Lees HIER onze meest recente nieuwsbrief
Stress is niet leuk. Gisteren even overwogen om overal mee te kappen en een baan te zoeken met minimale verantwoordelijkheden. Zeven en een half uur werken per dag, 30 vakantiedagen, misschien zelfs een pensioen, eindejaarsuitkering. Maar thuis zijn zou gewoon thuis zijn zijn. En dat lijkt me nu wel aardig.
Soms word ik moe van het eeuwige gebedel. Werken voor OM betekent je eigen inkomen bij elkaar zien te sprokkelen. Vrienden en de kerk hoesten dan samen het bedrag op dat ik de organisatie kost. Technisch werk ik dan voor OM maar feitelijk zijn die vrienden en de twee kerken die ons sponsoren meer mijn werkgever.
Hoe dan ook, je went er nooit echt aan om altijd maar weer de hand op te houden. Gisteren kreeg ik de "kwartaalcijfers". We zitten op 90%.
In de mail enkele "uitdagingen" en "aanmoedigingen" om voor het eind van de zomer die laatste 10% nog even te zien binnenkomen.
Dus heb ik vanmorgen een soort van mopperhoofd. Ik ga weer bedelen.
Hoe deden we dat vroeger, toen we bij OM begonnen?
Wel, we vertrouwden God en we kwamen tekort (Over geld mocht niet worden gepraat).
Nu vertrouwen we God en vragen mensen en komen nog steeds tekort.
Kortom, het went niet echt.
Als je een "gewone" baan hebt, verdien je "je eigen" geld. Althans, dat denk je maar je kunt in ieder geval trots zijn.
Als je een "buitengewone" baan hebt, verdien je "andermans" geld. Althans, dat denk je maar het houdt je in ieder geval klein en nederig.
Ik stop er maar mee.
Het went echt niet.
Over religie, kerk, christendom, verbazing, mijmeringen en gebeurtenissen tijdens mijn omzwervingen door binnen- en buitenland. Vragend en onderzoekend. Dit is een persoonlijk blog en wat ik schrijf is dan ook niet representatief voor de organisatie waarvoor ik werk of voor de kerk waar ik lid van ben.
17 juni 2009
16 juni 2009
Alfa, Beta en geen zorgen
Lees HIER onze meest recente nieuwsbrief
"Geen zorgen maken over morgen," is de instructie van Jezus. "Vandaag heb je 24 uur en in die 24 uur gebeuren er genoeg dingen die je hart en gedachten in beslag nemen." Voor een goede geestelijke en lichamelijke gezondheid is dit onderdeel van Gods scheppingsorde een van de grootste uitdagingen om in praktijk te brengen. Af en toe vraag ik me af of het wel wijs is om, en aan een nieuwe uitdaging binnen OM te beginnen, tegelijk een studie waar normaal vier jaar full-time voor staat in een slordige twee en een half jaar tussen de bedrijven door "even mee te pakken" en daarbij de lopende zaken door te laten lopen.
Omdat ik niet zo'n geweldige planner ben is m'n hoofd niet alleen vol met vandaag, maar ook met morgen, overmorgen en volgende week. En dat is niet gezond.
Wat plannen betreft; een van de opdrachten is om in enkele duizenden woorden op te schrijven hoe ik een drie maanden, een half jaar en een vijf jaar plan voor mijn leven en werk maak. Ha-ha. Daar ben ik dan gauw klaar mee want dat doe ik eigenlijk niet zo. Ik zie mezelf al zitten, turend naar een leeg virtueel excel velletje, wanhopig pogend om een plan voor mijn leven te schrijven. Ha-ha.
Ik heb een globaal idee in mijn hoofd, weet waar ik naar toe wil en heb daar wat ideeën over. De eigenlijke uitvoering is onderhevig aan zoveel variabelen dat welk plan dan ook voortdurend bijgesteld moet worden.
Een opdracht om een dergelijke paper te schrijven kan alleen maar uit het brein van een 'beta' (gebaseerd zijn op natuurwetten en theorieën die falsifieerbaar zijn door formele logica en experimentele toetsing) ontsproten zijn. Beta's houden van overzichtjes.
De meer 'alfa' georiënteerde mens is minder geïnteresseerd in de overzichtjes. De 'alfa' snapt de planzucht van de beta niet en de beta kan zich niet voorstellen hoe de 'alfa' zonder overzichtjes, to-do lijstjes en wat dies meer zij, door het leven gaat. En dan heb ik de gamma en delta luitjes nog buiten beschouwing gelaten.
Ondertussen blijf ik me zorgen maken over hoe ik een paper kan schrijven dat ik eigenlijk niet kan schrijven. Maar dat is dan weer de kracht van de alfa; die verzint een list: Ik ga een paper schrijven over de zin en onzin van levensplannen en weet zeker dat ik er een "A" voor krijg.
"Geen zorgen maken over morgen," is de instructie van Jezus. "Vandaag heb je 24 uur en in die 24 uur gebeuren er genoeg dingen die je hart en gedachten in beslag nemen." Voor een goede geestelijke en lichamelijke gezondheid is dit onderdeel van Gods scheppingsorde een van de grootste uitdagingen om in praktijk te brengen. Af en toe vraag ik me af of het wel wijs is om, en aan een nieuwe uitdaging binnen OM te beginnen, tegelijk een studie waar normaal vier jaar full-time voor staat in een slordige twee en een half jaar tussen de bedrijven door "even mee te pakken" en daarbij de lopende zaken door te laten lopen.
Omdat ik niet zo'n geweldige planner ben is m'n hoofd niet alleen vol met vandaag, maar ook met morgen, overmorgen en volgende week. En dat is niet gezond.
Wat plannen betreft; een van de opdrachten is om in enkele duizenden woorden op te schrijven hoe ik een drie maanden, een half jaar en een vijf jaar plan voor mijn leven en werk maak. Ha-ha. Daar ben ik dan gauw klaar mee want dat doe ik eigenlijk niet zo. Ik zie mezelf al zitten, turend naar een leeg virtueel excel velletje, wanhopig pogend om een plan voor mijn leven te schrijven. Ha-ha.
Ik heb een globaal idee in mijn hoofd, weet waar ik naar toe wil en heb daar wat ideeën over. De eigenlijke uitvoering is onderhevig aan zoveel variabelen dat welk plan dan ook voortdurend bijgesteld moet worden.
Een opdracht om een dergelijke paper te schrijven kan alleen maar uit het brein van een 'beta' (gebaseerd zijn op natuurwetten en theorieën die falsifieerbaar zijn door formele logica en experimentele toetsing) ontsproten zijn. Beta's houden van overzichtjes.
