontvanger een zendeling/evangelist. Doet jouw baas dat dan ben je geen zendeling. Kortom: zeer ongewenst taalgebruik.



17 november 2019

Een beetje vent staat voor zijn raam

Twee jonge gassies, nog geen twintig jaar oud, stonden naast de Plus, bij de ingang van de parkeergarage. Naast hen de tot de standaarduitrusting behorende display met grotere en kleinere geschriften, waaronder de periodieken "Ontwaakt!" en "Wachttoren." De koppen spraken voor zich: "De zoektocht naar waarheid, Is dit leven alles wat er is, Heeft het leven nog zin, Zes levenslessen voor je kind, Zullen we ons ooit veilig voelen?" enz..
Zoals te doen gebruikelijk maakte ik een praatje met ze en deduceerde dat ze te jong waren om vanaf de straat gerekruteerd te zijn en dus in het JG nestje moesten zijn grootgebracht. Dat bleek zou te zijn.
Beiden waren er snel bij om me ervan te verzekeren dat ze hier niet stonden omdat ze moesten, maar als gevolg van een persoonlijke keuze en een passie, samen met een flinke snuf opdrachtsbesef, om er voor Jehova op uit te gaan en voor Zijn naam op te komen.
Ze vroegen of ik mormoon was. Nee, dat was ik niet en deed vervolgens mijn best om in enkele zinnen uit te leggen hoe het raamwerk van mijn geloof eruit ziet; ongeveer vier hoeken, wat planken en natuurlijk een raam.

We vonden elkaar al snel in de hoeken en de planken maar besloten dat het raam anders is per groep en zelfs per persoon.


De meeste geloofsgemeenschappen vinden elkaar wel in de hoeken en de planken. Het is dat verduivelde raam dat alle ellende, tweestrijd, scheuringen, oorlogen, wijs-, en andere neuzen teweegbrengt.

Het "wij en zij" denken bestaat overal; mijn raam moet zijn raam zijn. Dat raam geeft de mens een plek, een identificatie, geborgenheid en een aanleiding om de ander, desnoods met geweld, ertoe te bewegen zijn raam op te geven en te erkennen dat er een beter raam bestaat, namelijk: mijn raam.

Te denken dat er zoiets bestaat als "het enige raam dat het juiste zicht verschaft" is een illusie. Nu hoor ik sommigen uit de kringen waarbinnen ik mezelf beweeg en toe reken, roepen dat het enige raam Jezus is. Maar daar zou ik het mee oneens zijn. Jezus is een hoek en geen raam. En we kunnen het er best snel over eens worden dat Jezus een hoek is maar hoe kijken we dan naar Hem? Juist, door een raam. En zo begint het weer van voren af aan.

Ik wenste de jongens van harte Gods zegen toe en vervolgde mijn weg.

De man zocht er zijn leven lang naar maar het bleek te ver weg en dieper verborgen dan diep. De reden dat hij het niet kon vinden, hoewel hij zijn zoektocht nooit op zou geven, was dat de mens een eenvoudig schepsel is, zo door God gemaakt, maar die mens heeft talloze gedachtespinsels (Pr. 7:23-29).

28 oktober 2019

Vergeven van bananen

Gisteren weer eens tamelijk kort door de bocht gegaan met enkele observaties en uitspraken aangaande vergeving. Aanleiding was de vraag van Petrus hoe vaak hij iemand moet vergeven als die iemand iets verkeerd tegen hem doet. Of zeven keer misschien genoeg was. Het antwoord van Jezus is dat 70 keer zeven maal vergeven wat dichter in de buurt van het juiste antwoord komt. 490 keer is op z'n zachts gezegd lichtelijk absurd, zo niet onmenselijk zeker als je dat afzet tegen het feit dat velen al moeite hebben, of gewoonweg weigeren om iemand één keer te vergeven voor kwaad hem of haar aangedaan.
"Gewoon doen" was de samenvatting van de betreffende paragraaf in mijn overdenking.
En dat is nu wat ik "kort door de bocht" noem. De werkelijkheid is namelijk vaak weerbarstiger en vooral ingewikkelder.
Dan heb ik het niet over incidenten waarbij de buurman 12 jaar geleden een bananenschil over de schutting in mijn tuin gooide en er sinds die tijd tussen hem en mij een steeds groter wordende verwijdering is ontstaan en we de rijdende rechter invliegen om recherche en uitspraak te doen en, uiteraard, mij in m'n gelijk te stellen en de buurman te straffen.
Iemand die een bananenschil tussen hem en zijn buurman in laat komen heeft "issues" en vraagt om een schop onder z'n kont.

