08 juni 2009

De grammateurs

De mensen die Jezus hoorden stonden versteld over zijn leer. Waarom? Er zijn altijd wel mensen die bijzondere dingen te melden hebben, scherp kunnen analyseren en goed kunnen communiceren. Wat maakte Jezus dan zo bijzonder? De reden is dat Hij leerde als gezaghebbende en niet als schriftgeleerde. Dat vonden de toen levende schriftgeleerden, of laat ik ze liever grammateurs noemen, behoorlijk bedreigend.
Heb je eindelijk tot vijf cijfers achter de komma een van de Bijbelse leerstellingen uitgerekend, walst Jezus er overheen door de dingen zo simpel te zeggen dat het bijna absurd is.
Als je Jezus trouwens ooit ergens van wilt beschuldigen is het verwijt dat Hij een bijna absurd realisme voorstaat een hele goeie.
De grammateurs hadden bijvoorbeeld net uitgerekend wie we als naaste mogen of moeten zien, met andere woorden, waar onze liefde tot de naaste mag ophouden; komt Jezus met de mededeling dat "ieder die kwaad is op een andere zich voor de rechtbank moet verantwoorden."
En het is natuurlijk heel vervelend als je, na jarenlang gekissebis, gespeur en gegrammateer, eindelijk overeenstemming hebt bereikt over een definitie van "gerechtvaardigde boosheid", Jezus over de vloer krijgt die met Zijn opmerking dat boosheid niet gerechtvaardigd is je virtueel overlevert aan de rechter die je schuldig zal bevinden. Daar hebben we dus allemaal een probleem!

07 juni 2009

Preken

Ik staar naar mijn papieren; "is dit het dan"? "Niet praktisch genoeg. Veel te theoretisch. Waarschijnlijk te scherp en trouwens, wat bak je er zelf van? Hoe doe je dat in je eigen leven?"
Het Brandaris motto is "Jezus kennen en gehoorzamen" en vandaag hebben we onze jaarlijkse Market Plaza. We maken zichtbaar bij welke Evangelieverkondigende projecten en organisaties Brandarianen betrokken zijn. Dat is nogal een spektakel. In de hal staan talloze tafeltjes van waar achter (of voor) de representanten en werkers de Brandarianen verlichten met kennis en informatie over die projecten, organisaties of zichzelf.
Zeventig procent van de Brandarisbegroting wordt geinvesteerd in wereldevangelisatie. Daarom bestaat de kerk immers; om het evangelie uit te dragen, discipelen te maken.
Ik heb een "volle" boodschap voor vandaag maar innerlijk voel ik me leeg. Een overweldigend gevoel van onbekwaamheid boort een gat in mijn ziel. Ik vraag me af of het misschien normaal is dat je, naarmate je Jezus langer volgt, dat voelt?
In de naam van God wordt al zoveel geblaat. Ik noem het blaten want als er geen verbinding is met het persoonlijk leven van de prediker, is het geblaat.
Vanmorgen las ik een stukje in P.T. Forsyth's "The cruciality of the cross", een serie toespraken die hij hield in 1908 Edinburgh tijdens de "third international congregational council". Bij deze councils verdiepte men zich in theologische vraagstukken.
Wat me opviel was "Edinburgh" waar twee jaar later de belangrijke vergadering over wereldzending werd gehouden. Die laatste conferentie, waarin het doen centraal stond, heeft de wereld veranderd. De eerste niet.
We hebben een gezonde balans nodig tussen kennen en gehoorzamen, dat snap ik. Maar daar waar we dingen gaan doen, komt de zaak in beweging. Zolang het bij praten, debateren en studeren blijft, verandert er niets in deze wereld; komt het koninkrijk geen milimeter dichterbij.