De meer 'alfa' georiënteerde mens is minder geïnteresseerd in de overzichtjes. De 'alfa' snapt de planzucht van de beta niet en de beta kan zich niet voorstellen hoe de 'alfa' zonder overzichtjes, to-do lijstjes en wat dies meer zij, door het leven gaat. En dan heb ik de gamma en delta luitjes nog buiten beschouwing gelaten.
Ondertussen blijf ik me zorgen maken over hoe ik een paper kan schrijven dat ik eigenlijk niet kan schrijven. Maar dat is dan weer de kracht van de alfa; die verzint een list: Ik ga een paper schrijven over de zin en onzin van levensplannen en weet zeker dat ik er een "A" voor krijg.
14 juni 2009
Ontspanning en Mona toetjes
Ontspannen is best wel ingewikkeld als je hoofd vol zit met dingen die gedaan moeten worden. Met name de studie die ik volg is daar momenteel debet aan. Omdat ik volgend jaar in April klaar wil zijn is het nu voortdurend in mijn gedachten en word ik geconfronteerd met de (soms) onzin van opdrachten. Bijvoorbeeld: ik heb gezegd wat ik denk te moeten zeggen over de impact die de conferentie in Edinburgh (1910) heeft gehad op wereldzending. Alleen zit ik dan op 1800 woorden en het moeten er 2500 zijn. Een paar meer of minder is prima maar 700 minder zal worden afgestraft.
Dus ben ik nu bezig met het aandikken van het verhaal; waar kan ik nog enkele, niets aan het verhaal toevoegende, paragrafen plaatsen? En ik kan een batterij aan bijvoeglijke bepalingen in gaan zetten. Maar daar houd ik niet zo van. Soms voegen ze iets wezenlijks toe, maar over het algemeen kan een verhaal heel goed zonder die bepalingen. Kijk, daar hadden we er een. Het woordje "heel" in het laatste zinnetje kun je weglaten. En eigenlijk is het woordje "goed" ook overbodig. Als ik had geschreven "maar over het algemeen kan een verhaal zonder die bepalingen", had iedereen begrepen wat ik bedoelde, hoewel het dan wel wat klinische klinkt.
Maar, hoe dan ook, als een epistel af is en je moet toch woorden vinden (wat op zich afgeschaft zou moeten worden omdat het mogelijk is om het verhaal, kort, krachtig en helder (nu helpen de bepalingen wel) te vertellen, zou een professor dat juist moeten aanmoedigen in plaats van vast te houden aan de "aantal woorden" norm.
De laatste tijd lijken er ook meer boeken te worden uitgegeven waarin een heleboel lucht zit. In veel boeken heeft de auteur zijn/haar verhaal in de eerste twee weken hoofdstukken wel zo'n beetje verteld. Vervolgens gaat men het verhaal inkleden met veel lucht. Een beetje zoals de luchtige toetjes van Mona; net zoveel bladzijden als de vorige generatie toetjes maar nu heeft men de lucht erin weten te bakken. Dat is heel knap. De prijs gaat omhoog en het bijkomende voordeel is dat het minder calorieën bevat (dat komt natuurlijk door de lucht). Minder voor meer dus en we betalen er nog voor ook.
Dus ben ik nu bezig met het aandikken van het verhaal; waar kan ik nog enkele, niets aan het verhaal toevoegende, paragrafen plaatsen? En ik kan een batterij aan bijvoeglijke bepalingen in gaan zetten. Maar daar houd ik niet zo van. Soms voegen ze iets wezenlijks toe, maar over het algemeen kan een verhaal heel goed zonder die bepalingen. Kijk, daar hadden we er een. Het woordje "heel" in het laatste zinnetje kun je weglaten. En eigenlijk is het woordje "goed" ook overbodig. Als ik had geschreven "maar over het algemeen kan een verhaal zonder die bepalingen", had iedereen begrepen wat ik bedoelde, hoewel het dan wel wat klinische klinkt.
Maar, hoe dan ook, als een epistel af is en je moet toch woorden vinden (wat op zich afgeschaft zou moeten worden omdat het mogelijk is om het verhaal, kort, krachtig en helder (nu helpen de bepalingen wel) te vertellen, zou een professor dat juist moeten aanmoedigen in plaats van vast te houden aan de "aantal woorden" norm.
De laatste tijd lijken er ook meer boeken te worden uitgegeven waarin een heleboel lucht zit. In veel boeken heeft de auteur zijn/haar verhaal in de eerste twee weken hoofdstukken wel zo'n beetje verteld. Vervolgens gaat men het verhaal inkleden met veel lucht. Een beetje zoals de luchtige toetjes van Mona; net zoveel bladzijden als de vorige generatie toetjes maar nu heeft men de lucht erin weten te bakken. Dat is heel knap. De prijs gaat omhoog en het bijkomende voordeel is dat het minder calorieën bevat (dat komt natuurlijk door de lucht). Minder voor meer dus en we betalen er nog voor ook.
11 juni 2009
Seks enzo
Vanmorgen m'n lezing/seminar over seksualiteit en relaties up to date gebracht. Vanavond verzorg ik een avond over dit thema bij de Navigators Studentenvereniging Den Haag. In 2006 werd er wereldwijd naar schatting 100 miljard dollar besteed aan pornografie. Er gaat in deze 'industrie' meer geld om dan het totaal van de jaarlijkse omzet bij Microsoft, Google, Amazon, Ebay, Yahoo!, Apple en enkele andere grote bedrijven!
De cijfers lopen drie jaar achter. Het 'groeipercentage' is gigantisch waarbij China als markt het snelst groeit en momenteel al twee keer zo'n grote markt is als de VS. Elke 39 minuten wordt er ergens op de wereld een nieuwe pornofilm geproduceerd (de meeste komen uit de zogenaamde puriteinse VS).
In Nederland gaat het om een omzet van 20 miljard dollar op jaarbasis in 2006.
Pornoverslaving is een ziekte. het is geen zwakte of een nare gewoonte. Het is een verslaving waar zonder hulp maar moeilijk vanaf te komen is.
In onze kerken wordt er vooralsnog weinig over gesproken. Als het al gebeurd is dat in bedekte en algemene termen waarbij vooral de nadruk ligt op hoe een gezonde relatie en een gezonde kijk op seksualiteit er uit zou moeten zien. Schaamte weerhoudt menigeen ervan om hulp te zoeken. Erkennen dat er een probleem zou zijn wordt al gauw gezien als en gebrek aan zelfdiscipline en dat staat weer gelijk aan een geestelijk watje. Dus zwijgt men.