Nee, er zijn helaas vele situaties te bedenken waarbij het "even vergeven" net zo absurd is als het idee van 490 keer vergeven en waarbij een lang proces nodig is voordat men eraan toe komt zich uit de emotionele, fysieke en/of psychologische klauwen van de pleger van het onrecht bevrijd te zien worden.
Slachtoffers van geweld, seksueel en andere misbruik, diefstal en ander zwaar onrecht, kunnen maar bar weinig met de vermenigvuldigingsfactor 70. Ze willen wel loskomen, maar het onrecht is van dien aard dat er sprake is van een niet kunnen en hulp door derden vaak nodig is om tot een enigszins bevredigende afsluiting te komen. Ik schrijf enigszins omdat de wonden vaak zo diep zijn dat overgebleven littekens gemakkelijk en veelvuldig opspelen. In min of meerdere mate zal men voor de rest van het leven door die wonden getekend blijven. Er zijn er die sterk, of zelfs sterker uit zo'n proces komen en de tekening zelfs weten om te buigen tot een verrijking van het leven en een hulp voor anderen. Maar dat is niet aan een ieder gegeven.

Aan hen die te maken hebben met onrecht op banenschilniveau bied ik geen excuses aan. Je weet wat je te doen staat. Stop met steeds maar weer over die verrekte schil glijden.
Aan hen die het slachtoffer zijn van onrecht dat boven de banenschil uitstijgt, vraag ik wel om vergeving. Wat ik hierboven heb beschreven is hoe ik er werkelijk in sta en de paar opmerkingen die ik er gisteren aan wijdde deden daar geen recht aan.
Op papier ziet het er allemaal zo simpel uit en kunnen we er zelfs een rekensommetje van maken. Het echte leven biedt daar echter te weinig ruimte voor. Die ruimte moet eerst gecreëerd worden.

Dank aan Nelleke Petit-Ros die me zonder met bananen te gaan gooien inspireerde tot deze mijmeringen.

25 september 2019

Intimiteit in het egoverhaal


Intimiteit – een betrekkelijk hip fenomeen dat in relatie tot God in de 19e eeuw in drukwerken, pamfletten en boeken wordt beschreven en door de decennia heen aanzwelt tot een kakofonie aan ideeën, aannames, vanzelfsprekendheden en vooral lijstjes met stappen die de mens moet zetten om tot een gezonde beleving van die intimiteit met God te komen.

Sommige populaire schrijvers gaan zelfs zover dat gesteld wordt dat intimiteit met God Zijn hoogste plan is. Dat is best wel zielig voor al die mensen die tot, pak hem beet, begin 1600 het zonder intimiteit moesten doen. Het is namelijk pas rond 1630 dat het concept “intimus” zijn (of is het haar) intrede doet. Frappant, maar zeker niet toevallig is dat het idee van individualiteit rond dezelfde tijd voor het eerst aan het globale vocabulaire wordt toegevoegd. De lancering van het individu, nu toegerust met een nieuwe graadmeter, of norm, die we beleving noemen is daarmee een verklaarbaar feit. Daarvoor was het er ook al maar had het geen naam en daarmee geen legitimatie.
Nu heb ik niets tegen beleving en emoties. Deze maken immers integraal deel uit van wat we de totale mens kunnen noemen. Een gezonde balans tussen rede en beleving kan bijdragen aan een ‘evenwichtig in het leven staan’.

Een van de studenten vroeg me wat ik ervan vond dat er christenen zijn die psychologie studeren. Ze voegde er aan toe dat ze zo iemand kende en die was nu van het geloof afgevallen. Ik antwoordde dat ik vond dat er te weinig christenen zijn die psychologie studeren, of verwante vakken zoals filosofie, antropologie en wat dies meer zij. Het feit dat mensen van het geloof afvallen heeft weinig te doen met dat soort vakken maar alles met het onvermogen om hun geloof op een duidelijk manier te articuleren en te integreren met wetenschap. Voor veel christenen staan die twee namelijk tegenover elkaar en het ‘heulen met de vijand’ kan nooit tot een goede uitkomst leiden…

Juist omdat het geloof in de levens van velen gereduceerd is tot een beleving kan het niet op tegen de vermeende “harde bewijzen” van de wetenschap. Het idee dat geloof en wetenschap naast elkaar moeten bestaan is voor velen een brug te ver; dat voelt niet goed. Laat staan dat ze intiem met elkaar worden!

De gevende mens is een beter mens

Ik las onlangs het boek The Storyteller of Auschwitz van Siobhan Curham. In een van de eerste hoofdstukken ontmoet de hoofdpersoon, de Jood...