05 juni 2009

Transigeren

Een oud woord en ik kende het niet; transigeren. De betekenis ervan ken ik echter wel: het schipperen met je geloof om enerzijds de dienst aan Mammon te legitimeren en dit anderzijds te verzoenen met het liefhebben van de naaste, hetgeen een contradictio in terminus is. Jones (zonder me te verontschuldigen dat ik hem deze week nogal eens aan het woord heb gelaten) schrijft:

" ... nobele Christenen, mannen zoowel als vrouwen, houden het (ons economisch en maatschappelijk stelsel) in stand. Maar hun Christendom wordt aan alle kanten gedwarsboomd en onmogelijk gemaakt, want er zit in dit heele systeem een kern, die niet gekerstend worden kan, en dat is de meedoogenlooze concurrentie. Het is mij beslist onmogelijk me voor te stellen, hoe die gekerstend zou moeten worden. Het liefhebben van den naaste gelijk onszelf is onder dit stelsel eenvoudig niet mogelijk. Het gevolg daarvan is, dat wij Christenen genoodzaakt zijn te transigeeren (= schipperen) met ons Christendom. Want zoodra het werkelijk ernst wordt, dan werkt het stelsel onzen godsdienst tegen en bevordert hem niet. Als Christenen zijn we genoodzaakt, ons geloof te maken tot een afgeschoten hokje in ons leven, bestemd voor den Zondag terwijl op de andere dagen andere beginselen den boventoon voeren. Onder die omstandigheden moeten wij Christenen hetzelfde zeggen als een Hindoe eens tegen me gezegd heeft: „Ik geloof wel in God, maar niet zoo sterk, dat mijn gedrag erdoor wordt beïnvloed, behalve zoo nu en dan een enkele maal". Onder die omstandigheden is het Christendom geworden tot een versuft en zielloos geloof. Het doorgloeit het geheele leven niet. Ons geloof botst tegen cardinale problemen en keert zich dan af om zich in de stilte en de eenzaamheid te verdiepen in vrome stemmingen. Zoo wordt ons geloof, op vitale punten, tot een onschadelijk liefhebberijtje."

Een haarscherpe analyse die tijdloos is. In 1938 actueel en in 2009 nog net zo actueel.
Ga ik wat van mijn spaargeld beleggen in microkrediet? Het klinkt sympathiek; leningen verschaffen aan mensen die geen lening van de bank krijgen omdat de investering te risicovol is en er geen sprake is van zelfs maar iets van een onderpand omdat ze in tweede en derde wereldlanden leven. Maar ook een microkrediet kan, bij voldoende winst de ontvanger van dat krediet veranderen in een graaier. Maar ik kan niet eisen dat de ontvanger belooft om nooit te veranderen in een graaier. Dat is en blijft zijn verantwoordelijkheid. Maar om mensen die niets hebben de gelegenheid te geven om dat niets in iets te zien veranderen is ten diepste een van de grondgedachten van het Koninkrijksdenken: "ze hadden alles gemeenschappelijk."

04 juni 2009

Theologie

Ja, theologie is belangrijk. Het kan echter een belangrijke hindernis zijn in het gehoorzamen van Christus.
De afgelopen dagen heb ik veel gelezen over wat wel gezien wordt als de eerste belangrijke internationale conferentie over wereldzending, die van Edinburgh in 1910. Het belangrijkste verwijt is dat de deelnemers niet gevraagd werd naar hun "geloofspapieren". De inzet van de conferentie was de vraag hoe de toenmalige wereld bereikt kon worden met het evangelie, zonder al te diep in te gaan op de vraag wat we met elkaar vinden wat dat evangelie dan is. Als daarover eerste overeenstemming bereikt had moeten worden, was de conferentie vandaag, 99 jaar later, nog niet afgelopen. Het gebrek aan theologische overeenstemming is meteen de kracht van deze conferentie geweest. Er gebeurde wat, de handen moesten uit de mouwen!
De discussie over wat het evangelie dan is, in hoeverre het geoorloofd is om samen te werken met de liberalen, katholieken en orthodoxen; die discussie kwam later op gang en daarover is het laatste woord nog steeds niet gesproken.