Dat is jammer en onnodig, zelfs onverstandig.
De helft van de mensen die zich Christen noemt heeft in min of meerder mate problemen met pornografie. Het internet levert een van de grootste bijdragen aan de groei van het probleem.
We kunnen het probleem vergeestelijken, ja zelfs demonen uitdrijven of opnieuw beginnen maar het zet allemaal geen zoden aan de dijk. Het is een hardnekkige verslaving waar men niet zomaar vanaf komt. Ik pleit voor meer zelfhulpgroepen. Met elkaars hulp en Gods genade is verandering mogelijk.
Ik spreek regelmatig over dit onderwerp. Maar er intensief mee bezig zijn kent ook z'n gevaren. Objectief onderzoek kan gemakkelijk resulteren in 'doorklikken' naar voorbeelden. Ook ik moet hierin flink bij de les blijven en me niet laten afleiden.
Op het plaatje hiernaast een bewerkte versie van het "playboy" logo. In het Arabisch betekent dit symbool "NEE". het is een advertentie zoals deze te zien is in de verenigde Arabische Emiraten. Goed gedaan!
Kortom, deze wereld is pornoziek en de ziekte is pandemisch. Voor de Mexicaanse griep, vandaag mogelijk tot pandemie uitgeroepen, is nog wel een oplossing te vinden.
Voor pornografie is meer nodig dan een inenting of uitzieken. De oplossing is een radicale toepassing van de Bijbelse Koninkrijksprincipes. En die kunnen we niet opdringen. Maar wel demonstreren. Hoe? Door in het licht te leven, onze zwakheden te erkennen en te bekennen en door elkaar in "community" te dragen.
De cijfers lopen drie jaar achter. Het 'groeipercentage' is gigantisch waarbij China als markt het snelst groeit en momenteel al twee keer zo'n grote markt is als de VS. Elke 39 minuten wordt er ergens op de wereld een nieuwe pornofilm geproduceerd (de meeste komen uit de zogenaamde puriteinse VS).
In Nederland gaat het om een omzet van 20 miljard dollar op jaarbasis in 2006.
Pornoverslaving is een ziekte. het is geen zwakte of een nare gewoonte. Het is een verslaving waar zonder hulp maar moeilijk vanaf te komen is.
In onze kerken wordt er vooralsnog weinig over gesproken. Als het al gebeurd is dat in bedekte en algemene termen waarbij vooral de nadruk ligt op hoe een gezonde relatie en een gezonde kijk op seksualiteit er uit zou moeten zien. Schaamte weerhoudt menigeen ervan om hulp te zoeken. Erkennen dat er een probleem zou zijn wordt al gauw gezien als en gebrek aan zelfdiscipline en dat staat weer gelijk aan een geestelijk watje. Dus zwijgt men.
Dat is jammer en onnodig, zelfs onverstandig.
De helft van de mensen die zich Christen noemt heeft in min of meerder mate problemen met pornografie. Het internet levert een van de grootste bijdragen aan de groei van het probleem.
We kunnen het probleem vergeestelijken, ja zelfs demonen uitdrijven of opnieuw beginnen maar het zet allemaal geen zoden aan de dijk. Het is een hardnekkige verslaving waar men niet zomaar vanaf komt. Ik pleit voor meer zelfhulpgroepen. Met elkaars hulp en Gods genade is verandering mogelijk.
Ik spreek regelmatig over dit onderwerp. Maar er intensief mee bezig zijn kent ook z'n gevaren. Objectief onderzoek kan gemakkelijk resulteren in 'doorklikken' naar voorbeelden. Ook ik moet hierin flink bij de les blijven en me niet laten afleiden.
Op het plaatje hiernaast een bewerkte versie van het "playboy" logo. In het Arabisch betekent dit symbool "NEE". het is een advertentie zoals deze te zien is in de verenigde Arabische Emiraten. Goed gedaan!Kortom, deze wereld is pornoziek en de ziekte is pandemisch. Voor de Mexicaanse griep, vandaag mogelijk tot pandemie uitgeroepen, is nog wel een oplossing te vinden.
Voor pornografie is meer nodig dan een inenting of uitzieken. De oplossing is een radicale toepassing van de Bijbelse Koninkrijksprincipes. En die kunnen we niet opdringen. Maar wel demonstreren. Hoe? Door in het licht te leven, onze zwakheden te erkennen en te bekennen en door elkaar in "community" te dragen.
10 juni 2009
Ingezegende transportmiddelen
Vanmorgen, tijdens mijn hardlooprondje, reflecteerde ik nog wat op mijn bezoek aan Zuid-Afrika in Mei. Een van de zaken die me maar niet loslaat is de vreemde gewoonte om een auto te zien als een "zegen van God". Het hoeft geen nieuwe te zijn, als hij maar vier wielen heeft en een enigszins werkende motor. Natuurlijk begrijp ik dat het een zegen is als een auto je helpt om mobieler te zijn maar daar gaat het niet om. Het heeft met status te maken. Als je een auto hebt, heb je iets bereikt en stijg je in aanzien; je behoort nu tot de rijkere bevolkingsgroep.
Ik vroeg aan een voorganger, die regelmatig wordt geacht om de inzegeningsceremonie van gemeenteleden die door God gezegend zijn met een auto (en daarvoor de rest van tijd die de auto nog rest financieel kromliggen) of een fiets ook ingezegend kon worden. "Nee, we doen geen fietsen", was zijn antwoord.
Een gemeente waar ik een paar dagen later sprak had onlangs geld opgehaald om 400 fietsen te kopen voor voorgangers in India die gewoon zijn alles met de benenwagen te doen. Voor veel Indiers is de fiets met recht een zegen van de Heer. Rondom de fiets wordt een dankstond gehouden en het gebeuren wordt op de gevoelige digitale plaat vereeuwigd.
Voor de Zuid Afrikanen is een fiets te gewoon om gezegend te worden. Voor veel van mijn Indiase collega's is het aanschaffen van een fiets een enorme belevenis.
Waar het me om gaat is dat het dualistische denken en praktijk in iedere samenleving voorkomt en zich op cultuurunieke manieren manifesteert.
Een Bijbelse kijk op dit soort zaken zou zijn dat we geen onderscheid maken. Kleine, grote en middelgrote zaken, betekenisvolle en niet noemenswaardige zaken; we leven ons totale leven in Zijn tegenwoordigheid en mogen alles als uit Zijn hand ontvangen. Dankbaarheid vult onze harten. Ik beschouw me dan ook als een geweldig gezegend mens en heb de verantwoordelijheid om die zegen met anderen te delen.
O ja, mijn auto is te koop. Zie hier. Geen geintje.
Ik vroeg aan een voorganger, die regelmatig wordt geacht om de inzegeningsceremonie van gemeenteleden die door God gezegend zijn met een auto (en daarvoor de rest van tijd die de auto nog rest financieel kromliggen) of een fiets ook ingezegend kon worden. "Nee, we doen geen fietsen", was zijn antwoord.
Een gemeente waar ik een paar dagen later sprak had onlangs geld opgehaald om 400 fietsen te kopen voor voorgangers in India die gewoon zijn alles met de benenwagen te doen. Voor veel Indiers is de fiets met recht een zegen van de Heer. Rondom de fiets wordt een dankstond gehouden en het gebeuren wordt op de gevoelige digitale plaat vereeuwigd.
Voor de Zuid Afrikanen is een fiets te gewoon om gezegend te worden. Voor veel van mijn Indiase collega's is het aanschaffen van een fiets een enorme belevenis.
Waar het me om gaat is dat het dualistische denken en praktijk in iedere samenleving voorkomt en zich op cultuurunieke manieren manifesteert.
Een Bijbelse kijk op dit soort zaken zou zijn dat we geen onderscheid maken. Kleine, grote en middelgrote zaken, betekenisvolle en niet noemenswaardige zaken; we leven ons totale leven in Zijn tegenwoordigheid en mogen alles als uit Zijn hand ontvangen. Dankbaarheid vult onze harten. Ik beschouw me dan ook als een geweldig gezegend mens en heb de verantwoordelijheid om die zegen met anderen te delen.
O ja, mijn auto is te koop. Zie hier. Geen geintje.
08 juni 2009
De grammateurs
De mensen die Jezus hoorden stonden versteld over zijn leer. Waarom? Er zijn altijd wel mensen die bijzondere dingen te melden hebben, scherp kunnen analyseren en goed kunnen communiceren. Wat maakte Jezus dan zo bijzonder? De reden is dat Hij leerde als gezaghebbende en niet als schriftgeleerde. Dat vonden de toen levende schriftgeleerden, of laat ik ze liever grammateurs noemen, behoorlijk bedreigend.
Heb je eindelijk tot vijf cijfers achter de komma een van de Bijbelse leerstellingen uitgerekend, walst Jezus er overheen door de dingen zo simpel te zeggen dat het bijna absurd is.
Als je Jezus trouwens ooit ergens van wilt beschuldigen is het verwijt dat Hij een bijna absurd realisme voorstaat een hele goeie.
De grammateurs hadden bijvoorbeeld net uitgerekend wie we als naaste mogen of moeten zien, met andere woorden, waar onze liefde tot de naaste mag ophouden; komt Jezus met de mededeling dat "ieder die kwaad is op een andere zich voor de rechtbank moet verantwoorden."
En het is natuurlijk heel vervelend als je, na jarenlang gekissebis, gespeur en gegrammateer, eindelijk overeenstemming hebt bereikt over een definitie van "gerechtvaardigde boosheid", Jezus over de vloer krijgt die met Zijn opmerking dat boosheid niet gerechtvaardigd is je virtueel overlevert aan de rechter die je schuldig zal bevinden. Daar hebben we dus allemaal een probleem!
Heb je eindelijk tot vijf cijfers achter de komma een van de Bijbelse leerstellingen uitgerekend, walst Jezus er overheen door de dingen zo simpel te zeggen dat het bijna absurd is.
Als je Jezus trouwens ooit ergens van wilt beschuldigen is het verwijt dat Hij een bijna absurd realisme voorstaat een hele goeie.
De grammateurs hadden bijvoorbeeld net uitgerekend wie we als naaste mogen of moeten zien, met andere woorden, waar onze liefde tot de naaste mag ophouden; komt Jezus met de mededeling dat "ieder die kwaad is op een andere zich voor de rechtbank moet verantwoorden."
En het is natuurlijk heel vervelend als je, na jarenlang gekissebis, gespeur en gegrammateer, eindelijk overeenstemming hebt bereikt over een definitie van "gerechtvaardigde boosheid", Jezus over de vloer krijgt die met Zijn opmerking dat boosheid niet gerechtvaardigd is je virtueel overlevert aan de rechter die je schuldig zal bevinden. Daar hebben we dus allemaal een probleem!
07 juni 2009
Preken
Ik staar naar mijn papieren; "is dit het dan"? "Niet praktisch genoeg. Veel te theoretisch. Waarschijnlijk te scherp en trouwens, wat bak je er zelf van? Hoe doe je dat in je eigen leven?"
Het Brandaris motto is "Jezus kennen en gehoorzamen" en vandaag hebben we onze jaarlijkse Market Plaza. We maken zichtbaar bij welke Evangelieverkondigende projecten en organisaties Brandarianen betrokken zijn. Dat is nogal een spektakel. In de hal staan talloze tafeltjes van waar achter (of voor) de representanten en werkers de Brandarianen verlichten met kennis en informatie over die projecten, organisaties of zichzelf.
Zeventig procent van de Brandarisbegroting wordt geinvesteerd in wereldevangelisatie. Daarom bestaat de kerk immers; om het evangelie uit te dragen, discipelen te maken.
Ik heb een "volle" boodschap voor vandaag maar innerlijk voel ik me leeg. Een overweldigend gevoel van onbekwaamheid boort een gat in mijn ziel. Ik vraag me af of het misschien normaal is dat je, naarmate je Jezus langer volgt, dat voelt?
In de naam van God wordt al zoveel geblaat. Ik noem het blaten want als er geen verbinding is met het persoonlijk leven van de prediker, is het geblaat.
Vanmorgen las ik een stukje in P.T. Forsyth's "The cruciality of the cross", een serie toespraken die hij hield in 1908 Edinburgh tijdens de "third international congregational council". Bij deze councils verdiepte men zich in theologische vraagstukken.
Wat me opviel was "Edinburgh" waar twee jaar later de belangrijke vergadering over wereldzending werd gehouden. Die laatste conferentie, waarin het doen centraal stond, heeft de wereld veranderd. De eerste niet.
We hebben een gezonde balans nodig tussen kennen en gehoorzamen, dat snap ik. Maar daar waar we dingen gaan doen, komt de zaak in beweging. Zolang het bij praten, debateren en studeren blijft, verandert er niets in deze wereld; komt het koninkrijk geen milimeter dichterbij.