Iedereen heeft een mening over van alles en nog wat en heel wat energie en tijd wordt gestoken in oeverloze discussie zonder ooit tot een definitieve conclusie te komen. Op talloze websites kan het volk haar mening geven over welk theologisch vraagstuk dan ook en het gaat er vaak hard aan toe. Het maximaal bereikbare is eenheid in verscheidenheid.
Ondertussen sterven iedere dag tienduizenden zonder ooit het evangelie te hebben gehoord.
Van de week had ik een ondeugende gedachte. Stel je nu eens voor dat kerken zouden stoppen met het betalen van hun staf en het vrijgekomen geld gaan investeren in mannen en vrouwen die naar die plekken willen gaan waar nog helemaal geen volgelingen van Jezus zijn. Die plaatselijke kerk, bijvoorbeeld hier in Nederland, kan heel goed draaiende gehouden worden door vrijwilligers; tentenmakers.
Maar het is slechts een droom. We investeren liever in onszelf en die mannen en die vrouwen die het verlangen hebben om de transformerende boodschap van het evangelie in woord en daad uit te dragen op de minder bevoorrechte plekken in deze wereld, moeten hun hand op blijven houden. Als ze geluk hebben krijgen ze wat kruim en zijn verder afhankelijk van goede vrienden die geloven in wat ze doen. Er zijn kerken die van hun inkomsten een tiende investeren in dat wat God de kerk als voornaamste taak te doen gegeven heeft. En tien procent veelal een uitzondering in positieve zin. Wrang is dat, als je gedachte achter tienden consequent doorvoerd, men slechts tien procent 'apart zet voor God". Hoe kwalificeer je de overige negentig procent dan?

Binnenkort spreek ik op de uitzenddienst van vrienden die zo'n tien jaar bezig zijn om weg te kunnen gaan. Belangrijkste obstakel? Er zijn er altijd wel enkele: financiën, door hun leiders als onvoldoende gekwalificeerd besloten en gebrek aan visie voor de wereld vanuit de kerk.
Dit reikt wat verder dan theologie, ik weet het, maar het is toch tenhemelschreiend dat we maar weinig willen leren van de woorden van Jezus die 2000 jaar geleden al vaststelde dat niet 'de oogst' het probleem is maar het gebrek aan werkers. En als die werkers er dan zijn, dan is vaak de kerk het grootste obstakel in het zenden van die werkers!

03 juni 2009

Jones, deel III en slot

Hierbij het laatste stukje tekst van Jones over het dualisme van het wereldlijke en het heilige (in 1938 door hem geschreven).
Soms roept zijn interpretatie wat vragen op. Maar dat is wel aardig, vind ik.

Het Koninkrijk Gods maakt een eind aan het dualisme van het wereldlijke en het heilige.