Het Brandaris motto is "Jezus kennen en gehoorzamen" en vandaag hebben we onze jaarlijkse Market Plaza. We maken zichtbaar bij welke Evangelieverkondigende projecten en organisaties Brandarianen betrokken zijn. Dat is nogal een spektakel. In de hal staan talloze tafeltjes van waar achter (of voor) de representanten en werkers de Brandarianen verlichten met kennis en informatie over die projecten, organisaties of zichzelf.
Zeventig procent van de Brandarisbegroting wordt geinvesteerd in wereldevangelisatie. Daarom bestaat de kerk immers; om het evangelie uit te dragen, discipelen te maken.
Ik heb een "volle" boodschap voor vandaag maar innerlijk voel ik me leeg. Een overweldigend gevoel van onbekwaamheid boort een gat in mijn ziel. Ik vraag me af of het misschien normaal is dat je, naarmate je Jezus langer volgt, dat voelt?
In de naam van God wordt al zoveel geblaat. Ik noem het blaten want als er geen verbinding is met het persoonlijk leven van de prediker, is het geblaat.
Vanmorgen las ik een stukje in P.T. Forsyth's "The cruciality of the cross", een serie toespraken die hij hield in 1908 Edinburgh tijdens de "third international congregational council". Bij deze councils verdiepte men zich in theologische vraagstukken.
Wat me opviel was "Edinburgh" waar twee jaar later de belangrijke vergadering over wereldzending werd gehouden. Die laatste conferentie, waarin het doen centraal stond, heeft de wereld veranderd. De eerste niet.
We hebben een gezonde balans nodig tussen kennen en gehoorzamen, dat snap ik. Maar daar waar we dingen gaan doen, komt de zaak in beweging. Zolang het bij praten, debateren en studeren blijft, verandert er niets in deze wereld; komt het koninkrijk geen milimeter dichterbij.
05 juni 2009
Transigeren
Een oud woord en ik kende het niet; transigeren. De betekenis ervan ken ik echter wel: het schipperen met je geloof om enerzijds de dienst aan Mammon te legitimeren en dit anderzijds te verzoenen met het liefhebben van de naaste, hetgeen een contradictio in terminus is. Jones (zonder me te verontschuldigen dat ik hem deze week nogal eens aan het woord heb gelaten) schrijft:
" ... nobele Christenen, mannen zoowel als vrouwen, houden het (ons economisch en maatschappelijk stelsel) in stand. Maar hun Christendom wordt aan alle kanten gedwarsboomd en onmogelijk gemaakt, want er zit in dit heele systeem een kern, die niet gekerstend worden kan, en dat is de meedoogenlooze concurrentie. Het is mij beslist onmogelijk me voor te stellen, hoe die gekerstend zou moeten worden. Het liefhebben van den naaste gelijk onszelf is onder dit stelsel eenvoudig niet mogelijk. Het gevolg daarvan is, dat wij Christenen genoodzaakt zijn te transigeeren (= schipperen) met ons Christendom. Want zoodra het werkelijk ernst wordt, dan werkt het stelsel onzen godsdienst tegen en bevordert hem niet. Als Christenen zijn we genoodzaakt, ons geloof te maken tot een afgeschoten hokje in ons leven, bestemd voor den Zondag terwijl op de andere dagen andere beginselen den boventoon voeren. Onder die omstandigheden moeten wij Christenen hetzelfde zeggen als een Hindoe eens tegen me gezegd heeft: „Ik geloof wel in God, maar niet zoo sterk, dat mijn gedrag erdoor wordt beïnvloed, behalve zoo nu en dan een enkele maal". Onder die omstandigheden is het Christendom geworden tot een versuft en zielloos geloof. Het doorgloeit het geheele leven niet. Ons geloof botst tegen cardinale problemen en keert zich dan af om zich in de stilte en de eenzaamheid te verdiepen in vrome stemmingen. Zoo wordt ons geloof, op vitale punten, tot een onschadelijk liefhebberijtje."
Een haarscherpe analyse die tijdloos is. In 1938 actueel en in 2009 nog net zo actueel.
Ga ik wat van mijn spaargeld beleggen in microkrediet? Het klinkt sympathiek; leningen verschaffen aan mensen die geen lening van de bank krijgen omdat de investering te risicovol is en er geen sprake is van zelfs maar iets van een onderpand omdat ze in tweede en derde wereldlanden leven. Maar ook een microkrediet kan, bij voldoende winst de ontvanger van dat krediet veranderen in een graaier. Maar ik kan niet eisen dat de ontvanger belooft om nooit te veranderen in een graaier. Dat is en blijft zijn verantwoordelijkheid. Maar om mensen die niets hebben de gelegenheid te geven om dat niets in iets te zien veranderen is ten diepste een van de grondgedachten van het Koninkrijksdenken: "ze hadden alles gemeenschappelijk."
" ... nobele Christenen, mannen zoowel als vrouwen, houden het (ons economisch en maatschappelijk stelsel) in stand. Maar hun Christendom wordt aan alle kanten gedwarsboomd en onmogelijk gemaakt, want er zit in dit heele systeem een kern, die niet gekerstend worden kan, en dat is de meedoogenlooze concurrentie. Het is mij beslist onmogelijk me voor te stellen, hoe die gekerstend zou moeten worden. Het liefhebben van den naaste gelijk onszelf is onder dit stelsel eenvoudig niet mogelijk. Het gevolg daarvan is, dat wij Christenen genoodzaakt zijn te transigeeren (= schipperen) met ons Christendom. Want zoodra het werkelijk ernst wordt, dan werkt het stelsel onzen godsdienst tegen en bevordert hem niet. Als Christenen zijn we genoodzaakt, ons geloof te maken tot een afgeschoten hokje in ons leven, bestemd voor den Zondag terwijl op de andere dagen andere beginselen den boventoon voeren. Onder die omstandigheden moeten wij Christenen hetzelfde zeggen als een Hindoe eens tegen me gezegd heeft: „Ik geloof wel in God, maar niet zoo sterk, dat mijn gedrag erdoor wordt beïnvloed, behalve zoo nu en dan een enkele maal". Onder die omstandigheden is het Christendom geworden tot een versuft en zielloos geloof. Het doorgloeit het geheele leven niet. Ons geloof botst tegen cardinale problemen en keert zich dan af om zich in de stilte en de eenzaamheid te verdiepen in vrome stemmingen. Zoo wordt ons geloof, op vitale punten, tot een onschadelijk liefhebberijtje."
Een haarscherpe analyse die tijdloos is. In 1938 actueel en in 2009 nog net zo actueel.
Ga ik wat van mijn spaargeld beleggen in microkrediet? Het klinkt sympathiek; leningen verschaffen aan mensen die geen lening van de bank krijgen omdat de investering te risicovol is en er geen sprake is van zelfs maar iets van een onderpand omdat ze in tweede en derde wereldlanden leven. Maar ook een microkrediet kan, bij voldoende winst de ontvanger van dat krediet veranderen in een graaier. Maar ik kan niet eisen dat de ontvanger belooft om nooit te veranderen in een graaier. Dat is en blijft zijn verantwoordelijkheid. Maar om mensen die niets hebben de gelegenheid te geven om dat niets in iets te zien veranderen is ten diepste een van de grondgedachten van het Koninkrijksdenken: "ze hadden alles gemeenschappelijk."
04 juni 2009
Theologie
Ja, theologie is belangrijk. Het kan echter een belangrijke hindernis zijn in het gehoorzamen van Christus.
De afgelopen dagen heb ik veel gelezen over wat wel gezien wordt als de eerste belangrijke internationale conferentie over wereldzending, die van Edinburgh in 1910. Het belangrijkste verwijt is dat de deelnemers niet gevraagd werd naar hun "geloofspapieren". De inzet van de conferentie was de vraag hoe de toenmalige wereld bereikt kon worden met het evangelie, zonder al te diep in te gaan op de vraag wat we met elkaar vinden wat dat evangelie dan is. Als daarover eerste overeenstemming bereikt had moeten worden, was de conferentie vandaag, 99 jaar later, nog niet afgelopen. Het gebrek aan theologische overeenstemming is meteen de kracht van deze conferentie geweest. Er gebeurde wat, de handen moesten uit de mouwen!
De discussie over wat het evangelie dan is, in hoeverre het geoorloofd is om samen te werken met de liberalen, katholieken en orthodoxen; die discussie kwam later op gang en daarover is het laatste woord nog steeds niet gesproken.
Iedereen heeft een mening over van alles en nog wat en heel wat energie en tijd wordt gestoken in oeverloze discussie zonder ooit tot een definitieve conclusie te komen. Op talloze websites kan het volk haar mening geven over welk theologisch vraagstuk dan ook en het gaat er vaak hard aan toe. Het maximaal bereikbare is eenheid in verscheidenheid.
Ondertussen sterven iedere dag tienduizenden zonder ooit het evangelie te hebben gehoord.
Van de week had ik een ondeugende gedachte. Stel je nu eens voor dat kerken zouden stoppen met het betalen van hun staf en het vrijgekomen geld gaan investeren in mannen en vrouwen die naar die plekken willen gaan waar nog helemaal geen volgelingen van Jezus zijn. Die plaatselijke kerk, bijvoorbeeld hier in Nederland, kan heel goed draaiende gehouden worden door vrijwilligers; tentenmakers.
Maar het is slechts een droom. We investeren liever in onszelf en die mannen en die vrouwen die het verlangen hebben om de transformerende boodschap van het evangelie in woord en daad uit te dragen op de minder bevoorrechte plekken in deze wereld, moeten hun hand op blijven houden. Als ze geluk hebben krijgen ze wat kruim en zijn verder afhankelijk van goede vrienden die geloven in wat ze doen. Er zijn kerken die van hun inkomsten een tiende investeren in dat wat God de kerk als voornaamste taak te doen gegeven heeft. En tien procent veelal een uitzondering in positieve zin. Wrang is dat, als je gedachte achter tienden consequent doorvoerd, men slechts tien procent 'apart zet voor God". Hoe kwalificeer je de overige negentig procent dan?
Binnenkort spreek ik op de uitzenddienst van vrienden die zo'n tien jaar bezig zijn om weg te kunnen gaan. Belangrijkste obstakel? Er zijn er altijd wel enkele: financiën, door hun leiders als onvoldoende gekwalificeerd besloten en gebrek aan visie voor de wereld vanuit de kerk.
Dit reikt wat verder dan theologie, ik weet het, maar het is toch tenhemelschreiend dat we maar weinig willen leren van de woorden van Jezus die 2000 jaar geleden al vaststelde dat niet 'de oogst' het probleem is maar het gebrek aan werkers. En als die werkers er dan zijn, dan is vaak de kerk het grootste obstakel in het zenden van die werkers!
De afgelopen dagen heb ik veel gelezen over wat wel gezien wordt als de eerste belangrijke internationale conferentie over wereldzending, die van Edinburgh in 1910. Het belangrijkste verwijt is dat de deelnemers niet gevraagd werd naar hun "geloofspapieren". De inzet van de conferentie was de vraag hoe de toenmalige wereld bereikt kon worden met het evangelie, zonder al te diep in te gaan op de vraag wat we met elkaar vinden wat dat evangelie dan is. Als daarover eerste overeenstemming bereikt had moeten worden, was de conferentie vandaag, 99 jaar later, nog niet afgelopen. Het gebrek aan theologische overeenstemming is meteen de kracht van deze conferentie geweest. Er gebeurde wat, de handen moesten uit de mouwen!
De discussie over wat het evangelie dan is, in hoeverre het geoorloofd is om samen te werken met de liberalen, katholieken en orthodoxen; die discussie kwam later op gang en daarover is het laatste woord nog steeds niet gesproken.
Iedereen heeft een mening over van alles en nog wat en heel wat energie en tijd wordt gestoken in oeverloze discussie zonder ooit tot een definitieve conclusie te komen. Op talloze websites kan het volk haar mening geven over welk theologisch vraagstuk dan ook en het gaat er vaak hard aan toe. Het maximaal bereikbare is eenheid in verscheidenheid.
Ondertussen sterven iedere dag tienduizenden zonder ooit het evangelie te hebben gehoord.
Van de week had ik een ondeugende gedachte. Stel je nu eens voor dat kerken zouden stoppen met het betalen van hun staf en het vrijgekomen geld gaan investeren in mannen en vrouwen die naar die plekken willen gaan waar nog helemaal geen volgelingen van Jezus zijn. Die plaatselijke kerk, bijvoorbeeld hier in Nederland, kan heel goed draaiende gehouden worden door vrijwilligers; tentenmakers.
Maar het is slechts een droom. We investeren liever in onszelf en die mannen en die vrouwen die het verlangen hebben om de transformerende boodschap van het evangelie in woord en daad uit te dragen op de minder bevoorrechte plekken in deze wereld, moeten hun hand op blijven houden. Als ze geluk hebben krijgen ze wat kruim en zijn verder afhankelijk van goede vrienden die geloven in wat ze doen. Er zijn kerken die van hun inkomsten een tiende investeren in dat wat God de kerk als voornaamste taak te doen gegeven heeft. En tien procent veelal een uitzondering in positieve zin. Wrang is dat, als je gedachte achter tienden consequent doorvoerd, men slechts tien procent 'apart zet voor God". Hoe kwalificeer je de overige negentig procent dan?