De discipelen waren heel dicht bij de waarheid, toen ze zeiden: „Ziet u om, broeders, naar zeven mannen uit u, die goede getuigenis hebben, vol des Heiligen Geestes en der wijsheid, welke wij mogen stellen over deze noodige zaak" (Hand. VI : 3, Moffatt) — de dagelijksche uitdeeling van het brood. Zij zagen in, dat er geestelijke eischen moesten worden gesteld voor dat werk en dat die zich in dat werk moesten realiseeren. Maar ze geraakten op een dwaalspoor,toen ze zeiden: „Het is niet behoorlijk dat wij het woord Gods nalaten en de tafelen dienen", want hier maakten ze een verschil, dat in de latere geschiedenis van het Christendom verderfelijk geweest is. Ze werden den Meester ontrouw, die in de woestijn niet geaarzeld had, „de tafelen te dienen" voor de menigte en die van Zijn laatsten maaltijd een sacrament heeft gemaakt, dat door de eeuwen heen is blijven bestaan en die na Zijn wederopstanding op het strand een maaltijd bereidde voor Zijn hongerige discipelen na een nacht van vermoeienis. Hier trokken de discipelen zich terug uit dien stroom van de heiligheid van het geheele leven en van alle plichten en deden een poging, het leven te vergeestelijken buiten het stoffelijke om. Daardoor is de geestelijkheid een stand op zichzelf geworden, die beschouwd wordt als een groep onpractische droomers, niet als de krachtige architecten van een nieuw stelsel, die zich in de materieels verhoudingen een plaats veroveren om het Koninkrijk Gods daar, in die verhoudingen, te verwerkelijken. God heeft zijn best gedaan dat onderscheid weg te nemen, want hij heeft Stefanus in veel sterker mate gebruikt als evangelist, dan de apostelen die zich zoo hadden afgescheiden: „En Stefanus, vol van geloof en van kracht, deed wonderen en groots teekenen onder het volk... en zij konden niet weerstaan de wijsheid en den Geest door welken hij sprak". (Hand. VI : 8, 10). God aanvaardde de onderscheiding niet, die de apostelen gemaakt hadden; Hij negeerde die en gebruikte de tafeldienaren voor het werk, waarin de apostelen verondersteld werden specialisten te zijn: namelijk het geestelijke, veel meer dan de apostelen zelf. Dien wenk hadden ze moeten begrijpen. Philippus, een van de tafeldienaren, werd Philippus de evangelist", want God aanvaardde de scheiding van tafeldienaar en evangelist niet. Paulus heeft dien wenk begrepen en kon zeggen: „En gijlieden weet, dat deze handen tot mijne nooddruft en dergenen, die met mij waren, hebben gediend. Ik heb in alles getoond, dat men alzoo arbeidende, de zwakken moet opnemen en gedenken aan de woorden van den Heer Jezus Christus, dat hij gezegd heeft: „Het is zaliger te geven dan te ontvangen". (Hand. 20 :34, 35). En elders zegt hij: „Want gijlieden weet, hoe men ons behoort na te volgen, want wij hebben ons niet ongeregeld gedragen onder u; en wij hebben geen brood bij iemand gegeten voor niet, maar in arbeid en moeite, nacht en dag, werkende, opdat wij niet iemand van u zouden lastig zijn:... Want ook toen wij bij u waren, hebben wij u dit bevolen, dat zoo iemand niet wil werken, hij ook niet ets". (2 Thess. III : 7-10). Paulus heeft het principe van de eenheid van het zoogenaamd saeculaire en heilige beter begrepen dan de andere apostelen. Daarom had Paulus ook het gevoel, te staan buiten den stroom van het apostolische leven, dat verstarde tot een aparte klasse, een zoogenaamde heilige klasse. Hij stond aan den kant van de leeken, werd ook beschouwd als een leek... terecht trouwens! Maar juist daarin was hij trouw aan den geest en de sfeer van het evangelie. Want ook Christus was een leek en Zijn beweging was een beweging van leeken, die het Koninkrijk uitdroeg in het geheele leven en het geheele leven heiligde. De reden, waarom wij ons allen voelen aangetrokken tot Broeder Lawrence ligt in het feit, dat hij de Tegenwoordigheid Gods beoefende te midden van zijn potten en pannen. Anderen hebben geprobeerd de Tegenwoordigheid Gods te beoefenen buiten de potten en pannen om en zij stooten ons af. De Communisten ijveren voor een maatschappij van enkel werkers. Menschen die het leven hebben verdeeld in wereldlijke en geestelijke klassen heffen hun handen op ten hemel en zeggen, dat het leven wordt gesaeculariseerd. Maar de Communisten zijn, als ze deze onderscheiding niet wenschen te erkennen, dichter bij het Koninkrijk dan anderen, want zij probeeren hun gedachten te verwerkelijken in de materie en niet in een hokje apart, zooals de geloovigen zoo dikwijls geprobeerd hebben. Als Oman zegt „de echtheid van een godsdienst kan worden afgemeten naar den graad, waarin hij saeculair is", dan legt hij nog eens den nadruk op de noodzakelijkheid, den godsdienst te interpreteeren in de vormen van het zoogenaamd saeculaire leven.
Het Koninkrijk Gods is de eisch, het geheele leven te stellen onder één hoofd, één gedachte. Het maakt een eind aan alle saecularisme, door alles wat saeculair was, heilig te maken, en het maakt een eind aan alle gewijdheid, door alles wat gewijd was te saeculariseeren. Alles is leven, eenvoudig leven.

E. Stanley Jones, Aan ons de Beslissing (Amsterdam: H.J. Paris, 1938), 136-41

02 juni 2009

Jones deel II

Hier deel II van Jones over dualisme van het wereldlijke en het heilige. Let op, het is nog steeds 1938.

Het Koninkrijk Gods maakt een eind aan het dualisme van het wereldlijke en het heilige.