Binnenkort spreek ik op de uitzenddienst van vrienden die zo'n tien jaar bezig zijn om weg te kunnen gaan. Belangrijkste obstakel? Er zijn er altijd wel enkele: financiën, door hun leiders als onvoldoende gekwalificeerd besloten en gebrek aan visie voor de wereld vanuit de kerk.
Dit reikt wat verder dan theologie, ik weet het, maar het is toch tenhemelschreiend dat we maar weinig willen leren van de woorden van Jezus die 2000 jaar geleden al vaststelde dat niet 'de oogst' het probleem is maar het gebrek aan werkers. En als die werkers er dan zijn, dan is vaak de kerk het grootste obstakel in het zenden van die werkers!
03 juni 2009
Jones, deel III en slot
Hierbij het laatste stukje tekst van Jones over het dualisme van het wereldlijke en het heilige (in 1938 door hem geschreven).
Soms roept zijn interpretatie wat vragen op. Maar dat is wel aardig, vind ik.
Het Koninkrijk Gods maakt een eind aan het dualisme van het wereldlijke en het heilige.
De discipelen waren heel dicht bij de waarheid, toen ze zeiden: „Ziet u om, broeders, naar zeven mannen uit u, die goede getuigenis hebben, vol des Heiligen Geestes en der wijsheid, welke wij mogen stellen over deze noodige zaak" (Hand. VI : 3, Moffatt) — de dagelijksche uitdeeling van het brood. Zij zagen in, dat er geestelijke eischen moesten worden gesteld voor dat werk en dat die zich in dat werk moesten realiseeren. Maar ze geraakten op een dwaalspoor,toen ze zeiden: „Het is niet behoorlijk dat wij het woord Gods nalaten en de tafelen dienen", want hier maakten ze een verschil, dat in de latere geschiedenis van het Christendom verderfelijk geweest is. Ze werden den Meester ontrouw, die in de woestijn niet geaarzeld had, „de tafelen te dienen" voor de menigte en die van Zijn laatsten maaltijd een sacrament heeft gemaakt, dat door de eeuwen heen is blijven bestaan en die na Zijn wederopstanding op het strand een maaltijd bereidde voor Zijn hongerige discipelen na een nacht van vermoeienis. Hier trokken de discipelen zich terug uit dien stroom van de heiligheid van het geheele leven en van alle plichten en deden een poging, het leven te vergeestelijken buiten het stoffelijke om. Daardoor is de geestelijkheid een stand op zichzelf geworden, die beschouwd wordt als een groep onpractische droomers, niet als de krachtige architecten van een nieuw stelsel, die zich in de materieels verhoudingen een plaats veroveren om het Koninkrijk Gods daar, in die verhoudingen, te verwerkelijken. God heeft zijn best gedaan dat onderscheid weg te nemen, want hij heeft Stefanus in veel sterker mate gebruikt als evangelist, dan de apostelen die zich zoo hadden afgescheiden: „En Stefanus, vol van geloof en van kracht, deed wonderen en groots teekenen onder het volk... en zij konden niet weerstaan de wijsheid en den Geest door welken hij sprak". (Hand. VI : 8, 10). God aanvaardde de onderscheiding niet, die de apostelen gemaakt hadden; Hij negeerde die en gebruikte de tafeldienaren voor het werk, waarin de apostelen verondersteld werden specialisten te zijn: namelijk het geestelijke, veel meer dan de apostelen zelf. Dien wenk hadden ze moeten begrijpen. Philippus, een van de tafeldienaren, werd Philippus de evangelist", want God aanvaardde de scheiding van tafeldienaar en evangelist niet. Paulus heeft dien wenk begrepen en kon zeggen: „En gijlieden weet, dat deze handen tot mijne nooddruft en dergenen, die met mij waren, hebben gediend. Ik heb in alles getoond, dat men alzoo arbeidende, de zwakken moet opnemen en gedenken aan de woorden van den Heer Jezus Christus, dat hij gezegd heeft: „Het is zaliger te geven dan te ontvangen". (Hand. 20 :34, 35). En elders zegt hij: „Want gijlieden weet, hoe men ons behoort na te volgen, want wij hebben ons niet ongeregeld gedragen onder u; en wij hebben geen brood bij iemand gegeten voor niet, maar in arbeid en moeite, nacht en dag, werkende, opdat wij niet iemand van u zouden lastig zijn:... Want ook toen wij bij u waren, hebben wij u dit bevolen, dat zoo iemand niet wil werken, hij ook niet ets". (2 Thess. III : 7-10). Paulus heeft het principe van de eenheid van het zoogenaamd saeculaire en heilige beter begrepen dan de andere apostelen. Daarom had Paulus ook het gevoel, te staan buiten den stroom van het apostolische leven, dat verstarde tot een aparte klasse, een zoogenaamde heilige klasse. Hij stond aan den kant van de leeken, werd ook beschouwd als een leek... terecht trouwens! Maar juist daarin was hij trouw aan den geest en de sfeer van het evangelie. Want ook Christus was een leek en Zijn beweging was een beweging van leeken, die het Koninkrijk uitdroeg in het geheele leven en het geheele leven heiligde. De reden, waarom wij ons allen voelen aangetrokken tot Broeder Lawrence ligt in het feit, dat hij de Tegenwoordigheid Gods beoefende te midden van zijn potten en pannen. Anderen hebben geprobeerd de Tegenwoordigheid Gods te beoefenen buiten de potten en pannen om en zij stooten ons af. De Communisten ijveren voor een maatschappij van enkel werkers. Menschen die het leven hebben verdeeld in wereldlijke en geestelijke klassen heffen hun handen op ten hemel en zeggen, dat het leven wordt gesaeculariseerd. Maar de Communisten zijn, als ze deze onderscheiding niet wenschen te erkennen, dichter bij het Koninkrijk dan anderen, want zij probeeren hun gedachten te verwerkelijken in de materie en niet in een hokje apart, zooals de geloovigen zoo dikwijls geprobeerd hebben. Als Oman zegt „de echtheid van een godsdienst kan worden afgemeten naar den graad, waarin hij saeculair is", dan legt hij nog eens den nadruk op de noodzakelijkheid, den godsdienst te interpreteeren in de vormen van het zoogenaamd saeculaire leven.