Wij moeten God terugbrengen naar het leven, het gewone leven. Het gewone leven is onterfd. De zendingsgedachte is er uit weggenomen. We hebben toegelaten, dat het zoo armzalig werd, dat de gewone Christen niets beters meer weet te doen dan te halen, wat er te halen is, en waar het maar te halen is, zonder zich te bemoeien met de Christelijke ethiek of zich te stellen onder het oordeel van het Christendom. God moet weer teruggebracht worden in het leven. We hebben gesproken over den man, die schoenen maakte om de kosten te dekken van het dienen Gods. Dat is goed, maar nog lang niet goed genoeg. Waarom zou hij God niet dienen door het maken van schoenen zelf? Waarom zou hij daarin niet de liefde en rechtvaardigheid Gods leggen, zoodat het maken van die schoenen een voortzetting werd van de incarnatie —Gods incarnatie in de stof? Waarom zou een zakenman niet 's morgens naar zijn werk gaan met eenzelfde gevoel van roeping als de predikant heeft, wanneer hij Zondagsmorgens zijn preekstoel bestijgt? Waarom zou hij niet met evenveel eerbied zijn grootboek ter hand nemen als de predikant zijn gezangboek? Waarom zou ieder schrift geen Heilige Schrift zijn? Onderwijst de leeraar, die les geeft in de mathematica, een „wereldlijk" vak? Werkelijk? Maar wie heeft dan de mathematica geschapen? Wie heeft het heelal gebouwd op een mathematischer grondslag? „God is een getallenkunstenaar", of, zooals sir James Jeans zegt: „God is een zuiver mathematicus". Maar volgt dan de wiskundeleeraar, die de mathematica onderwijst, niet de voetsporen van het goddelijke in het heelal? Is de waarheid, die in de wiskunde te vinden is, iets anders dan de waarheden, die we vinden in den Bijbel? Of is alle waarheid één? Toen ik op de middelbare school ging, heb ik dikwijls geknield naast mijn bed en zoo, op mijn knieën, mijn gewone schoolboeken bestudeerd, biddende mijn weg zoekend door de lessen voor den volgenden dag. Mijn hart brandde binnen in mij bij het gevoel, de waarheid te ontdekken, en ik kon vol eerbied knielen voor elke waarheid, wetend dat die mij bij de hand nam om mij te leiden naar Zijn voeten. Naar Zijn voeten? Maar Zijn voeten stonden daar, op diezelfde plek; die waarheid was reeds de afdruk van Zijn voet. Toen Lord Irwin, de tegenwoordige Lord Halifax, benoemd was tot onderkoning van Voor-Indië, brachten hij en zijn oude vader een geheelen dag door in gebed, zoekend naar licht in de vraag, of hij deze benoeming aanvaarden zou of niet. Aan het eind van dezen bidstond zei de oude vader tegen zijn zoon: „Mijn jongen, ik ben van oordeel, dat je deze benoeming zult moeten aannemen". Lord Irwin kwam in Voor-Indië met een gevoel van roeping. Na een zeer ernstig gesprek van vele uren heeft hij eens tegen me gezegd: „Ik zou graag willen, dat ook U voelde, dat wij beiden werken voor dezelfde zaak". Hij voelde zich net zoo goed een afgezant Gods als een zendeling. Waarom ook niet? De Christen-Indiër, die, als rechter, 's morgens om vier uur opstaat om een gebedsuur te hebben en dan op zijn knieën de vonnissen schrijft voor dien dag, streeft ernaar eeuwige gerechtigheid te brengen in de rechtszaal, opdat zij zich uitwerkt in de verhoudingen tusschen de menschen. Toen een Brahmaansch advocaat op een dag in de rechtszaal zijn zelfbeheersching verloor en de rechter hem zei, tot zijn spijt genoodzaakt te zijn hem daarvoor te beboeten, antwoordde hij: , Mijnheer, als u mij beboet, zal ik dat aanvaarden als een oordeel Gods, want als gij spreekt, spreekt God". Laat niemand nu zeggen, dat zijn beroep een wereldlijk beroep is. Want dat is niet waar.

01 juni 2009

Jones over dualisme wereldlijk en heilig

Dit wil ik jullie, geachte lezers, toch niet onthouden. In drie delen. Vandaag deel 1. Let wel, Jones schreef dit in 1938!

Het Koninkrijk Gods maakt een eind aan het dualisme van het wereldlijke en het heilige.