Het Koninkrijk Gods is de eisch, het geheele leven te stellen onder één hoofd, één gedachte. Het maakt een eind aan alle saecularisme, door alles wat saeculair was, heilig te maken, en het maakt een eind aan alle gewijdheid, door alles wat gewijd was te saeculariseeren. Alles is leven, eenvoudig leven.
E. Stanley Jones, Aan ons de Beslissing (Amsterdam: H.J. Paris, 1938), 136-41
Soms roept zijn interpretatie wat vragen op. Maar dat is wel aardig, vind ik.
Het Koninkrijk Gods maakt een eind aan het dualisme van het wereldlijke en het heilige.
De discipelen waren heel dicht bij de waarheid, toen ze zeiden: „Ziet u om, broeders, naar zeven mannen uit u, die goede getuigenis hebben, vol des Heiligen Geestes en der wijsheid, welke wij mogen stellen over deze noodige zaak" (Hand. VI : 3, Moffatt) — de dagelijksche uitdeeling van het brood. Zij zagen in, dat er geestelijke eischen moesten worden gesteld voor dat werk en dat die zich in dat werk moesten realiseeren. Maar ze geraakten op een dwaalspoor,toen ze zeiden: „Het is niet behoorlijk dat wij het woord Gods nalaten en de tafelen dienen", want hier maakten ze een verschil, dat in de latere geschiedenis van het Christendom verderfelijk geweest is. Ze werden den Meester ontrouw, die in de woestijn niet geaarzeld had, „de tafelen te dienen" voor de menigte en die van Zijn laatsten maaltijd een sacrament heeft gemaakt, dat door de eeuwen heen is blijven bestaan en die na Zijn wederopstanding op het strand een maaltijd bereidde voor Zijn hongerige discipelen na een nacht van vermoeienis. Hier trokken de discipelen zich terug uit dien stroom van de heiligheid van het geheele leven en van alle plichten en deden een poging, het leven te vergeestelijken buiten het stoffelijke om. Daardoor is de geestelijkheid een stand op zichzelf geworden, die beschouwd wordt als een groep onpractische droomers, niet als de krachtige architecten van een nieuw stelsel, die zich in de materieels verhoudingen een plaats veroveren om het Koninkrijk Gods daar, in die verhoudingen, te verwerkelijken. God heeft zijn best gedaan dat onderscheid weg te nemen, want hij heeft Stefanus in veel sterker mate gebruikt als evangelist, dan de apostelen die zich zoo hadden afgescheiden: „En Stefanus, vol van geloof en van kracht, deed wonderen en groots teekenen onder het volk... en zij konden niet weerstaan de wijsheid en den Geest door welken hij sprak". (Hand. VI : 8, 10). God aanvaardde de onderscheiding niet, die de apostelen gemaakt hadden; Hij negeerde die en gebruikte de tafeldienaren voor het werk, waarin de apostelen verondersteld werden specialisten te zijn: namelijk het geestelijke, veel meer dan de apostelen zelf. Dien wenk hadden ze moeten begrijpen. Philippus, een van de tafeldienaren, werd Philippus de evangelist", want God aanvaardde de scheiding van tafeldienaar en evangelist niet. Paulus heeft dien wenk begrepen en kon zeggen: „En gijlieden weet, dat deze handen tot mijne nooddruft en dergenen, die met mij waren, hebben gediend. Ik heb in alles getoond, dat men alzoo arbeidende, de zwakken moet opnemen en gedenken aan de woorden van den Heer Jezus Christus, dat hij gezegd heeft: „Het is zaliger te geven dan te ontvangen". (Hand. 20 :34, 35). En elders zegt hij: „Want gijlieden weet, hoe men ons behoort na te volgen, want wij hebben ons niet ongeregeld gedragen onder u; en wij hebben geen brood bij iemand gegeten voor niet, maar in arbeid en moeite, nacht en dag, werkende, opdat wij niet iemand van u zouden lastig zijn:... Want ook toen wij bij u waren, hebben wij u dit bevolen, dat zoo iemand niet wil werken, hij ook niet ets". (2 Thess. III : 7-10). Paulus heeft het principe van de eenheid van het zoogenaamd saeculaire en heilige beter begrepen dan de andere apostelen. Daarom had Paulus ook het gevoel, te staan buiten den stroom van het apostolische leven, dat verstarde tot een aparte klasse, een zoogenaamde heilige klasse. Hij stond aan den kant van de leeken, werd ook beschouwd als een leek... terecht trouwens! Maar juist daarin was hij trouw aan den geest en de sfeer van het evangelie. Want ook Christus was een leek en Zijn beweging was een beweging van leeken, die het Koninkrijk uitdroeg in het geheele leven en het geheele leven heiligde. De reden, waarom wij ons allen voelen aangetrokken tot Broeder Lawrence ligt in het feit, dat hij de Tegenwoordigheid Gods beoefende te midden van zijn potten en pannen. Anderen hebben geprobeerd de Tegenwoordigheid Gods te beoefenen buiten de potten en pannen om en zij stooten ons af. De Communisten ijveren voor een maatschappij van enkel werkers. Menschen die het leven hebben verdeeld in wereldlijke en geestelijke klassen heffen hun handen op ten hemel en zeggen, dat het leven wordt gesaeculariseerd. Maar de Communisten zijn, als ze deze onderscheiding niet wenschen te erkennen, dichter bij het Koninkrijk dan anderen, want zij probeeren hun gedachten te verwerkelijken in de materie en niet in een hokje apart, zooals de geloovigen zoo dikwijls geprobeerd hebben. Als Oman zegt „de echtheid van een godsdienst kan worden afgemeten naar den graad, waarin hij saeculair is", dan legt hij nog eens den nadruk op de noodzakelijkheid, den godsdienst te interpreteeren in de vormen van het zoogenaamd saeculaire leven.Het Koninkrijk Gods is de eisch, het geheele leven te stellen onder één hoofd, één gedachte. Het maakt een eind aan alle saecularisme, door alles wat saeculair was, heilig te maken, en het maakt een eind aan alle gewijdheid, door alles wat gewijd was te saeculariseeren. Alles is leven, eenvoudig leven.
E. Stanley Jones, Aan ons de Beslissing (Amsterdam: H.J. Paris, 1938), 136-41
Abonneren op:
Posts (Atom)
Misschien is het beter om het niet langer over God te hebben. Geeft alleen maar gedoe.
Mijn werk is nogal verweven met het gebruik van het woord God. Een zendingsorganisatie houdt zich immers bezig met de export, uitleggingen, ...