Wij hebben het leven verdeeld tusschen geestelijke en wereldlijke vragen, tusschen „weeksche" dagen en „Zon- en feestdagen", stichtelijke lectuur en „gewone" lectuur, kerkelijke bouwkunst en wereldlijke bouwkunst, gewijde wetenschap en wereldlijke wetenschap, geestelijke roeping en wereldlijke roeping. We hebben het leven in deze wereld onterfd ten behoeve van het „kerkelijke", het „gewijde"; het gewijde is hooger, het wereldlijke lager. Maar de Nemesis heeft ons achterhaald: het Communisme heeft zich gewroken en alles wat „gewijd" was, verbannen. In Rusland is het heele leven wereldlijk. Beide opvattingen zijn fout en beide hebben een verderfelijke uitwerking gehad. De verdeelig van het leven in wereldlijke roeping en geestelijke roeping heeft grootonheil aangericht in den geest van den leek. Zijn roeping was „maar" wereldlijk, meende hij; hij had niet het hoogste gekozen en daarom leefde hij onder den druk van een geestelijk minderwaardigheidscomplex. Van hem werd niet verwacht, dat hij leefde naar den allerhoogsten maatstaf, want zijn roeping was immers evenmin de allerhoogste. Van den predikant, den zendeling en den man of vrouw die „Christelijk werk" verrichtte, werd meer verwacht, want hun roeping was ook hooger. Daardoor werd de Christelijke roeping iets onnatuurlijks, iets dat gepaard ging met een bepaalde manier van spreken, van kleeden, en nog allerlei andere hocus pocus, die de gedachte van een superieur geestelijk leven en autoriteit nog eensextra nadruk moesten verleenen. Ook werd, aan de zogenaamd wereldlijke roeping, hierdoor de geestelijke waarde ontnomen: dat lag immers in den aard der zaak! Het werd heel eenvoudig, zich aan te passen bij zijn beroep, zijn stand. Het resultaat? Een zedelijke en geestelijke inzinking, een verslapt, voor het leven pasklaar gemaakt Christendom voor de leeken. Het Christendom blijft gereserveerd voor den Zondag, den heiligen dag, en wordt buiten werking gesteld op de andere dagen, want dat zijn „maar" weeksche dagen, en dan geldt de wereldlijke roeping.
Die scheiding is foutief. Ik ben zelf zendeling en dat wordt beschouwd als een geestelijk ambt, maar het is niets geestelijker dan eenig ander werk, dat door een Christen wordt verricht. Leder Christen is zendeling. Dat ligt in den aard van het evangelie, dat hij belijdt en waardoor hij is gebonden. Onthoudt toch eens goed, dat de geheele Christelijke beweging aanvankelijk een leekenbeweging was. Jezus en zijn discipelen stonden buiten den stroom van zoogenaamde „heiligheid", die door de priesters en den tempel ging. „Door welke macht doet gij deze dingen"? en noch Hij noch Zijn discipelen konden er zich op beroepen door iemand of iets gemachtigd te zijn, want ze waren leeken, allemaal. Zijn eenige autoriteit bestond in de dingen die hij deed. De beweging legitimeerde zich in het leven. Het onderscheid tusschen wereldlijk en geestelijk was weggevallen. Het Koninkrijk maakte het leven tot één geheel.

31 mei 2009

Terugbladeren

Een gewoonte die ik al zo'n twintig jaar bezig is het vrijwel altijd meezeulen van een notebook. Daar schrijf ik van alles in. Aantekeningen, dingen die ik beloof te doen, losse gedachten, ingevingen enz.. Eens in de zoveel tijd ga ik door die talloze notebooks heen, scheur eruit wat weg kan en bewaar wat ik wil bewaren. "Briljante" vondsten en prive aantekeningen worden in een groot blik bewaard.
Vandaag bladerde ik door een van mijn "2005 notebooks" en kwam daarin enkele observaties tegen, waarvan ik natuurlijk allang vergeten was dat ik deze ooit gedaan had. Toch, door het op te schrijven maak je er ook een mentale aantekening van en deze gaat dan een eigen leven leiden en bepaalt mede beslissingen en verdere gedachten.
Op 28 oktober 2005 schreef ik (mijn agenda raadplegend blijkt dat onderweg van Chicago naar Amsterdam te zijn gebeurd):
Toekomst; wat, waarom, waarmee, wie, enz..
Brandaris: blijven tot 2009 (proces is in beweging, voldoende ruimte om te ontwikkelen)
Cruciale zaken die m.i. moeten veranderen:
  1. Zondagdienst (doorontwikkelen. Extra dienst op de avond mogelijkheid?)
  2. Structuur leiderschap (werk met taakomschrijvingen en verbreedt structuur)
  3. Jongerenwerk (zit vast binnen Brandarisstructuur)
  4. Kringen (gemeente in kringen)
  5. Missionair gemeente zijn (plaatselijk en wereldwijd)

Grappig om dat terug te lezen. Op een aantal punten zijn echt wel meters gemaakt maar over het algemeen is mijn beleving dat de meerderheid het eigenlijk wel prima vindt zoals de zaken nu lopen. Gretigheid naar groei is er niet echt.

Een bladzijde verder staat:

Hoe zou een (zondag)avond in Brandaris eruit kunnen zien?

  • Informeel
  • Waarkheid samen verkennen
  • Provocerende liefde
  • Kleine groepen
  • Herstel, genezig, vergeving
  • Kunst en muziek

Wat perse niet?

  • Gelikte 'worship"
  • Jargon

Dan staat er nog een aantal aantekeningen die onder de categorie "prive" vallen en die gaan dus in het blik. Dat zijn, in dit geval, subjectieve observaties en conclusies over hoe ik het leiderschap van de Brandaris beleef.

Onderaan de pagina:

  1. Staat Christus voor dezelfde zaken als waar het Christendom voor staat?
  2. Liefhebben, hoe doe je dat nu precies?

Op de eerste vraag kan ik antwoorden: Heel vaak niet

Het antwoord op de tweede vraag is dat het niet gaat om de juiste omschrijving maar om de juiste daad.

30 mei 2009

Àbsolutely phenomenal

Er zijn van die dagen dat alles mee lijkt te zitten. Nu is deze dag nog niet zo oud en we hebben nog heel wat uren te gaan (het is nu 06.30) maar "so far, so good". Om 05.15 klaarwakker en vol energie; eruit en "LEVEN". Hardlopen op een tijdstip dat de vogels wakker worden en het ochtendgloren begroeten. Een perfecte temperatuur om in hard te lopen. Tegen zessen komt de zon op tegen de achtergrond van een volkomen wolkenloze lucht. Een mok "typhoo" thee en lezen over Paulus die aan de Korintiers uitlegt waarom hij zo z'n best doet om anderen voor Christus te winnen (uit ontzag voor God). En, over een half uur de zaterdagkrant. Daar ben ik wel een uurtje mee zoet en kan dan om acht uur aan d slag met m'n huiswerk. Een paper over de zendingsvisie van de reformanten (zoals Luther en Calvijn). Daarbij moet ik m'n eigen research doen omdat in de vijf boeken die de prof. te lezen geeft er slechts een paragraaf te vinden is waarin daar iets over medegedeeld wordt. Bovendien is dat wat er wordt gezegd nog eens in strijd met wat anderen beweren. Ach, als ik dat er allemaal bijhaal wordt het voor de prof ook leuk om te lezen.
Google is een geweldige hulp. Veel oude boeken zijn er online te lezen en te downloaden.
De krant ploft op de derumat. Ik moet gaan.

28 mei 2009

Jones over kapitalisme en behoeften

Nogmaals een stukje uit E. Stanley Jones' "Aan u de beslissing". Een geweldige analyse (vind ik).

„Aan ieder naar behoefte en van ieder naar vermogen” is in de economie een even definitieve gedachte als in de mathematiek: „twee maal twee is vier". Het moderne socialisme heeft deze stelling aanvaard, maar de Christenen zijn hier reeds vanuit hun eigen principes toe gekomen en hebben het toegepast lang voor het moderne socialisme was uitgedacht of iemand er van ge­droomd had. Waarom wij een gedachte zouden moeten loslaten omdat een ander hem aanvaard heeft, is mij niet duidelijk. De tegenwerping wordt misschien gemaakt, dat het eerste deel van de stelling „aan ieder naar behoefte" wèl gevonden wordt in de Christelijke maatschappij, maar het tweede „van ieder naar ver­mogen" nièt; maar dat is onjuist. „Wie niet werkt, zal ook niet eten". Zulk een uitspraak laat aan duidelijkheid niets te wenschen over! Het is van het grootste belang, dat we die twee pun­ten beide vasthouden, want „aan elk naar behoefte" zonder „van ieder naar vermogen" zou vastloopen en parasitisme kweeken. Samen zouden ze de ideale economische basis vormen van een Christelijke maatschappij. Nooit zal ik gelooven, dat er een betere basis te vinden is. Dit is definitief. We kunnen ons in allerlei bochten wringen en protesteeren en argumenteeren, maar ten slotte zal deze stelling ons oordeelen, want het is de definitieve grondslag van het economische leven. Het Christendom, dat dit kind heeft ontvangen en ter wereld gebracht, had het nooit mogen verstooten om het door „ismes" van allerlei kleur te laten opvoe­den. Laten we het terughalen en als ons eigen kind erkennen.
Als de tegenwerping gemaakt wordt, dat dit experiment van de eerste Christenen ten slotte is mislukt en dus niet als voorbeeld kan dienen, dan is het antwoord eenvoudig: het is niet mislukt, omdat het op zichzelf onjuist is, maar omdat het slechts ten deels is toegepast. Het was een coöperatieve consumptie-eenheid, maar geen coöperatieve productie-eenheid, en omdat het principe dus slechts ten halve toegepast werd, mislukte het experiment, zooals met alle halfheden het geval is. Het principe is niet mislukt, maar de toepassing. We moeten het principe weer te voorschijn bren­gen en het nu niet alleen op de distributie en de consumptie, maar ook op de productie toepassen. De productiemiddelen moe­ten in de handen van allen zijn voor het welzijn van allen, en niet in handen van enkelen... voor de exploitatie van velen.
Dit is de meest ernstige beschuldiging die tegen het economische stelsel van onzen tijd kan worden ingebracht: het is niet gericht op de voldoening van behoeften. Professor Forsey zegt: „Voor het kapitalisme is „behoefte" onbelangrijk. De kapitalistische in­dustrie bestaat niet om in behoeften te voorzien, ze bestaat om winst af te werpen. Het voorzien in behoeften, de „dienst aan het publiek" is daarbij slechts een toevalligheid. Als het rendeert" krijgen we wat, anders krijgen we niets". Dit is geen ethisch oordeel over het kapitalisme, het is eenvoudig een feit; een feit dat waar blijft, geheel onafhankelijk van de zedelijke en intellec­tueele kwaliteiten van de kapitalisten persoonlijk" (Towards the Christian Revolution, pag. 101). Dat is heelemail in overeen­stemming met de uitspraak van het Hoog Gerechtshof van Michi­gan in het proces van Dodge contra Ford: „Een onderneming wordt georganiseerd en in stand gehouden ten behoeve van de winst der aandeelhouders". Dat „behoefte" tenslotte de grondslag zal moeten zijn voor een oplossing van de economische wereldproblemen, blijkt uit de conclusie waartoe een professor van de Columbia University komt, wanneer hij den inhoud van zijn wetenschappelijk werk over „Fascisme en Nationaal-Socialisme" aldus samenvat: „Zoo komen we tot de misschien niet zeer origineels conclusie, dat de beste methode internationale conflicten te vermijden een politiek is, die is gebaseerd op de erkenning van de rechtmatige behoeften van andere volken". (Florinsky, Fascism and National Socialism, pag. 276).

Deze eenvoudige uitleg van het kapitalisme helpt mij om opnieuw te begrijpen waarom er van alles mis in in onze samenleving, economien ineen storten en mensen elkaar naar het leven staan.
Het koninkrijksmodel staat "ieder naar behoefte voor". In een gezin dat aan de maaltijd zit, zal de sterkste nooit alle vlees (of ander lekkers) opeisen maar op natuurlijke wijze wordt het aangebodene onder de aanwezigen verdeeld. Het gezin als model voor een gezonde economie is zo'n gekke gedachte niet. Het loslaten van het gezin als model en de rechten van het individu centraal stellen, leidt onherroepelijk tot scheefgroei, ongezonde concurrentie, onrecht en misbruik.



Misschien is het beter om het niet langer over God te hebben. Geeft alleen maar gedoe.

Mijn werk is nogal verweven met het gebruik van het woord God. Een zendingsorganisatie houdt zich immers bezig met de export, uitleggingen, ...